EEN JONGE DOCTOR IN DE SCHADUW VAN EEN GROOT VLAAMS GELEERDE N.a.v. Edouard Léonard, Een studie over het probleem van de Reinaert-proloog (onuitgegeven proefschrift, Luik, 1949),

eerder gepubliceerd in: Tiecelijn 29, [Jaarboek 29 van het Reynaertgenootschap], p. 119-131.

 

Een pdf van dit artikel is te vinden op: https://www.academia.edu/30247691/Een_jonge_doctor_in_de_schaduw_van_een_groot_Vlaams_geleerde

Weet iemand meer over Edouard Léonard. In 1949 woonde hij in Verviers. Was hij daar leraar?

Est-ce qu’il y a quelqu’un qui sait plus de Edouard Léonard?  En 1949 il habitait à Verviers. Etait-il là professeur?

 

 

 

 

In het vorige jaarboek van Tiecelijn heeft Joep Leerssen uiteengezet hoezeer filologen in de negentiende eeuw door hun onderzoek naar de bronnen van de Reynaert een claim konden leggen op het verhaal als nationaal erfgoed: Frans, Vlaams, Duits of Nederlands.(1) Zelf heb ik in hetzelfde jaarboek summier beschreven hoe onderzoekers als F. Buitenrust Hettema, J.W. Muller en pater J. van Mierlo S.J. zich elk op hun eigen manier het werk toe-eigenden, waardoor in de eerste helft van de twintigste eeuw de discussie tussen deze wetenschappers hoog kon oplopen.(2) Daarmee is zeker nog niet alles gezegd. Onbelicht zijn de vak-interne aspecten gebleven. Er bestaat geen goed inzicht in welk opzicht het debat over de proloog bijgedragen heeft tot de filologische methode. Deze filologische discussie is echter al in 1949 op een voorbeeldige, maar partijdige wijze in kaart gebracht in een Luiks proefschrift dat nooit in de openbaarheid is gekomen. Dat het proefschrift van Edouard Léonard niet verspreid is, valt te betreuren, want zijn dissertatie is nog steeds van waarde voor onderzoekers. Dit werk wil ik hier voorstellen.

De discussie over de proloog heeft grote invloed gehad op de Reynaertfilologie en bleef niet zonder gevolgen voor het vak. Een belangrijk deel van de Reynaertpublicaties voor 1950 ging over de juiste lezing van de proloog. Vanaf de jaren dertig van de negentiende eeuw tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was de interpretatie van de Reynaertproloog een van de kernproblemen van de neerlandistiek. De filologische methodologie werd aan de hand van de proloog van de Reynaert

onderwezen. Zo werden in de veelgebruikte Nederlandse schooleditie van Zaalberg de eerste 10 verzen van de proloog parallel uitgegeven naar het Comburgse en Dyckse handschrift, met daaronder de reconstructies van Muller en Van Mierlo. (3)Ook in de twee andere, veelgebruikte edities van Van den vos Reynaerde werd de opvatting van Van Mierlo tegenover die van Muller geplaatst. De Nederlandse uitgave koos voor de lezing van Muller, de Vlaamse volgde de interpretatie van Van Mierlo. (4)

Al in de jaren dertig van de twintigste eeuw werd de klacht gehoord, dat de literatuur over de

Reynaert en in het bijzonder de discussie over de proloog schier onoverzichtelijk was. In 1933 constateerde Rob. Roemans dat het Reynaertprobleem nog niet opgehelderd was en de reeds uitgebreide literatuur nog steeds aangroeide.(5) Kort na elkaar, in 1938 en 1939 verschenen artikelen van Leonard Willems en Rob. Roemans waarin voor niet-ingewijden de discussie werd verhelderd.(6) Tien jaar later promoveerde Eduard Léonard ‘avec distinction’ (7) in Luik tot doctor in de Germaanse filologie op een zeer uitvoerige studie over ‘het probleem van de Reinaert-proloog’ waarin hij een uitputtend overzicht geeft van de discussie over de Reynaertproloog tussen de eerste publicatie van Jan Frans Willems in 1836 en de ‘definitieve oplossing’ door pater Van Mierlo in 1942.(8) De Luikse hoogleraar R. Verdeyen had al voor Léonards promotie de wenk gegeven dat over dit onderwerp een prijsvraag uitgeschreven kon worden door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. In 1950 kon deze studie worden bekroond door de Academie en voorgedragen worden voor publicatie. Van Mierlo schreef wel in zijn verslag: ‘Ik vreesde dat, blijvende bij de gestelde vraag, een uitvoerige behandeling de wetenschap eerder zou kunnen schaden, ja belachelijk maken, door het belang dat er door aan enkele verzen zou worden gehecht. En ik moet bekennen, dat ik door het ingezonden werk niet geheel van die vrees ben verlost.’ (9)In deze opmerking is een echo te horen van eerdere kritiek op de Reynaertonderzoekers. Er was vossenjagers verweten dat zij zich blind tuurden op de proloog in de waan daar de oplossing te vinden van het Reynaertraadsel. (10)Niettegenstaande deze bedenking was zijn verslag uitermate lovend en als het werk voor publicatie bekort zou worden, dan zou het werk een uitermate belangrijke bijdrage aan de Reynaertstudie zijn.

