Op zoek naar Arnout. OVER INTERPRETATIE VAN BUITENRUST HETTEMA TOT VAN DAELE

Op zoek naar Arnout
OVER INTERPRETATIE VAN BUITENRUST HETTEMA TOT VAN DAELE

Eerder gepubliceerd in Tiecelijn. Jaarboek 8 van het Reynaertgenootschap, p. 18-63.
Het oorspronkelijke artikel is als pdf te raadplegen via: https://www.academia.edu/19153282/Op_zoek_naar_Arnout._OVER_INTERPRETATIE_VAN_BUITENRUST_HETTEMA_TOT_VAN_DAELE

Inleiding

Over de geschiedenis van het Reynaertonderzoek is veel geschreven en gezegd. Ergens in de archieven van de Koninklijke Vlaamse Academie moet zich een ongepubliceerd, maar bekroond typoscript uit 1950 van maar liefst 700 pagina’s bevinden dat handelt over ‘het probleem van de Reinaert-proloog’ van Jan Frans Willems tot Van Mierlo.1 De bekroning geeft een indicatie van hoe belangrijk dit thema toen gevonden werd en de omvang hoeveel inkt er al over de interpretatie van de proloog was gevloeid. W.Gs Hellinga omschreef de geschiedenis van deze filologische strijd als:

een boeiend verhaal van scherpzinnigheid en stupiditeit, van ontdekkerstriomfen en leed om tegenstand: van moed om nieuwe wegen in te slaan, nieuwe technieken en methoden te beproeven, en van onkunde,onbegrip en onwil; van vriendschap die tot partijschap werd en vriendschap die in vijandschap verkeerde: van plezier, spot, hoon, haat: kortom een hoofdstuk uit de wetenschapsgeschiedenis.2

Wat er allemaal gebeurde wil Hellinga niet vertellen. Hij had de wetenschap aan zich verplicht als hij dit verhaal wel in geuren en kleuren verteld had. Een hoofdstuk uit de wetenschapsgeschiedenis is dit artikel zeker, maar alleen heel zelden kunnen we op deze afstand nog de heftige emoties horen doorklinken waarmee het debat gevoerd werd. Dat neemt niet weg dat het verhaal over het onderzoek van de proloog allesbehalve saai is en zeker niet van enig belang ontbloot.
Aanzetten voor het debat waren er al in de negentiende eeuw. Toen warenslechts twee Reynaerthandschriften bekend: het Comburgse handschrift met daarin de tekst Van den vos Reynaerde (A) en het Brusselse handschrift waarin de tekst Reynaerts historie (B) te vinden is. Het eerste gedeelte van Reynaerts historie volgt bijna woordelijk Van den vos Reynaerde en voegt aan dat verhaal nog een vrijwel even lang vervolg toe. De discussie over de proloog barstte even-

p.18

wel eerst goed los toen een tweede handschrift van Van den vos Reynaerde, het Dyckse (F), werd ontdekt in 1907,3 waar in de proloog de naam van een tweede dichter, Arnout, na Willem stond vermeld. Ik geef hieronder de verzen 1-9 van de proloog naar de overgeleverde handschriften weer:4

Van den vos Reynaerde, verzen A 1-9
(Comburgse handschrift)

Vvillem, die vele bouke maecte
Daer hi dicken omme waecte
Hem vernoyde so haerde
Dat die auonture van reynaerde
Jn dietsche onghemaket bleuen
Die willem niet hevet vulscreuen
Dat hi die vijte van reynaerde soucken
Ende hise na den walschen boucken
In dietsche dus heuet begonnen

Van den vos Reynaerde, verzen F 1-9
(Dyckse handschrift)

Vvillam die madocke makede
Daer hi dicke omme wakede
Hem vernoyde so harde
Dat er ene auenture van reynaerde
Jn dietsche was onvolmaket bleuen
Die arnout niet en hadde bescreuen
Dat hi die vite dede soeken
Ende hise vten walschen boeken
Jn dietsche heuet begonnen

Reynaerts historie, verzen B 1-9
Brusselse handschrift)
WIllam die madock maecte
Dair hi dicke om waecte
Hem iamerde zeer haerde
Dat die geeste van reynaerde
Niet te recht en is gescreuen
Een deel is dair after gebleuen
Daer om dede hy die vite zoeken
Ende heeftse wtten walschen boeken
Jn duutsche aldus begonnen

p. 19

Inzet van de discussie werd de vraag welke rol aan deze Arnout toegedicht moest worden. Daarbij kwam aan de orde wat de verhouding van de Reynaert was tot zijn Franse bron, want Arnout kon worden gezien als de verbindingsschakel tussen de Roman de Renart en Van den vos Reynaerde. J.W. Muller verdedigde vanaf de ontdekking van het Dyckse handschrift het idee dat de Reynaert het werk was van twee dichters. Hoewel de discussie over het dubbele auteurschap van de Reynaert voor een groot deel door het moderne onderzoek is achterhaald, speelde op de achtergrond van deze discussie een aantal tot op de dag van vandaag fundamentele vragen mee over de manier waarop uitgevers van teksten met hun tekstgetuigen moeten omgaan. Dan gaat het om vragen zoals: Kan vastgesteld worden wat het beste handschrift of de beste lezing is of zijn alle overgeleverde tekstgetuigen gelijkwaardig? Kan het verloren origineel van een tekst gereconstrueerd worden? Moet de tekst diplomatisch of kritisch uitgegeven worden? Hoewel de discussie implicaties had voor de grondslagen van het vak, met name voor de vraag hoe teksten moesten worden uitgegeven,verwerd de discussie al snel tot ‘ein Musterfall unfruchtbaren philologischen Gezänkes’.5
De voornaamste reden waarom de discussie na de Tweede Wereldoorlog verstomde, was het overlijden van Muller in 1945. Een nieuwe generatie onderzoekers,waarvan G.-H. Arendt en W.Gs Hellinga de belangrijkste waren,wees resoluut het idee af dat de Reynaert het werk zou kunnen zijn van twee auteurs. Zij zagen de tekst als het werk van één geniaal dichter. Bovendien verschoven de vragen binnen het onderzoek van productiegericht naar werkimmanent:niet meer de auteur stond centraal maar de tekst zelf.6 Toch bleef de discussie over Arnout uit de voorgaande decennia op de achtergrond sluimeren om weer op te duiken in het werk van de gezaghebbende reynaerdist André Bouwman, die hem wil zien als de spil van een intertekstueel netwerk.
Volgens Bouwman zou de in de proloog genoemde Arnout door de dichter Willem en het publiek beschouwd zijn als de auteur van meerdere verhalen uit de Roman de Renart. Verschillende branches kenden zij uit een Oudfranse codex en die zouden ze toeschrijven aan Arnout.7 Deze visie van Bouwman komt niet uit de lucht vallen. Ze staat in een lange traditie van onderzoek naar de proloog en kan daar dus ook niet los van gezien worden. De opvattingen van Bouwman stuitten echter op verbazing van Herman Heyse, één van de oprichters
van Tiecelijn. Ze kwamen op hem ‘iets te perfectionistisch, te technisch, te bibliotheekachtig, te modern intertextueel over.’8 Ook die mening staat in een lange traditie.