Tot een publicatie van Een studie naar het probleem van de Reinaert-proloog is het nooit gekomen. De Academie had een achterstand bij het publiceren van bekroonde werken. Proefschriften die het oordeel ‘met de grootste onderscheiding’ ontvangen hadden, kregen prioriteit. Zo kon het gebeuren dat van deze dissertatie niets meer vernomen is tot vorig jaar weer een getypt exemplaar werd ontdekt in de archieven van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde (KANTL) – inmiddels is het ‘Vlaamse’ uit de naam van de Academie verdwenen – in Gent.(11) Voor zover ik weet, zijn er slechts twee kopieën van de dissertatie bewaard. Daarvan is het exemplaar in de Luikse universiteitsbibliotheek niet beschikbaar wegens schimmelvorming. (12) Het proefschrift is nu nog alleen maar raadpleegbaar in de KANTL, waar het in het archief bewaard wordt onder de signatuur F1/A en F1/B.

 

De dissertatie van Léonard

 

Het  typoscript  van  Léonards  dissertatie  is  een  van  de  verborgen  schatten  van de KANTL. De studie omvat maar liefst 457 dicht betypte pagina’s tekst en nog eens 283 pagina’s bibliografie en voetnoten. Het werk bestaat uit vier delen:

 

Deel I Inleiding tot de proloog-studie                                   p. 1- 23

Deel II Tekstkritiek                                                                        p. 24-157

Deel III Het proloog-probleem: de hypothesen                               p. 158-438

Deel IV Besluit                                                                          p. 439-457

Deel  II  met  het  filologische  commentaar  op  de  proloog  wilde  Van  Mierlo  grotendeels  schrappen,  maar  voor  het  hoofdstuk  over  de Madoc  had  hij  veel lof. Het is een uitvoerige bespreking van de verschillende hypothesen die naar voren gebracht zijn over wat voor werk de

Madoc  zou kunnen zijn. Zijn werkwijze is vergelijkbaar met die van de bibliograaf Rob. Roemans, die in die jaren veel opgang maakte. Moderne onderzoekers als Frits van Oostrom en Alexia Lagast  hadden  er  hun  voordeel  mee  kunnen  doen  bij  hun  bespreking  van  de  verschillende theorieën over de Madoc. (13)  Léonard concludeerde na zijn exhaustief overzicht dat ‘al de pogingen (om de Madoc te identificeren) tenslotte niet doeltreffend’  zijn.  ‘De  resultaten  waartoe  de  naspeuringen  hebben  geleid  zijn  niet  zelden  onevenredig  aan  de  aanhoudende  inspanning,  die  zij  vereist  hebben’ (p. 157). De manier waarop hij de Madoc  benadert is ook typerend voor zijn werkwijze in deel III, de kern van zijn proefschrift.

Deel III is een bibliografisch overzicht van de studie naar de Reynaertproloog,  waarbij  hij  verschillende  hypothesen  met  elkaar  confronteert.  Zijn  methodologische richtlijn daarbij was het adagium: ‘du choc des opinions jaillit la vérité’ (p. 403). Daarvoor moet men afzien van ‘ideologie of stelsel’ (= theorie, JdP).  Léonard  staat  duidelijk  een  positivistische  wetenschapsinstelling  voor: als de feiten maar op een rijtje worden gezet, volgt vanzelf de juiste conclusie. Deze  insteek  vinden  we  tegenwoordig  wellicht  naïef,  maar  het  heeft  wel  een  zeer systematisch opgezette studie opgeleverd, waarin het verloop van de discussie helder weergegeven is.

Het  is  typerend  voor  Léonards  grondigheid  dat  hij  nagenoeg  alles  heeft geraadpleegd  wat  ooit  is  geschreven  over  de  Reynaertproloog  vanaf  Jan  Frans  Willems tot zijn eigen tijd, meer dan 400 publicaties. Voor mij stonden er veel onbekende publicaties in de literatuurlijst. Aan Léonards aandacht was alleen een publicatie van Rob. Roemans in een vaktijdschrift voor middelbare scholen ontsnapt.(14)  Steeds  geeft  hij  de  opvattingen  van  de  verschillende  onderzoekers weer met de kritiek die daarop geuit is. Doordat hij gebruikmaakt van treffende citaten,  komt  de  discussie  tot  leven.  Zijn  eigen  oordeel  steekt  hij  daarbij  niet  onder stoelen of banken. Er valt dan ook goed te volgen hoe de discussie zich ontwikkelde en wat de invloed van de ene wetenschapper op de andere was.