p.20

Over wie Arnout was, verschillen onderzoekers van mening. Binnen het
Reynaertonderzoek lijkt dit een thema van ondergeschikt belang, maar niets is minder waar. De visie op wie Arnout was, zegt veel over hoe men zich de genese van de Reynaert voorstelt. Vooraanstaande onderzoekers hebben zich een idee gevormd over zijn invloed op Willem en de Reynaert. In dit artikel wil ik onderzoeken welke betekenis wetenschappers toekennen aan de raadselachtigeArnout, van wie niet meer bekend is dan zijn naam. Het beeld dat wetenschappers zich gevormd hebben van deze dichter is dus een constructie die vooral veel onthult over de culturele achtergrond van de onderzoekers. Ik zal daarom een voorzichtige poging wagen het werk van mijn voorgangers te deconstrueren door de achterliggende normen en waarden bloot te leggen. Dat leidt als vanzelf tot een methodologische reflectie op de stand van het Reynaertonderzoek.
Mede door toedoen van de wetenschap is de Reynaert een ijkpunt geworden voor de culturele identiteit van Nederland en Vlaanderen. Van Daele heeft eerdergewezen op de ‘identificatiestrategieën’ die een rol spelen in het onderzoek.Hij merkte op dat heemkundigen de Reynaert claimen als ‘van bij ons’ vanwege de lokaal gekleurde plaatsnamen.9 Maar ook afstandelijke academische onderzoekershebben Willem en Arnout hun eigen wereld binnengetrokken.

1. De titanenstrijd tussen Muller en Buitenrust Hettema

F. Buitenrust Hettema en J. W. Muller zijn door hun commentaren op de Reynaert de grondleggers van het moderne Reynaertonderzoek. Tot op de dag van vandaag zijn alle onderzoekers van de tekst aan hen schatplichtig. De mislukte samenwerking tussen Buitenrust Hettema en Muller aan een Reynaerteditie is een cause célèbre uit de geschiedenis van de neerlandistiek. Hun ruzie klinkt nog steeds na door de principiële stellingname van beide onderzoekers.Zij staan model voor twee geheel verschillende wijzen van uitgeven: de diplomatische en de kritische.
Het Reynaertonderzoek werd in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk gestimuleerd door veranderingen in het onderwijs. Nadat Nederlandse taal- en letterkunde een academische studie geworden was, werd van iedere docent Nederlands aan het gymnasium het universitaire kandidaatsexamen geëist. Deze docenten brachten hun wetenschappelijke bagage mee naar het onderwijs. Zij vonden het noodzakelijk klassieke teksten te bespreken.10 Aan

p. 21

deze behoefte voldeed Buitenrust Hettema als instigator van de reeks Zwolsche Herdrukken, historisch letterkundige schooluitgaven ten behoeve van het voortgezet onderwijs. In 1890 verscheen de eerste uitgave van zijn hand, het Spaens Heydinnetje van Jacob Cats en in 1896 verzorgde hij een uitgave van de liederen van Brederode. Het lag dan ook voor de hand dat in deze reeks een uitgave van de Reynaert zou gaan verschijnen.11 Dat Mullers pad hier dat van Buitenrust Hettema kruiste was niet verwonderlijk. In zijn dissertatie had Muller minutieus de varianten tussen Van den vos Reynaerde en Reynaerts historie vergeleken vanuit een taalkundig perspectief.12 Zijn kennis en expertise waren onomstreden. Het leek Muller dan ook een goed idee om de samenwerking aan te gaan met Buitenrust Hettema.

buit003_p01

Buitenrust Hettema
Een eerste resultaat was een uitgave van Van den vos Reynaerde in 1903, in de reeks Zwolsche herdrukken. Toen al waren de verschillen van inzicht duidelijk.Het boek opent met de volgende verklaring van de uitgevers:

Hiertoe hebben wij ons, nu de omstandigheden ertoe leidden, vereenigd,ofschoon verschil van opvatting, als gevolg van verschillend standpunt en karakter, ook bij onderdeelen dezer gemeenschappelijkaanvaarde taak meer dan eens bleek en zal blijken.13

Buitenrust Hettema en Muller waren van plan om nog een band met een
wetenschappelijke inleiding en aantekeningen bij de tekst te doen verschijnen.De samenwerking kwam echter onder grote spanning te staan na de ontdekking van het Dyckse handschrift. Twistpunt was of het pas ontdekte Dyckse handschrift nog verwerkt kon worden. Op de achtergrond speelde de vraag of het te verkiezen was om een gereconstrueerde tekst uit te geven of een synoptische editie, waarbij Comburg en Dyck naast elkaar geplaatst zouden worden. Buitenrust Hettema’s houding was van dien aard dat het ‘de deur toedeed’ voor Muller. Hoewel hij schrijft dat ze in vrede en vriendschap uit elkaar gegaan zijn, horen wij nog steeds de knallende deuren.14 Mullers irritatie over Buitenrust Hettema’s houding is alleszins begrijpelijk. Buitenrust Hettema bleef zich verzetten tegen het idee dat de Reynaert het werk van twee auteurs zou zijn. In Comburg wordt de naam Willem tweemaal vermeld, ook in vers 6 waar in Dyck ‘Arnout’ staat. De conjectuur dat hier een andere naam moest staan was al in 1897 voorgesteld door Leonard Willems,15 maar werd toen onthaald op een ‘schaterlach onder alle beroepsphilologen’.16 Toen die tweede auteur inderdaad gevonden werd in het Dyckse handschrift17 verdedigde

p. 22

Buitenrust Hettema hardnekkig het idee dat Arnout wel een corrupt insluipsel moest zijn. Hij bleef geloven dat hier moest staan dat Willem de mondelinge circulerende avonturen niet allemaal had opgeschreven.18 Daarmee ignoreerde hij aldus Muller een filologisch feit en hun wegen scheidden zich.
Het geplande deel met inleiding en aantekeningen bij de editie van 1903 werd door Buitenrust Hettema in 1910 alleen uitgegeven. Op de synoptische editie van het Dyckse en Comburgse handschrift moest gewacht worden tot 1921, een jaar voor zijn dood.19 Het is goed mogelijk dat Buitenrust Hettema een synoptische uitgave niet echt een prioriteit vond. In het deel dat verscheen in 1910 liet hij zich namelijk nogal laatdunkend uit over het belang van het Dyckse handschrift. Het was niet meer dan een Hollandse omwerking, terwijl de kopiist van het Comburgse handschrift zijn grondtekst trouw gevolgd had. De Friese Flamingant – tijdens de Eerste Wereldoorlog bekleedde hij een leerstoel aan de vernederlandste Gentse universiteit – beviel het idee niet dat een Hollandse kopie dichter bij het origineel zou kunnen staan dan de in vloeiend Vlaams afgeschreven tekst in het Comburgse handschrift. ‘Tot dus nader ’t tegendeel bewezen –niet beweerd – wordt, vinden we in het R-hs a ’t werk van Willem.’20 Daar moest Muller het mee doen. Dat kwam Buitenrust Hettema op kritiek te staan van Mullers leermeester Joh. Franck. Die drong aan op een kritische uitgave en noemde het commentaardeel uit 1910 van Buitenrust Hettema een ‘unverständliches Versuch’.21
Muller deed in 1914 een kritische editie het licht zien.22 Zijn kennis van het Middelnederlands zou het mogelijk maken de tekst te zuiveren van corrupties en zo een kritische editie te maken. Om de oudste, oorspronkelijke gedaante van de tekst te reconstrueren, onderwierp hij de overgeleverde teksten aan een grammaticale en lexicologische tekstkritiek. Muller ging uit van de niet onjuiste gedachte dat kennis van de ontwikkeling van het Nederlands hem in staat stelde na te gaan welke variant het dichtst bij het origineel stond. Hij vergeleek alle bekende Middelnederlandse handschriften, betrok in zijn analyse de Latijnse vertaling van de Reynaert, maar liet daarbij opvallend genoeg het origineel, de Roman de Renart, buiten beschouwing. Deze ‘Duitsche’ methode,de naam Lachmann valt niet, zo schreef hij als verdediging tegen critici, week af van de ‘Hollandsche’ traditie. Er was bij ‘vrije nuchtere Hollanders’ een afkeer van ‘Duitsche (“mofsche”) stelselzucht.’ Dat is typerend voor de leidende rol die de Duitse wetenschap had ondanks de weerstand in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw.23 Muller is steeds blijven sleutelen, een
p.23

ander woord is er niet voor, aan zijn kritische editie. In zijn editie uit 1944 onderscheidde hij zelfs vier verschillende schrijvers die verantwoordelijk zouden zijn voor de uiteindelijke tekst van de Reynaert. Arnout, zo dacht hij, had aan het einde van de twaalfde eeuw het eerste deel (vers A 41-1900) geschreven en Willem het tweede deel. Een derde hand zou dit gedicht omgewerkt hebben,wellicht voegde hij de proloog (vers A 1-10) en de pudenfabel (A 2298-2325)toe en daarna zou nog vóór 1272 een vierde hand het einde vervangen hebben door een nieuw slot.24 Zijn methode leidde ertoe dat hij steeds meer verschillen zag, die hij ook benoemde. Wanneer het geloof in de eenheid van de tekst opgegeven wordt dan worden ook de interpretatiemogelijkheden substantieel verruimd. Dat maakte het voor hem mogelijk de Reynaert als typisch Nederlands te zien (zie par. 4).
Het eindresultaat van Mullers werk was een kritische editie met een in plechtig, gedragen proza geschreven inleiding. De kritische editie van Muller is de basis geworden voor de tot in de jaren tachtig veel gebruikte editie van Van Dis. De editie Van Dis mag dan in veel opzichten verouderd zijn, maar niet wat het nauwkeurige taalkundig commentaar betreft, dat voor een belangrijk deel teruggaat op het werk van Muller.25

2. De estheet Van Mierlo tegen de rest van de wereld

De strijdbare pater Jozef van Mierlo S.J. werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een wetenschapper met een ‘niets ontziende durf ’, die ‘met het dictaat van een gevestigde traditie’ nooit vrede nam.26 Zijn eerste artikel over de proloog van de Reynaert schreef hij in 1929, zijn laatste ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’ in 1942. Hoewel hij in die jaren van opvatting veranderde, is in al zijn artikelen de polemiek met de Noord-Nederlandse collega Muller aanwezig.27
In 1929 verdedigde Van Mierlo het idee dat Arnout wellicht de schrijver van een Vlaams Reynaertverhaal was, dat in het Frans vertaald was door Perrout. Willem zou alleen maar beweerd hebben het verhaal uit het Frans vertaald te hebben om de mode van de Franse ridderromans te parodiëren.28 De gedachte is minder vreemd dan zij op het eerste gezicht lijkt. Jacob Grimm had in de negentiende eeuw de Reynaertverhalen als oeroud Germaans bestempeld29 en Jan Frans Willems zocht de oorsprong in Vlaanderen.30 Een echo van die opvattingen is in het hedendaagse onderzoek nog te vinden in de opvatting dat de
p. 24

de bron voor de Franse verhalen uit de Roman de Renart te vinden is in Vlaanderen.31 Dit is ook de achterliggende opvatting bij de kritiek van Heyse op Bouwman,waarmee we dit artikel begonnen. De invloed van Van Mierlo werkt nog lang door.

van Mierlo
De gedachte dat de Reynaert ouder was dan de Roman de Renart lokte al binnen twee jaar een reactie uit van M. Delbouille. Door gebruik te maken van de methode Lachmann, het zoeken naar gemeenschappelijke fouten in de Franse en Nederlandse teksten, probeerde hij te tonen dat Willems tekst juist terugging op een Frans origineel. Delbouille suggereerde, dat het de in de proloog genoemde dichter Arnout was die deze branches in het Diets vertaalde.32 Een opvatting die een vernietigende reactie uitlokte van Van Mierlo.33 In de daarop volgende decennia werden daardoor de opvattingen van Delbouille buiten de discussie geplaatst. Niemand wilde zich beroepen op de onderzoeksresultaten van Delbouille. Pas decennia later sloot Bouwman in zijn dissertatie wel weer aan bij Delbouilles pioniersarbeid.34
Zoals gezegd, Van Mierlo schroomde niet om zijn eigen opvatting radicaal te veranderen, ook wat zijn ideeën over Arnout betreft. Muller gebruikte er vilein het woord ‘palinodie’ voor.35 In 1932 was Arnout geen Vlaams schrijver meer, maar beschouwde Van Mierlo de naam Arnout als niets anders dan een corrupte overlevering van de naam van Perrout, de dichter van branche I van de Roman de Renart. Om zijn lezing kloppend te maken, moest hij nog wel een kunstgreep uithalen. Voor ‘Die Arnout niet hevet vulscreven’ las hij ‘Die Perrout hevet vulscreven’.36 De ingreep om de ontkenning ‘niet’ te schrappen, maakte de opvatting van Van Mierlo niet overtuigender. Tegen zijn critici verweerde hij zich met het al genoemde artikel dat hij vol zelfvertrouwen de titel meegaf: ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’.37 Over de titel is wel eens smalend gedaan.38 Zijn autoriteit zorgde er echter voor dat deze opvatting de weg heeft gevonden naar de schoolboekjes, zowel in Nederland als in Vlaanderen.
De Noord-Nederlandse editie van Zaalberg geeft de eerste tien verzen van de proloog volgens zowel het Comburgse als het Dyckse handschrift weer, gevolgd door de reconstructies van Van Mierlo en van Muller. Zo werden in de jaren zestig en zeventig Nederlandse scholieren ermee geconfronteerd dat de geleerden er ook niet altijd uitkwamen.39 In de Vlaamse editie van De Keyser wordt de voorkeur gegeven aan ‘de definitieve oplossing’ van Van Mierlo. Ook de Keyser kiest voor de opvatting dat Willem de enige dichter van het verhaal is. Persoonlijk gelooft De Keyser ook dat het meest waarschijnlijk is dat in vers 6 verwezen
p. 25

werd naar de Franse dichter Perrout, maar hij voegt eraan toe dat deze stelling niet bewezen is. Uit deze editie leerden Vlaamse scholieren bovenal in navolging van Van Mierlo dat de Reynaert een superieure bewerking van de Franse Roman de Renart is, die in alle opzichten door en door Vlaams is. De vergelijking met die andere literaire held, Tijl Uilenspiegel, was ook in deze editie aanwezig.40
Voor Van Mierlo geven de literaire kwaliteiten de doorslag om de Reynaert als het werk van één auteur te lezen, omdat de Vlaamse versie superieur is aan de Franse tekst. In wezen gaat het verschil van inzicht tussen Muller en Van Mierlo terug op de vraag welke rol de Oudfranse tekst bij de bestudering van de Reynaert speelt. Muller vergeleek verzen in twee handschriften,het Comburgse met het Dyckse handschrift. Van Mierlo vergeleek twee complete teksten, de Franse Renart met de Vlaamse Reinaert.41 Vanuit zijn positie
in Vlaanderen was het alleszins begrijpelijk dat de verhouding met de Franse Roman de Renart hoog op zijn agenda stond. Met nog meer recht kan echter gezegd worden dat de verhouding van de Reynaert tot de Roman de Renart een thema was waar Muller onvoldoende aandacht aan besteedde.42