De  studie  vangt  aan  met  de  editie  van  J.F.  Willems  uit  1836.  Léonard  laat daarbij niet onbesproken wat de invloed van J. Grimm op de vader van de Vlaamse  beweging  was.  Volgens Léonard  heeft  Willems  zijn  theorie  over  de  Reynaert gebouwd  op  de  idee  van  Grimm  dat  een  der  bekende  branches  van  de  Roman de Renart  het voorbeeld kan zijn van de Vlaamse Reynaert. Willems was de opvatting  toegedaan  dat Reinaerts  historie geschreven  is  door  Willem  Utenhove, een  priester  uit  Aardenburg,  in  het  midden  van  de  dertiende  eeuw.  Deze  Willem schreef een vervolg op Van den vos Reynaerde dat omstreeks 1170 geschreven zou  zijn.  Het  oudste  deel  van  Willem  Utenhoves  werk  zou  een  oorspronkelijk  Vlaams verhaal zijn. Ook het eerste verhaal uit de Roman de Renart, Le Plaid, zou erop gebaseerd zijn. De opvattingen van Willems zijn niet onbesproken gebleven.

Het is volgens Léonard diep te betreuren dat de kritiek van de Luikse hoogleraar J.H. Bormans op Willems nooit gehoor heeft gevonden. Bormans maakte er onder meer bezwaar tegen dat de Reynaertproloog door Willems niet aan de  oorspronkelijke  dichter  Willem  toegeschreven  werd.  Volgens  Van  Mierlo  moet dat deels aan hem zelf te wijten zijn: Bormans heette excentriek en ouderwets  zodat  de  wetenschappelijke  wereld  enigszins  wantrouwig  tegenover  zijn  ideeën stond.(15)  Léonard suggereert dat twintig jaar later W.J.A. Jonckbloet de kritiek van Bormans zonder bronvermelding overgenomen heeft. De paragraaf waarin hij dat beweert, heeft zelfs het motto meegekregen ‘Geef den keizer wat des keizers is… Matth. XII/21’. Jonckbloet ging echter verder en betoogde dat Willems  het  fout  had  door  te  stellen  dat  onze Reynaert  de  bron  was  voor  de Franse Renart. Het omgekeerde is het geval: Van den vos Reynaerde  gaat terug op een Frans voorbeeld. De invloed van Jonckbloet was niet te onderschatten. Léonard schrijft: ‘naar zijn (ten dele) nieuwe theorie richten zich allen’ (p. 203).

W.L.  van  Helten  en  F.  Buitenrust  Hettema  kwamen  tot  een  verschillende  interpretatie  van  de  proloog.  Van  Helten  was  enthousiast  beoefenaar  van  tekstreconstructie en herschreef de eerste 10 verzen. Vers 6 uit Comburg, ‘Die Willem  niet  hevet  vulscreven’,  werd  bij  hem  ‘Die  wel  nutte  ware  bescreven’!  Geheel  tegengesteld  aan  de  werkwijze  van  Van  Helten  is  die  van  Buitenrust  Hettema. Léonard plaatst als motto boven de paragraaf over Buitenrust Hettema ‘manum de tabula’, vrij vertaald ‘handen af van het kunstwerk ’. Volgens Buitenrust  Hettema  moest  men  de  handschriften  respecteren:  emendaties moeten  vermeden  worden.  Wel  meende  hij  dat  de  verzen  1-10  niet  van  Willem af komstig waren, maar toegevoegd zijn door een editeur. Als Léonard de opvattingen van Van Helten met die van Buitenrust Hettema vergelijkt dan ‘is het of ons een emmer kilkoud water over de rug gegoten wordt, dan blijven wij met de handen in het haar zitten. En wij beginnen allengs te wanhopen aan de mogelijkheid zelf van één oplossing die algemene goedkeuring zou wegdragen.’ In  de  jaren  na  Van  Helten  en  Buitenrust  Hettema  zal  volgens  Léonard  het  onderzoek op een dwaalspoor geraken.

Leonard Willems’ bijdrage aan de discussie over de proloog noemt Léonard de  meest  opzienbarende  van  de  negentiende  eeuw.  In  zijn  bijdrage  uit  1897 volgde L. Willems de opvatting van Buitenrust Hettema. Ook hij is van mening dat er zo weinig mogelijk veranderd mag worden aan de tekst. Hij maakte ook bezwaar tegen de emendaties van Van Helten en geestverwanten, die volgens hem de woorden van de proloog slechts veranderen ‘om door den tekst te doen zeggen… het tegendeel van hetgeen er in staat’ (p. 226). Toch stelde hij zelf ook een hoogst opmerkelijke emendatie voor. Hij merkte op dat in de eerste 9 verzen van de proloog tweemaal de naam Willem staat, in het vers 1 en in vers 6. Hij vermoedde dat wanneer de naam een tweede keer genoemd wordt, er oorspronkelijk een andere naam zou hebben gestaan. De gedachte van zijn naamgenoot J.F. Willems dat de Reynaert  het werk van twee auteurs zou zijn, was volgens Leonard Willems dan ook zo gek nog niet. Léonard Willems dacht dat een Willem het eerste gedeelte tot ongeveer vers 1750 geschreven had naar zijn  Franse  bron.  Het  tweede  gedeelte  zou  een  omwerking  zijn  van  de  tekst  van een tweede dichter. Deze ‘vernuftige hypothese’ van Willems was volgens Léonard ‘de bron van alle kwaad’ (p. 228). Willems’ idee dat er twee schrijvers waren, heeft een grote invloed op de Leidse hoogleraar J.W. Muller gehad.