3. De Reynaertstudie in de ban van de proloog

Van Mierlo en Muller waren niet de enigen die betrokken waren bij de discussie over de interpretatie van de proloog. Ik wil hier ook nog L. Willems en L. Peeters vermelden. Met grote schroom uitte Willems in 1938 zijn kritiek op de interpretatie van zijn vriend Van Mierlo dat in Arnout een Franse dichter gezien moet worden. Willems merkte scherpzinnig op dat de interpretatie van de proloog wisselt naargelang een onderzoeker een ander handschrift als leidend neemt. De interpretatie van Muller neemt voor de proloog het Dyckse handschrift als uitgangspunt, Van Mierlo gaat net als Buitenrust Hettema uit van het Comburgse handschrift, Willems zelf koos ervoor uit te gaan van de proloog van Reynaerts historie. Willems betoogde dat Arnout de schrijver van een proto-Reynaert was. Met een proto-Reynaert bedoelde Willems dat Arnout al een reeks Reynaertavonturen zou hebben geschreven. Willem heeft daaraan zijn vertaling van Le plaid toegevoegd.43 Met de interpretatie van Willems heeft Van Mierlo, natuurlijk, komaf gemaakt. Hij verweet Willems dat hij net als Muller willekeurig elementen uit verschillende prologen combineerde,zodat elke interpretatie mogelijk was.44 En dat terwijl hij zelf naar believen een woord uit de proloog schrapte!

p.25

Misschien was de meest interessante reactie op Van Mierlo’s opvattingen afkomstig van K. Heeroma. Heeroma wilde niets weten van het voorstel van Van Mierlo om de naam van de Franse dichter in de proloog te lezen: ‘De grotere dichterlijke kracht van de F-tekst hangt ook samen met de omstandigheid dat daarin ene Arnout als een voorganger van Willem wordt genoemd.’ De naam Arnout heeft volgens hem zin, want daaruit concludeerde het publiek dat Willem zijn voorganger gaat overtreffen. Heeroma’s argument is interessant, want hij wijst erop dat de naam Arnout ook deel uitmaakt van de retoriek van de proloog. Heeroma heeft weinig op met ‘filologische boekhouders’. De aandacht voor filologische problemen wil wel eens het zicht op de retoriek ontnemen,is zijn mening.45 Voor Heeroma is van weinig belang wat nu het aandeel van Arnout in de Reynaert is. Hij wil wel aannemen dat het eerste deel van de Reynaert door Arnout vertaald zou zijn uit de Roman de Renart, maar voor een ‘gedichtlezer’ als Heeroma is het aandeel van Arnout niet herkenbaar in de tekst.46 Voor Heeroma was De Reynaert hoogstpersoonlijke poëzie, waarin hij zich kon herkennen. De observatie van Heeroma dat Willem zich in een literaire verhouding met zijn voorganger Arnout plaatst, is ontegenzeggelijk juist,maar Heeroma overspeelt zijn hand als hij erin leest dat Willem bedoelde dat hij zijn voorbeeld wilde overtreffen.
Peeters noemde Heeroma’s tekstinterpretatie van de proloog een ‘staaltje van geraffineerd, subliem en subtiel defense of poetry’, dat echter niet ‘het stempel der wetenschappelijkheid draagt’.47 Peeters benaderde de proloog op een heel andere wijze. Dat deed hij in het opmerkenswaardig artikel ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’. Uitgangspunt voor Peeters is een door De Vreese voorgestane ‘tot het uiterste gedreven eerbied’ voor de handschriften. Hij kwam dan ook tot de conclusie dat alle prologen van de Middelnederlandse Reynaert integraal gehandhaafd dienden te worden. Elk van de prologen drukt iets individueels uit van de schrijver-kopiist-bewerker. De kopiisten van de Reynaert
bekeken de proloog met eigen ogen en gaven dan ook allemaal hun eigen interpretatie van de ontstaansgeschiedenis van het verhaal. Het was niet ongebruikelijk dat de schrijver of kopiist van een tekst rekening hield met zijn publiek en de tekst daarom aanpaste. Peeters vindt tekstreconstructie van de proloog dan ook tot mislukken gedoemd, maar deze conclusie trekt hij niet door naar heel de Reynaert.48 Het is een vruchtbare gedachte om de verschillen tussen het Comburgse en het Dyckse handschrift niet te beschouwen als kopiistenfouten,maar net als de tekst in Reynaerts historie als het resultaat van een bewerking.
De teksten in het Comburgse en Dyckse handschrift zijn net als Reynaerts historie

p. 27

geen verschillende redacties, maar verschillende versies van het verhaal.49 Peeters bepleit dus een synchrone tekstinterpretatie waarbij diachrone tekstveranderingen buiten beschouwing gelaten worden.50 Zonder echter een beeld te hebben van wat er in het origineel stond, kunnen de varianten niet worden verklaard. Het artikel van Peeters mag beschouwd worden als het eindpunt in de discussie over de proloog die in de eerste helft van de twintigste eeuw de Reynaertonderzoekers in de ban hield. Ten onrechte is het artikel verdwenen uit het onderzoek. Lulofs was de laatste die het opnam in de literatuurlijst van zijn editie uit 1983.51
Toen Peeters zijn artikel schreef was al lang duidelijk dat de discussie tussen Muller en Van Mierlo over de reconstructie van de proloog nergens toe leidde. De verdienste van Van Mierlo is in de eerste plaats dat hij de moed had gevestigde opvattingen en vooral die van Muller ter discussie te stellen. De dwarsigheid van de Vlaming ontregelde het debat. Hij dwong andere wetenschappers hun opvattingen te beargumenteren, als ze dat nog durfden.
Het ‘philologische Gezänk’ tussen Muller en Van Mierlo is nu grotendeels achterhaald door het onderzoek van met name Bouwman. Het belang van de discussie ligt nu vooral in de aanscherping van de methodologische criteria binnen het vak. Wie in de eenentwintigste eeuw beweert dat de Reynaert het werk is van twee auteurs plaatst zich buiten de wetenschappelijke discussie over de Reynaert.52 De kleine bibliotheek die gevuld kan worden met verspreide bijdragen over de proloog van de Reynaert heeft vooral een culturele betekenis gekregen.

4. Bij Reynaert thuis in Leiden

De opvatting dat Van den vos Reynaerde een Vlaamse tekst is, is onomstreden.Buitenrust Hettema, Muller en Van Mierlo verbinden echter verschillende consequenties aan het Vlaamse karakter van de tekst. Op de ideeën van de Leidse hoogleraar Muller wil ik dieper ingaan, want het illustreert hoezeer de beoefening van de filologie het zich toe-eigenen van klassieke teksten betekent en daardoor verbonden is met natievorming. Niet zelden betekent dat ook het afwijzen van andere claims, zoals Muller deed met de opvattingen van
Buitenrust Hettema en Van Mierlo.

p. 28

Volgens Buitenrust Hettema komt de humor van de Reynaert ‘uit ’t al-dietse volk van ‘de lage landen bi der see’. Die humor vindt men terug bij Nederlandse schrijvers (Vlaamse ontbreken) als bijvoorbeeld Haverschmidt, Beets en Multatuli. Deze humor heeft de Reynaert gemeen met ‘Oudgermanië’, in de oude Noorse literatuur is ze ook terug te vinden. Buitenrust Hettema plaatste dus de Reynaert binnen een Germaans cultuurgebied en volgde daarmee indirect
de lijn van Jacob Grimm.53 De Reynaert is volgens Buitenrust Hettema ontsproten aan de Germaanse stam en heeft wortels in een ver verleden.
Muller heeft in heel zijn wetenschappelijke carrière een andere opvatting dan Buitenrust Hettema gehad. Muller geloofde beslist niet in het idee dat de ouderdom van de Reynaert terugging tot oeroude tijden. Grimms idee van een ‘overoude, Germaansche, naïeve volkssage’ bestempelde hij als een ‘romantisch droombeeld’.54 Mullers filologische arbeid was ingebed in een typische vorm van Noord-Nederlands zelfbewustzijn. Zijn ideeën ontwikkelden zich gedurende een halve eeuw van nationaal gericht naar meer Europees, mede onder invloed van de ontdekking van de naam Arnout in het Dyckse handschrift. Tot in het eerste decennium van de twintigste eeuw beschouwde hij taal nog als het bindend element van de natie.

mull010_p01

J.W. Muller.
Zoals veel Nederlanders was Muller gericht op Duitsland. Hij voelde zichermee verbonden doordat zijn grootvader uit Duitsland afkomstig was. Bovendienhad hij er een belangrijk deel van zijn wetenschappelijke vorming ontvangen.55 Muller voelde zich als Groot-Nederlander ook verbonden met hetlot van Vlaanderen. Hij keurde de verfransing af en verafschuwde de Duitse oorlogsagressie in de Eerste Wereldoorlog. Die tragedie heeft echter zijn visie op de Reynaert niet veranderd. Al voor de oorlog had hij contacten in Vlaanderenmet de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen te Gent. Zogaf het ‘buitenlandsche eerelid’ Muller op 19 februari 1908 een lezing voor de Academie over het pas ontdekte Dyckse handschrift.56 Die Vlaamse contactenzullen mede van invloed geweest zijn voor zijn visie op de Reynaert.
Muller heeft Leiden tot het centrum van de Reynaertstudie gemaakt. Hij promoveerde er op de Reynaert. Wel vervulde hij van 1902 tot 1915 een professoraat in Utrecht, maar daarna keerde hij terug naar Leiden om Verdam op te volgen.57 In zijn Leidse dissertatie uit 1884 schreef Muller dat de geest van de dichter van de Reynaert terug te vinden is in de werken van de stroming waar Bredero toe behoorde. Willem ziet hij als ‘een echt nationaal Nederlands kunstenaar’.58 Hij verandert in de loop der jaren zijn opvatting. In zijn edities uit 1914 en 1944 blijft hij weliswaar de geest van Willem herkennen in Brederode,

p. 29

maar het oordeel dat Willem ‘een echt nationaal Nederlands kunstenaar’ was, laat hij vallen. Bovendien voegt hij toe dat de geest van de Zuid-Nederlander Breugel ook in de Reynaert terug te vinden is. Die wijziging in opvatting valt deels te verklaren doordat de editie zowel in Gent als in Utrecht verscheen,maar deels ook doordat andere opvattingen over de volksaard de boventoon gingen voeren.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw kreeg in Nederland het idee dat de volksaard historisch gegroeid was de overhand.59 Muller suggereert heel sterk dat de Reynaert aan het begin van de vorming van het Nederlands karakter staat. In de Reynaert kwamen volgens Muller de Germaanse en Romaanse traditie samen. Het deel van Arnout kenmerkt zich door Franse zwier, maar hij is ‘geen Fransquillon’, en dat van Willem sluit bij de diepzinnige Germaanse traditie aan.60 Die visie past binnen het zelfbeeld van de burgerlijke elite in Nederland die zichzelf een plaats toebedeelde op de plek waar Europese cultuurstromen samenvloeien. De Leidse hoogleraar J. Huizinga (1872-1945) beschouwde de openheid van de Nederlandse samenleving naar het buitenland als ‘Nederland’s geestesmerk’. Van oudsher zouden de Nederlanders vertrouwd zijn met de Duitse, Engelse en Franse geest. De zeewind en de landwind laten
de Nederlanders vrij door de openstaande vensters van hun huis blazen. De Nederlandse cultuur werd steeds weer verrijkt door de buitenlandse invloeden.61 Voor Nederland zag Huizinga een middelaarsrol tussen West- en Midden-Europa weggelegd.62 Huizinga deelde dan wel niet de Groot-Nederlandse opvattingen van zijn collega Muller, maar algemeen was en is onder intellectuelen de opvatting dat het kenmerk van een handelsnatie als Nederland haar openheid naar de wereld is.
In 1934 sprak Muller zich expliciet uit tegen een nationalistische lezing van het verhaal. Hij oordeelde dat de opvattingen van sommige Zuid-Nederlandse vakgenoten – bedoeld is Van Mierlo – ‘misschien niet geheel buiten invloedvan zekere verklaarbare en verleidelijke, maar toch niet onbedenkelijke “Dietsche” (een enkele maal zelfs bijzonder Brabantsche of Vlaamsche), in “nationalisme” ontaardende vaderlandsliefde’ stonden.63 Die kritiek op Van Mierlo is later vaak herhaald,64 maar nooit eloquenter geformuleerd dan door Muller.
Hij noemde ‘het eene miskenning van ons voortreffelijke gedicht, wanneer men het dergelijke bedoelingen toeschrijft en het verlaagt tot een pamflet.’ Muller verzette er zich tegen dat de Reynaert geclaimd werd door om het even welke ideologische strekking of natie.65 Dat de Reynaert geen bepaalde politieke strekking heeft, was al in 1884 stelling XVII bij zijn dissertatie.66

p. 30

In 1944, in volle oorlogstijd, keerde Muller zich zelfs, zij het in een voetnoot,tegen het misbruik dat Robert van Genechten maakte van de Reynaert. Van Genechten had in 1941 een vervolg op de Reynaert geschreven, Van den Vos Reynaerde, ruwaard Boudewijn en Jodocus. In dit verhaal neemt de neushoorn Jodocus, die staat voor de joden, de macht over in het dierenrijk, waarna de democratie wordt ingevoerd en het komt tot rasvermenging waardoor de dieren hun ware aard verliezen. Uiteindelijk wordt de neushoorn verdreven door
Reynaert en herstelt hij de verdreven leeuw, de zoon van Nobel in zijn macht.Het antisemitische werkje kende het nodige succes tijdens de oorlog,67 maar Muller moest er weinig van weten. Voor Muller heeft dit werk ‘met den eigenlijken Reinaert’ niets te maken. Het is ‘een politiek, een anti- joodsch (spat. Muller), pamflet: Jodocus is hier de naam van een monsterachtig (krom-)neushoornig dier, dat overal kwaad sticht. Enz!’68
Muller zal waarschijnlijk ook persoonlijke redenen gehad hebben voor deze opmerking. Hij had gestudeerd in Bonn bij Joh. Franck, wiens carrière erg geleden had onder het toen ook virulente antisemitisme in Duitsland.69 De opmerking komt in een ander licht te staan als men weet dat Mullers zoon Frederik tijdens de oorlog ‘deutschfreundlich’ was. Frederik Muller, die hoogleraar klassieke talen in Leiden was, had als rector de Duitsers verwelkomd aan de Leidse universiteit, wat hem niet in dank afgenomen was door zijn collega’s. Uit het levensbericht van Muller senior is bekend dat hij de politieke keuze van zijn zoon verdedigde wanneer hij erop aangesproken werd, maar dat het hem tegelijk erg in verwarring bracht.70 Achter een voetnoot kan veel leed schuilen.
Net als zijn leermeester Franck stond Muller een afstandelijke, positivistische benadering van middeleeuwse teksten voor, die naadloos aansloot bij die van de liberale elite in Nederland. Voor Muller belichaamden de twee auteurs,Willem en Arnout, Nederlands geestesmerk.
Van Mierlo’s bijdrage aan de vorming van een Vlaamse literaire identiteit is misschien zijn meest blijvende erfenis: met zijn deel in de literatuurgeschiedenis ’Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden’ schiep hij een Vlaamse canon. De Reynaert neemt daar een ereplaats in. ‘Van den Vos Reinaerde is een echt, zuiver Vlaamsch kunstwerk’ voor Van Mierlo. Hij zag het verhaal over de vos als een uiting van breugeliaans realisme, ruwe scherts bestemd voor geschoolden.71 Daarmee zette hij zich wel af tegen een Vlaamse traditie om de Reynaert als volks te beschouwen: als de evenknie van Tijl Uilenspiegel.72 Deze in zijn werk aanwezige kiem om de Reynaert vanuit een theoretisch perspectief te analyseren, werkte hij niet uit in een grotere studie. Zijn werk is vooral een