Leonard  Willems’  emendatie  werd  echter  wel  bevestigd  door  de  ontdekking  van  het  Dyckse  handschrift  in  1907.  In  plaats  van  dat  de  ontdekking  van  een  tweede handschrift de oplossing van het Reynaertprobleem dichterbij bracht, was het omgekeerde het geval. Tijdens het interbellum ontstond een verhitte discussie tussen heren op leeftijd. De belangrijkste protagonisten waren J.W. Muller (1868-1945), Leonard Willems (1878-1938) en pater J. van Mierlo s.j. (1888-1958). Het verslag van deze filologenstrijd beslaat de meeste pagina’s in het proefschrift. Verrassend was voor mij dat Leonard Willems een nog belangrijker aandeel had in de discussie dan ik me al realiseerde. Hij probeerde een matigende rol te spelen in de strijd tussen de kemphanen Muller en Van Mierlo.

Alle  drie  wijzigden  ze  hun  opvatting  tijdens  de  discussie.  Hoewel  Muller altijd is blijven vasthouden dat de Reynaert geschreven was door twee dichters, dacht hij eerst dat Willem de schrijver van het eerste deel was en kwam later tot  het  inzicht  dat  hij  de  schrijver  van  het  tweede  deel  moest  zijn.  Leonard  Willems  verliet  in  1920  het  idee  dat  de  Reynaert  geschreven  was  door  twee  auteurs  en  meende  nu  dat  Arnout  de  schrijver  was  van  een  verloren  gegane proto-Reynaert.  Pater  Van  Mierlo  heeft  altijd  vastgehouden  aan  het  idee  dat de Reynaert  van  de  hand  van  één  dichter  was.  Eerst  meende  hij  nog  dat  Arnout  een  Vlaamse  schrijver  was  waarop  branche  I  van  de  Franse  Roman  de  Renart terug  zou  gaan,  maar  ook  hij  veranderde  van  gedachte  en  meende  later  dat  met  Arnout  de  schrijver  van  de Roman  de  Renart  bedoeld  werd.  De  discussie liep hoog op tijdens de jaren dertig. In 1938 verschenen er artikelen van  de  hand  van  Muller,  Willems  en  Van  Mierlo  over  de  proloog.  Een  paar  jaar  later  herhaalde  Muller  zijn  opvattingen  in  zijn  Reynaerteditie.  Toen  de  Duitse  hoogleraar  Frings  in  1941  in  een  lange  recensie  beweerde  dat  Muller  een ‘Schlußstrich’ onder het ‘philologische Gezänk ’ had gezet, reageerde Van Mierlo  daarop  in  1942  met  een  artikel  dat  hij  de  titel  meegaf  ‘De  definitieve  oplossing  inzake  den  Reinaert-proloog’,  waarin  hij  eerst  de  methodologische regels uitlegde en vervolgens afrekende met de opvattingen van J.W. Muller en de inmiddels overleden L. Willems.(16)

Een verdienste van Léonards proefschrift is dat hij de argumenten pro en contra de verschillende opvattingen uiterst consciëntieus weergeeft. Ik beperk me hier tot zijn weergave van de redenering van Van Mierlo, die door zijn polemische  stijl  de  filologische  strijd  nog  hoger  deed  oplaaien.  Allereerst  vond  Van Mierlo dat L. Willems te veel emendeerde. Van Mierlo kan zich ook niet vinden in de opvatting van Willems dat er al verhalen in het Diets zouden circuleren, omdat de dichter Willem volgens hem benadrukt dat hij de eerste is die de Roman de Renart  uit het Frans vertaald heeft. Léonard neemt dat argument over. Naar mijn mening heeft Willems wel degelijk een punt wanneer hij wijst op het belang van een orale traditie. Willems heeft vaak hoogst interessante ideeën, die niet altijd even overtuigend gepresenteerd worden, maar dit terzijde.

De behandeling van de discussie tussen Muller en Van Mierlo was voor mij een eye-opener door de manier waarop Léonard helder uiteenzet hoe verschillend  Muller  en  Van  Mierlo  de  proloog  lezen.  Cruciaal  voor  de  interpretatie  van vers 6, ‘die Arnout/Willem niet hevet vulscreven’, is het voorgaande vers 5, ‘in Dietsche onghemaket bleven’. Muller begrijpt ‘onghemaket’ als nog niet voltooid, wat zou impliceren dat er twee auteurs waren, terwijl Van Mierlo dat leest  als  ‘onbehandeld’,  wat  zou  betekenen  dat  er  maar  één  auteur  was:  Willem.  Arnout  moest  dus  wel  verwijzen  naar  een  Franse  dichter.  Paleografisch  lagen  de  namen  Arnout  en  Perrout  volgens  Van  Mierlo  dicht  bij  elkaar.  Om  zijn interpretatie kloppend te maken, behoefde Van Mierlo de tekst maar op één plaats te emenderen, enkel de ontkenning ‘niet’ schrappen in vers 6. Volgens Van Mierlo drong deze emendatie zich op; het behoud van ‘Arnout’ was gewaagd!  Middeleeuwse  kopiisten  hadden  volgens  de  geleerde  niet  begrepen  dat het om de Franse dichter ging en hadden de ontkenning toegevoegd. Vanzelfsprekend  vond  Van  Mierlo  ook  dat  Muller  te  veel  emendeerde.  Het  laatste  woord  over  het  Reynaert-probleem  komt  in  Léonards  studie  toe  aan  Van  Mierlo. Zijn argumenten worden niet weersproken.