p. 31

contrapunt bij het werk van Muller, die tussen de wereldoorlogen het onderzoek domineerde. Het is dan ook veelzeggend dat Van Mierlo een huldegave van Nederlandse vrienden en bewonderaars kreeg bestaande uit een bundeling van zijn Reynaertartikelen waar zijn kritiek op Muller in verwoord was.73 De bundel werd uitgegeven in de door Buitenrust Hettema gestarte reeks Zwolse Drukken en Herdrukken en een van de redactieleden was Hellinga, die juist zijn
Reynaerteditie het licht had doen zien.

5. De dubbelzinnigheden van Hellinga

In de Leidse Universiteitsbibliotheek zijn de commentaren en edities geschreven door Muller van de studiezaal Nederlandse Letterkunde onlangs verbannen naar het gesloten magazijn, waardoor de band met de onderzoekstraditie fysiek verbroken is. Een enkele maal kan de afstand met hem nog worden overbrugd wanneer per verrassing een boek uit het magazijn naar boven komt dat in het bezit geweest is van Muller.74 De eerlijkheid gebiedt echter ook te zeggen dat de werken van de generatie onderzoekers van voor de oorlog niet meer op de studeertafel van huidige Reynaertonderzoekers liggen. In plaats van de commentaren van Muller en de artikelen van Van Mierlo zijn de belangrijkste referentiepunten voor de Reynaertstudent van nu de edities van W.Gs Hellinga en F. Lulofs, de dissertaties van P. Wackers, A. Daele en de Davidsfondsuitgave van het Comburgse handschrift. Er is niet alleen de aflossing van de ene generatie onderzoekers door de andere, maar er is ook daadwerkelijk een breuk met het verleden ontstaan. Een nieuwe generatie had de belangstelling voor Willem en Arnout verloren en richtte zich op de tekst. Dat wil niet zeggen dat ze de opvattingen van een vroegere generatie niet verdisconteerden. De generatie onderzoekers na Muller en Van Mierlo moest zich echter wel lósmaken van hun werk. Hellinga en Arendt hebben dat op eenradicale manier gedaan.
Hellinga en Lulofs hebben de aandacht gericht op Willems taalspel en de vele al dan niet vermeende dubbelzinnigheden in de tekst. Ze hebben sterk de fantasie geprikkeld van de onderzoekers die na hen kwamen. In zijn literatuurgeschiedenis Stemmen op schrift wijdt Van Oostrom een hele paragraaf aan ‘taal en taboe’ in de Reynaert. De interpretatie van de dubbelzinnigheden behoort volgens hem tot de lastigste Reynaertkwesties en ‘varieert al naargelang persoonlijke appreciatie en waarschijnlijk ook wel dirty mind.’75 Die aandacht

p. 32

voor dubbelzinnigheden vloeit voort uit Hellinga’s theorie over taalgebruik van middeleeuwse dichters. Van Oostrom roept de vraag op of de proloog van de Reynaert wel als een dubbelzinnig meesterwerk geïnterpreteerd dient te worden.
Hellinga en zijn leerlingen, daaronder was ook Lulofs, beschouwden de commentaar als het middel om de tekst te interpreteren. Door deze benadering van de filologie is Hellinga wel beschouwd als de grondlegger van de Amsterdamse school.76 In 1952 verschenen de eerste twee Reynaertstudies van Hellinga. Als opvolger van de synoptische editie van Buitenrust Hettema verscheen de monumentale Reynaerteditie, waarin alle bronnen van vóór 1500 parallel naast elkaar waren afgedrukt.77 Als voorstudie voor een commentaar schreef Hellinga een kleine bijdrage over de namen in de Reynaert. Daarna publiceerde hij nog twee essays: één in het literaire tijdschrift Maatstaf78 en één in het wat moeilijker bereikbare Jaarboek van de Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’.79

hell014_p01

W.Gs Hellinga
In zijn werk benadrukt Hellinga dat het verleden radicaal anders is dan het heden.80 Het was de taak van de vakman om een brug te slaan tussen hedenen verleden.81 Vooral aan Hellinga hebben we te danken dat we de Reynaert niet meer zien als de belichaming van de Vlaamse volksaard, maar als een cynisch portret van mens en samenleving. In ‘Het laatste woord’ interpreteert hij het slot als het huiveringwekkende einde van het rijk van koning Nobel. De pays aan het slot is in werkelijkheid de machtsovername door het Boze.82 Deze these is bepalend geworden voor de interpretatie van de Reynaert door Lulofs,Bouwman en Van Daele, waar het zelfs de vorm heeft aangenomen van eenapocalyptisch einde. In het recente onderzoek is deze visie onder vuur komen te liggen. Er lijkt mij geen enkele reden om het slotvers van de Reynaert ‘Ende maecten pays van allen dinghen’ (A 3469) als de triomf van het kwaad te interpreteren,integendeel, door zijn ingrijpen voorkomt Firapeel dat de vos het rijk van koning Nobel ten onder brengt.83 Hellinga’s interpretatie van de Reynaert zegt meer over zijn wereldbeeld dan over het middeleeuwse.Hellinga trekt in ‘Het laatste woord’ de Reynaert in de belevingswereld van een modern publiek door als eerste het gedicht te vergelijken met Under Milk Wood van Dylan zijn voordrachten op de radio dachten zijn tijdgenoten dat hij de attitude had van een middeleeuwse bard.86 In die visie van Hellinga was Willem een verzetsstrijder tegen kerk en (Franstalige) overheid die illegaal op de Gentse markt een gedicht voordroeg.87 De woorden van Reynaert hebben volgens Hellinga een subversief, ontregelend karakter.

p. 33

Het cynisme van Hellinga en Dylan denken dan aan het nihilisme van W.F. Hermans, zoals dat bijvoorbeeld blijkt uit zijn oorlogsnovelle Het behouden huis. Van Oostrom refereert niet zonder reden aan Hermans in zijn bespreking van de Reynaert.88 Eigenlijk slaat
Hellinga’s nihilisme een brug tussen zijn oorlogsverleden en de middeleeuwse Reynaert. Als uitgever van een verzetskrant kende Hellinga de ontwrichtende kracht van woorden.
Als docent haalde professor ‘Springvloed’ het bloed onder de nagels van zijn studenten door een vilein spel met woorden te spelen.89 Inspiratie voor zijn colleges en zijn interpretatie van de Reynaert haalde Hellinga uit de structuralistische linguïstiek van De Saussure, die leerde dat er een verschil was tussen vorm (betekenaar) en betekenis.90 Hellinga’s premisse was dat een twaalfde-eeuwse dichter er altijd op uit is door middel van één vorm meer mededelingen te doen. Willem stond in de traditie van de troubadourspoëzie, die gekenmerkt kan worden als gecompliceerde ‘duistere poëzie’.91 In methodologisch opzicht,geloofde Hellinga, is het daarom nuttig ervan uit te gaan dat ‘we het nooit te vèr kunnen zoeken’. Lezing van Curtius’ Europäische literatur und lateinisches Mittelalter had hem geleerd dat in de periode dat de Reynaert geschreven zou zijn, grote geleerden genoten van een gecompliceerd en streng gereglementeerd vormenspel. Door een spel met namen konden de grofste, scabreuste grappen gemaakt worden. De middeleeuwse mens had immers een andere ‘geestesstructuur’ die minder inhibities kende dan de onze.92
In het eerste artikel dat Hellinga publiceerde, stelde hij, zonder enige verdere uitleg, dat de Reynaert beschouwd moet worden als het werk van één dichter. Plompverloren brengt hij als hypothese naar voren dat in plaats van Arnout de dichter van de Ysengrimus Nivardus gelezen moet worden.93 In het Jaarboek van de Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’ ontvouwt hij een heel andere theorie over het ontstaan van de Reynaert. In dit artikel gaat Hellinga ervanuit dat beroepsvertellers op Vlaamse markten Reynaertverhalen vertelden. Veel van die jongleurs zullen ook de Franse verhalen gekend hebben, maar waren niet in staat die te bewerken voor een Nederlandstalig publiek: dat was het werk van een dichter. De voorganger van Willem heeft die tekst wel uit het Frans omgewerkt, maar kennelijk niet volledig.
Die tekst moet veel succes gekend hebben. Hellinga veronderstelde dat jongleurs die de tekst voordroegen er wel een passend einde aan geflanst hebben.Uiteindelijk moet die Vlaamse tekst zelfs in Duitsland beland zijn. Hijleidt dat af uit de opvallende overeenkomsten tussen Van den vos Reynaerde

p. 34

en Reinhart Fuchs. In Reinhart Fuchs is in de slotverzen te lezen dat deze tekst een bewerking is van het verhaal van Heinrich der Glîchezâre. Om die reden speelt Hellinga met de gedachte dat oorspronkelijk in vers 6 gestaan heeft: ‘die Hendrik niet hevet vulscreven’.94 Hellinga ontleende deze gedachte aan het onderzoek van Muller, die erop wees dat de Vlaamse Reynaert opvallende overeenkomsten vertoonde met de Duitse Reinhart die niet terug te vinden waren in de Roman de Renart.95 Deze veelbelovende gedachtegang is nooit uitgewerkt. Integendeel, sinds Hellinga dit schreef is de Duitse connectie volledig uit beeld verdwenen.
In hetzelfde Jaarboek ventileert Hellinga ook de gedachte dat Arnout een spotnaam zou zijn, wat past binnen zijn visie dat de Reynaert een tekst vol dubbelzinnigheden en taboes is. De kopiist van Dyck zou het spelen met vormen in de proloog herkend hebben. Deze kopiist zou de naam van een eerdere dichter vervangen hebben door die van de patroon van de hoorndragers. Die verandering was functioneel want, zo meende Hellinga, de naam Arnout, bekend als patroon van de hoorndragers, zou suggereren dat iets seksueels niet verteld werd. In dit geval zou de voorganger van Willem de verkrachting van de wolvin in zijn verhaal verzwegen hebben.96 Het idee dat Arnout een insluipsel was, zal Hellinga wel van Buitenrust Hettema overgenomen hebben, de gedachte dat Arnout de patroon van de hoorndragers was, ontleende hij misschien aan Muller,hoewel de laatste er onmiddellijk aan toevoegde dat deze gedachte te ver gezocht was.97 Zijn redenering is een voorbeeld van hypothese op hypothese stapelen, geschraagd door zijn opvattingen over semiotiek. Voor Hellinga is in principe elk woord en elke naam meerduidig. Peeters en Van Daele vragen zich dan ook af of Hellinga niet doorschiet in zijn interpretaties. Zij gebruiken de termen ‘over-interpretation’ en zelfs ‘Hineininterpretierung’. Van Daele voegt daar echter aan toe dat meer onderzoek noodzakelijk is …98 In dezelfde geest heeft Hans Rijns zich uitgelaten. Hoewel hij onomstotelijk aangetoond heeft dat waar Hellinga dubbelzinnige betekenissen meende te ontwaren, er in de bronnen geen enkele aanwijzing voor dubbelzinnigheid terug te vinden is,schrijft hij toch: ‘Wellicht dat Hellinga na verder speurwerk ook voor wat de
door hem veronderstelde dubbelzinnigheden betreft alsnog gelijk krijgt.’99 Het prestige van Hellinga geeft ondanks alle kritiek tot op de dag van vandaag een vrijbrief om de Reynaert te lezen als een verborgen discours over seksuele en andere taboes.100
Al in de jaren zeventig vond Bosch, hoogleraar aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, de benadering van Hellinga, hoogleraar aan de Universiteit van

p. 35

Amsterdam, geen vooruitgang. Volgens Bosch was in Hellinga’s benadering‘een systematisch tekort (…) gelegen (door)dat het bepaald werd door een eng,linguaal bepaald perspectief.’ Bosch doelde daarmee op de door Hellinga omarmde benadering van De Saussure, die Hellinga wilde toepassen op de Reynaert bij het schrijven van een commentaar. De methode kwam hierboven al aan de orde bij de bespreking van Hellinga’s interpretatie van de naam Arnout.
Naar het oordeel van Bosch steeg deze benaderingswijze niet boven het niveau van details uit. Het voorbeeld van hoe het wel moest, was het proefschrift van Arendt, die wel de Reynaert als een geheel bestudeerde.101

6. Dichter en structuur in de visie van Arendt

Het valt te betwijfelen of Arendt en Hellinga elkaar gekend hebben. Ze lijken volledig langs elkaar te hebben gewerkt. Arendt promoveerde in Keulen, terwijl Hellinga op hetzelfde moment in Amsterdam een commentaardeel bij zijn editie voorbereidde. Voor zijn dissertatie Die satirische Struktur des mittelniederländischen
Tierepos “Van den vos Reynaerde” uit 1965 inspireerde Arendt
zich op de studie van Hans Robert Jauß uit 1959 over het middeleeuwse dierdicht102 en net als bij Jauß ging zijn aandacht dan ook uit naar de aard van satire in dierenverhalen. Daar is zijn onderzoek niet bekend mee geworden. In het Reynaertonderzoek is Arendts werk beroemd geworden door de aandacht voor de ruimtelijke structuur en de liststructuur. Het uitgangspunt voor zijn
studie was het dominante beeld van Muller. Na een uitvoerige bespreking van zijn opvattingen kwam hij uiteindelijk tot de conclusie dat de structuur van de Reynaert zo hecht is dat het wel het werk van één dichter moet zijn, alleen het slot zou later toegevoegd zijn. Na uitgebreid op de opvattingen van Muller te
zijn ingegaan, koos hij in de discussie over het auteurschap weloverwogen de zijde van Van Mierlo.
Net als Van Mierlo gelooft hij dat met Arnout de Franse dichter Perrot bedoeld wordt. Arendt begreep het omstreden vers 6 zo dat Perrot niet Le plaid,een branche uit de Roman de Renart, voltooid had, en Willem daarom begonnen was aan een ‘Umarbeitung’.103 Het is een gewrongen interpretatie, want het is onloochenbaar dat Le plaid een compleet verhaal is. Bouwman heeft deze visie van Arendt afdoende weersproken.104 Al is niet zo lang geleden in Tiecelijn
een vergelijkbare lezing voorgesteld door de romanist Paul Verhuyck.105 Arendt heeft, weliswaar aarzelend, een theoretisch gerichte benadering van de Reynaert in het onderzoek geïntroduceerd. Hij brak met de traditie om de