In zijn slotbeschouwing probeert Léonard de discussie over de Reynaertproloog  te  overstijgen  door  de  methodologische  uitgangspunten  te  overdenken.  Zo  maakt hij de interessante observatie dat naargelang de visie van de onderzoeker op de genese en compositie van de Reynaert anders is, de interpretatie van de proloog en met name het beruchte vers 6 ‘Die Willem/Aernout niet en hevet vulscreven’ verschilt. Hij pleit voor een onderzoek naar de relatie van de Reynaert  met de Franse Roman de Renart en de Duitse Reinhart Fuchs. In bedekte termen suggereert hij dat de opvatting van Van Mierlo getoetst moet worden, waarmee ook detwee-auteurshypothese  naar  het  rijk  der  fabelen  verwezen  zou  kunnen  worden.  Dat zou Van Mierlo’s oplossing echt definitief maken. Die uitlating kwam hem op een kleine reprimande in het juryrapport van Van Mierlo te staan! (17)

Niettegenstaande een kritische noot heeft Van Mierlo toch volgens Léonard ‘in zijn nauwkeurig onderzoek de proloogtekst als een samenhangend en organisch geheel beschouwd en een scherpzinnige analyse gegeven van alle versregels afzonderlijk en in hun onderling verband’ (p. 446). Léonard is er dan ook oprecht verbaasd over dat anderen niet het gelijk van Van Mierlo inzagen. De oorzaken  daarvoor  ziet  hij  onder  meer  in  het  onvoldoende  kennisnemen  van de literatuur en in de bevooroordeelde blik waarmee de onderzoekers hun onderwerp benaderden. Hij hekelt het ‘apriorisme’, de ‘subjectieve voorkeuren’, de ‘inlegkunde’ en zelfs de ‘autosuggestie’ bij verschillende onderzoekers (p. 450).

Onvermeld liet hij ook niet dat er sprake was van partijdigheid tussen Waalse, Vlaamse en Nederlandse geleerden, meningsverschillen die tot talloze incidenten geleid hebben.De formulering van de conclusie verraadt echter dat ook hij het filologische onderzoek naar de Reynaert  zag in het licht van de rivaliteit tussen Nederland en België. Een Hollander als Muller kon het verhaal niet in de juiste context plaatsen. De laatste zin van Léonards dissertatie luidt: ‘Uiteindelijk komt een landgenoot  van  Willem  de  eer  toe  minstens  één  der  neteligste  Reinaert-problemen te hebben opgelost: en dit is voorwaar een heuglijk feit.’ De gretigheid waarmee  Van  Mierlo  deze  dissertatie  wilde  bekronen,  wordt  er  alleszins  begrijpelijk door.

 

Léonards partijdige blik

 

Léonards eindoordeel, waarin hij Van Mierlo overlaadt met lof, riekt naar de door hem zo verfoeide partijdigheid. Hij slaagde er niet in om zich te ontworstelen aan de autoriteit van Van Mierlo. Misschien durfde hij niet, omdat hij voor publicatie van zijn proefschrift niet om Van Mierlo heen kon, die immers in de jury van de prijsvraag van de Academie zat. De Luikse hoogleraar R. Verdeyen (hij zat samen met A. van Loey ook in de jury) had al jaren voor voltooiing van het werk een wenk gegeven dat het in aanmerking zou kunnen komen  voor  bekroning.  Er  mag  dus  aangenomen  worden  dat  Léonard  voortdurend rekening hield met Van Mierlo en dat hij zijn doctoraat naar de grote geleerde  toe  schreef.  Maar  misschien  werd  wetenschappelijke  onaf hankelijkheid toen ook niet verwacht van een doctorerende.

Eenzelfde partijdigheid valt namelijk ook te bespeuren in de beschouwingen  van  andere  wetenschappers  over  de  Reynaertproloog.  De  Duitse  hoogleraar Frings koos de kant van zijn vriend Muller, terwijl de bibliograaf en leraar bij het openbaar onderwijs Roemans liet blijken dat hij meer waardering kon opbrengen voor de voorzichtige benadering van L. Willems.(18) In de Revue belge deed een anonieme bibliograaf – we kunnen daarin Roemans vermoeden – een beetje smalend over Van Mierlo’s definitieve oplossing.(19)

Na de dood van Leonard Willems werd de discussie verengd tot een wedstrijd  Holland-België,  zoals  blijkt  uit  de  Reynaertedities  die  tussen  1950  en  1974 verschenen, waarin de opvatting van Willems niet meer vermeld wordt. Partijdigheid lijkt mij een typerende trek voor de samenleving tijdens het interbellum en de tijd kort daarna. Karakteristiek voor deze periode was dat men zich als vanzelfsprekend richtte naar de opvattingen van de ‘voorman’ van de partij waar men zich toe rekende. Deze persoonlijkheidscultus was niet alleen in  de  politiek,  maar  eveneens  in  de  wetenschap  aanwezig.  Van  Mierlo  werd  overladen met eerbewijzen. Hij was de grote man van de Vlaamse literatuurwetenschap,  die  geen  tegenspraak  duldde.(20)  Zijn  strijdbare  persoonlijkheid  maakte dat hij geen inmenging op zijn terrein van de Middelnederlandse letterkunde  verdroeg,  behalve  dan  van  een  enkele  collega-jezuïet  uit  het  Ruusbroecgenootschap.  Een  biograaf  constateerde  ironisch  dat  ‘Van  Mierlo  en  de  anderen’ tot op de dag van vandaag een probleem blijft.(21) De relatie tussen Van Mierlo en andere wetenschappers kon een probleem worden door de institutionele kaders waarbinnen de medioneerlandistiek functioneerde.

Uit het proefschrift valt te achterhalen hoe zich partijschappen gingen vormmen in het Reynaertonderzoek, waarbij vooral de scheidslijn tussen Nederland en Vlaanderen niet geheel onbelangrijk was. Van Mierlo had zich verzet tegen de  dominantie  van  protestantse,  Nederlandse  wetenschappers  bij  het  onderzoek  naar  de  Vlaamse,  katholieke  Middelnederlandse  literatuur.(22)  De  meer Europees  georiënteerde  Muller  vond  Van  Mierlo’s  flamingantisme  maar  een  ‘bedenkelijke vorm van nationalisme’.(23) De roep om een objectieve benadering zonder  ‘apriorisme’  en  ‘stelsel’  is  in  een  dergelijke  context  goed  verklaarbaar,  maar ondertussen voegden Vlaamse en Nederlandse geleerden zich wel naar het alfamannetje van de eigen groep, dat de waarheid in pacht zou hebben. Zo kon de discussie over de proloog ontaarden in een strijd over wie het ongelijk aan zijn zijde had, en bleef de vraag welke argumenten valide waren op de achtergrond. Het lijkt erop alsof er onvoldoende methodologisch bewustzijn was om de argumenten van de persoon te scheiden. Toch heeft de discussie over de proloog  ongetwijfeld  bijgedragen  tot  het  aanscherpen  van  de  filologische  methodologie. De regel dat een handschrift als basis genomen moest worden en niet willekeurig een woord veranderd mocht worden was al rond 1900 geformuleerd door Leonard Willems en in 1942 benadrukte Van Mierlo dat men zo weinig mogelijk moet emenderen.

Vooral na de ontdekking van een tweede handschrift (het Dyckse) was er nog de hoop dat, wanneer op de juiste manier de originele tekst gereconstrueerd werd, er een antwoord gevonden zou kunnen worden voor het Reynaertprobleem.  Maar  gaandeweg  werd  de  verwarring  alleen  maar  groter.  De  door  Van Mierlo in het verslag over Léonards werk geuite vrees dat de wetenschap zich belachelijk zou kunnen maken door zo lang stil te staan bij wat velen als een  futiel  probleem  beschouwden,  was  dan  ook  niet  geheel  onterecht.  In  de  jaren vijftig en zestig ontstond er een algemeen gevoelen dat er geen definitieve oplossing mogelijk was. Het was duidelijk dat de waarheid over de proloog niet te  achterhalen  viel.  Ook  Léonard  wist  dat  tegen  elke  interpretatie  methodologische  bezwaren  waren  in  te  brengen.  Hij  was  echter  blind  voor  de  kritiek  op Van Mierlo. Zijn eerbied voor de autoriteit van Van Mierlo stond een kritische distantie in de weg. Het was pas na de universitaire revolte van de jaren zestig dat het gezag van de hoogleraar begon te tanen, maar nog steeds speelt het prestige van vooraanstaande Reynaertgeleerden een grote, soms belemmerende rol in het onderzoek.

 

Conclusie: tussen autoriteit en argument

 

Wetenschapsbeoefening speelt zich af tussen autoriteit en argument. Léonard was zich er terdege van bewust hoe richtinggevend autoriteiten voor het onderzoek  konden  zijn,  zoals  uit  verschillende  plaatsen  in  zijn  proefschrift  blijkt. Voor de huidige onderzoeker ligt het belang van Léonards proefschrift er niet in dat een oplossing voor het Reynaertprobleem wordt gegeven, maar wel  dat  eruit  valt  te  reconstrueren  hoe  het  wetenschappelijke  bedrijf,  afdeling Middelnederlands, functioneerde tussen 1830 en 1950. Zonder al te veel moeite valt uit dit doctoraat te achterhalen hoe de opvattingen over met name de eerste 10 verzen van Van den vos Reynaerde in de loop der tijden zich vormden, zich veranderden en zich verspreidden en welke rol autoriteit en argument daarbij speelden. Om die reden is Léonards proefschrift vooral voor de beoefenaars van de wetenschapsgeschiedenis een ware goudmijn.

 

Het proefschrift van Edouard Léonard is binnenkort te raadplegen op de site van de KANTL.

 

Naschrift   

Nog een Luiks doctoraat

 

Bij  pogingen meer informatie te vinden over E. Léonard, bleek dat er nog een tweede Luiks proefschrift geschreven is.  Dr. Kris Steyaert mailde me het volgende:

 

 

Die Léonard lijkt inderdaad een ongrijpbare figuur: ik vind zijn naam

niet  terug  in  de  officiële  jubileumuitgaven  (liber  memorialis)  van  de

universiteit.  Zijn  parcours  lijkt  wel  sterk  op  dat  van  (mede?)student

Herbert Boucq. Boucq schreef in 1941-1942 zijn licentiaatsverhandeling  getiteld

Morphologie  van  het  substantief  in  Reinaert  I  en  promoveerde vervolgens in 1947-1948 op het proefschrift Morphologie van het substantief en van het adjectief in Reynaert I. De

Reynaert  was in de jaren 1940 blijkbaar erg in trek in Luik.

 

In de catalogus van de Luikse universititeitsbibliotheek is deze dissertatie niet opgenomen. Het doctoraat van Herbert Boucq is tot nu toe onvindbaar …

 

 

Bijlage

 

De Reynaertstudie aan de Belgische universiteiten tussen 1934 en 1964

 

Blijkens de lijst opgesteld door Ada Deprez werden aan Belgische universiteiten tussen 1934 en 1964  vijf licentiaatsverhandelingen en twee doctoraten voorgelegd. Het gaat om de volgende werken.

 

  1. Levoz, Reinaert und Reinke de Vos, Luik, 1936.

Edouard Léonard, De Reinaert-Proloog. Stand van zaken, Luik, 1941.

Herbert  Boucq,  Morphologie  van  het  substantief  in  Reinaert  I,  Luik, 1942.

Theo  Maes,  Koning  Ermerics  wonderbare  schat  in  Reinaerts  historie,Gent, 1943.

Herbert  Boucq,  Morphologie  van  het  substantief  en  van  het  adjectief  in Reynaert I, Luik, 1948. (doctoraat)

Edouard  Léonard,  Studie  over  het  probleem  van  de  Reinaert-proloog,Luik, 1949. (doctoraat)

Dirk Tieleman, Reinaert de vos. Een status questionis, Gent, 1963.

Bron: Ada Deprez, ‘Licentiaatswerken en doctoraten in verband met de literatuurwetenschap of de Nederlandse literatuurstudie. Systematisch overzicht van de aan de Belgische universiteiten voorgelegde werken’, in:  Studia Germanica Gandensia, 7 (1965), p. 158.

 

Noten

1   Joep  Leerssen,  ‘De  vos  op  het  spoor.  De  herontdekking  van  Reynaert  in  de  eeuw  van  het  nationalisme’,  in: Tiecelijn  28.  Jaarboek  8  van  het  Reynaertgenootschap,  (2015),  p.  11-17.  Uitvoeriger in: Joep Leerssen, De bronnen van het vaderland. Taal, literatuur en de af bakening

van Nederland 1806-1890, Nijmegen, 2006, m.n. hoofdstuk 4: ‘De nationaliteit van Reinaert (1834-1870)’, p. 75-95.

2  Jan de Putter, ‘Op zoek naar Arnout. Over interpretatie van Buitenrust Hettema tot Van

Daele’, in: Tiecelijn 28. Jaarboek 8 van het Reynaertgenootschap, (2015), p. 18-63.

3  C.A. Zaalberg (ed.), Van den vos Reinaerde, ’s-Hertogenbosch, 197310, p. 8.

4 L.M. van Dis (ed.), Van den vos Reynaerde, Groningen, 197220, p. 35-37. P. de Keyser (ed.),

Van den vos Reynaerde, Antwerpen, 19727, p. xix en p. 1.

5  Rob.  Roemans,  ‘Analytische  Bibliographie  van  Dr.  Leonard  Willems’,  in:  Verslagen  en 

mededeelingen  der  Koninklijke  Vlaamse  Academie  voor  Taal-  en  Letterkunde,  (1933),  p.  699-701, m.n. p. 701. Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard Willems en het Reinaertprobleem’, in: O.M.O. Maandblad van den Vlaamschen Leeraarsbond van het Officieel Middelbaar Onderwijs, 13 (1933), p. 221-227, m.n. p. 222-223.

6  Leonard  Willems,  ‘De  Reinaert-proloog  of  adhuc  sub  judice  lis  est’,  in:  Verslagen  en

mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1938, p. 675-692, m.n. p. 684. Rob. Roemans, ‘Het Reinaertprobleem en Prof. Dr. J. van Mierlo, S.J.’ in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 640-647.

7   ‘Rapport  sur  la  situation  de  l’université  pendant  l’année  academique’,  in: Ouverture

solennelle des cours, le 24 septembre 1949, Luik, 1949, p. 212.

8 Het proefschrift is aangekondigd in de Revue belge, 28 (1950), p. 772. In 1942 behaalde

Léonard  zijn  licentiaat  aan  de  Université  de  Liège  met  een  licentiaatsverhandeling  De

Reinaert-Proloog, Stand van zaken. Ook deze verhandeling is aangekondigd in: Revue belge, 21

(1942), p. 534. Zie ook: I. Simon, ‘Soixante années de Philologie germanique à l’Université de Liège’, in : Bulletin de l’Association des Amis de l’Université de Liège,2/4 (1950), p. 37.

9  J.  van  Mierlo,  ‘Verslag  over  een  prijsantwoord  voor  het  jaar  1949:  Een  studie  over  het  probleem  van  de  Reinaert-proloog  sedert  Jan  Frans  Willems’,  in: Verslagen  en  mededelingen  der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, (1951), p. 269-276, citaat p. 275.

10  Leonard  Willems,  ‘De  Reinaert-proloog  of  adhuc  sub  judice  lis  est’,  p.  689.  Willems

legt  deze  woorden  in  de  mond  van  G.G.  Kloeke.  Kloeke  drukte  zich  beslist  minder  sterk  uit: G.G. Kloeke, ‘Het aandeel van Willem en Aernout in den Reinaert I’, in: Tijdschrift voorNederlandse taal- en letterkunde, 38 (1919) p. 35-36.

11 Over de ontdekking door de medewerkers van KANTL, Jan de Putter, ‘Op zoek naar

Arnout’, p. 18 en 50.

12 Een exemplaar van het proefschrift bevindt zich in de Luikse universiteitsbibliotheek

onder  signatuur  ALPHA-Bibliothèque  principale  Réserve  distante  –  Section  B  (007620M  en  007621M ). De Luikse UB liet weten: ‘We cannot unfortunately supply you the desired books. These  are  located  in  a  inaccessible  section  of  the  library  because  of  a  fungal  contamination  (processing). We don’t know when these will be again available.’ (mail d.d. 20-1-2016).

13 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf

het  begin  tot  1300,  Amsterdam,  2006,  p.  496-498,  p.  585  (verwijzing  naar  rapport  over  de  Madoc  door  Nolanda  Klunder);  Alexia  Lagast,  ‘A  la  recherche  de  l’œuvre  perdue:  kritische

status  quaestionis  van  het  onderzoek  naar  de Madoc’,  in: Millennium.  Tijdschrift  voor  middeleeuwse studies, 24 (2010), p. 19-33.

14 Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard

Willems en het Reinaertprobleem’, p. 221-227.

15 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949: Een studie over het

probleem van de Reinaert-proloog sedert Jan Frans Willems’, p. 273.

16 J. van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert-proloog’, in: Verslagen en

mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1942, p. 563-595.

17 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949’, p. 273-275.

18  Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard

Willems en het Reinaertprobleem’, p. 222-223. Rob. Roemans, ‘Nécrologie. Leonard Willems (1864-1938)’, in: Revue belge de philologie et d’histoire 18 (1939), p. 838-840.

19‘Chronique’, in: Revue belge de philologie et d’histoire 23,1944, p. 572-573. Ik citeer hier

het berichtje: ‘van Mierlo: De definitieve oplossing inzake den Reinaert-proloog (563-595): een bescheiden opstel waaruit moet blijken dat èn J.W. Muller, èn L. Willems, èn G.G. Kloeke allen ongelijk hebben, dat vs. 6 – het is de “klaarblijkelijkheid zelf ”, p. 568 – moet geluid hebben: Die Perrout hevet vulscreven, welk opstel eig. geschreven werd om Th. Frings’ uitspraak (…) over de proloog: “philologisches Gezänk ” waaraan Muller’s jongste uitgave een einde heeft gemaakt, in het ongelijk te stellen.’ Waarschijnlijk is de tekst van Rob. Roemans, hij schreef vaker bijdragen voor de ‘Chronique’ in de Revue belge. Van zijn hand is ook eensignalering van Van Mierlo’s studie ‘Sporen van den Reinaert-roman’ in de Chronique van de Revue belge, 24 (1945), p. 556-557.

20  F.  Willaert,  ‘Jozef  van  Mierlo  (1878-1958):  Vlaams  en  katholiek ’,  in:

Millennium, tijdschrift voor middeleeuwse studies, 25 (2011), p. 121.

21 G. Warnar, ‘Van Mierlo (1878-1958) en de anderen. De studie van geestelijke letterkunde

tussen  1900  en  1950’,  in:  Wim  van  Anrooij,  Dini  Hogenelst  en  Geert  Warnar  (red.),

Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde,Amsterdam, 2003, p. 179-193, m.n. 193.

22 J. van Mierlo, Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandse letterkunde, Antwerpen,

1928, p. vi. Vgl. Frank Willaert, ‘Van Mierlo. De voordelen van vooroordelen’, in: Literatuur, 6 (1989), p. 345 en F. Willaert, ‘Jozef van Mierlo (1878-1958): Vlaams en katholiek ’, p. 124.

23 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën, III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse

taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 34. Vgl. ook Jan de Putter, ‘Op zoek naar Arnout’, p. 30.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s