p. 36

Reynaert te lezen als een verhaal ontsproten aan ‘Vlaemsche bodem’. In zijn radicale nieuwe structuralistische benadering is de Reynaert voor alles literatuur.
De afkondiging van pays en vrede zijn, volgens Arendt, meer dan juridische termen. Het zijn magische woorden waarmee koning Nobel een utopische wereldorde afgekondigd heeft. De Reynaert is in zijn visie gestructureerd rond de confrontatie tussen de geordende wereld van het hof van koning Nobel en de vossenwereld van Reynaert. In de verschillende werelden heersen verschillende
wetten. De koningsvrede is voor Willem een metafoor voor de schijn die heerst in de menselijke samenleving.106 De ruimte is in de analyse van Arendt symbolisch geladen, de plaats van handeling is slechts nominaal Vlaanderen. Arendt zette zich daarmee af tegen een ‘nationalisering’, zoals Buitenrust Hettema dat noemt, van het landschap.107
Dat de benadering van Arendt zoveel weerklank gevonden heeft, moet vooral verklaard worden door de diepe behoefte in de jaren zestig om afstand te nemen van de vooroorlogse bewonderende manier om teksten te lezen binnen een nationaal kader. In de jaren zestig werd de auteur bovendien dood verklaard en daarmee ook ontheiligd.108 Voor de Reynaert betekende dit dat de vraag
wie Willem en Arnout waren naar de achtergrond verdween. Om begrijpelijke redenen was nationalisme na de Tweede Wereldoorlog in diskrediet geraakt.Arendts Reynaertvisie is dus mede ingegeven door het afstand nemen van het recente verleden door de Reynaert als een universeel verhaal te beschouwen,ontdaan van elke heroïek doordat het in Vlaanderen ‘beheimatet’ is.109 Arendt wilde de ridiculisering van het hondje Courtois juist niet als een uiting van
sympathie voor een ‘eine frühe “flämische Bewegung”’ zien.110
Hellinga heeft nooit gereageerd op Arendt, dat liet hij over aan zijn medewerker
Lulofs, die in 1967 zijn eerste artikel over de Reynaert gepubliceerd had.111 Lulofs liet weinig van Arendts werk heel en het was hem ook niet ontgaan dat Arendt het artikel ‘Het laatste woord is aan Firapeel’ van zijn chef niet kende.112 De ideeën van Hellinga, ook als ze nauwelijks uitgewerkt waren,moesten richting geven aan het Reynaertonderzoek, meende Lulofs. Zo vond Lulofs dat Arendt ook de hypothese van Hellinga dat met Arnout de schrijver
van de Ysengrimus bedoeld was bij het onderzoek had moeten betrekken, terwijl nota bene Hellinga alweer van mening veranderd was.113 Ondanks deze kritiek is de invloed van Arendt op de Reynaertstudie niet te onderschatten. Arendts ‘andere kijk gaf het Reynaertonderzoek een nieuwe adem’, schrijft zijn navolger Van Daele.114 Dat gold vanzelfsprekend alleen buiten de kringen van Hellinga en Lulofs.

p. 37

7. De vossenjager Lulofs

Het idee van Hellinga dat in de Reynaert met taboes wordt gespeeld, schiep de behoefte om de tekst in zijn cultuurhistorische context te plaatsen. Daarmee verschoof de context waarbinnen de Reynaert bestudeerd werd van de taalkunde naar de cultuurhistorie. Toen Hellinga de belangstelling voor de Reynaert verloor nam Lulofs zijn taak over om een commentaar te gaan schrijven. Lulofs boek Nu gaet Reynaerde al huten spele uit 1975 en zijn veelgeroemde commentaar bij de editie van de Reynaert spreken tot op de dag van vandaag aan door de prikkelende, cultuurhistorische beschouwingen.115
Anders dan veel onderzoekers vereenzelvigt Lulofs zich niet met de schrijver van de Reynaert. Een alwetend perspectief is hem vreemd. Lulofs vergelijkt zichzelf met een speurhond die schijnbaar doelloos rondloopt, terwijl hij het spoor van een vos probeert te volgen. Ironisch reageert hij op Bosch door op te merken dat zo’n beest maar weinig perspectief heeft zo laag bij de grond, maar door zijn fijne neus, zijn uithoudingsvermogen en zijn plezier in het zoeken,krijgt het beest uiteindelijk toch de vos in het vizier.116
In zijn boek Nu gaet Reynaerde al huten spele nam Lulofs de opvatting van Hellinga over. Ook Lulofs meende dat Arnout toegevoegd is door de kopiist van het Dyckse handschrift. Deze kopiist zou de parodistische functie van de proloog hebben onderkend.117 Lulofs ontworstelt zich echter aan de schaduw van zijn leermeester in zijn editie. Hij kon zich Willem niet voorstellen als een joculator die op markten zijn gedicht voordroeg en daarbij steeds op zijn hoede moest zijn voor de autoriteiten. De religieuze uitspraken van Willem hebben evenmin een ketterse strekking als de katholieke ezelsmis (het zottenfeest).Bovendien is het niveau van de tekst te hoog voor een voordracht op de
markt.118 Ook wat Arnout betreft gaat Lulofs minder ver dan Hellinga. Hier is niet meer te lezen dat de naam Arnout afkomstig zou zijn van de kopiist van het Dyckse handschrift. Voorzichtiger dan zijn leermeester stelt hij dat niet uitgesloten is, dat in de proloog niets letterlijk genomen mag worden, maar alles ironisch is bedoeld. Zo zou het noemen van twee auteurs een parodiëring kunnen zijn van het noemen van twee auteurs in ridderromans als de Roman van Walewein en met ‘vite’ zou bedoeld worden dat een heiligenleven geparodieerd ging worden, schrijft hij in het commentaar bij zijn editie.119

Lulofs

Frank Lulofs.
In de inleiding van zijn Reynaerteditie schrijft Lulofs echter dat het hem het meest waarschijnlijk lijkt dat Arnout de dichter van een ander Reynaertverhaalis.120 Volgens Van Oostrom was deze opvatting in de jaren tachtig vrijwel unaniem geaccepteerd, maar

p. 38

die mededeling moet berusten op informatie uit de wandelgangen. In de literatuur is ze niet terug te vinden. Rik van Daele schrijft dat de naam van Arnout met raadselen omgeven is en laat dat typografisch ook tot uiting komen in zijn commentaar in de Davidsfondseditie.121 Hij noemt verschillende mogelijkheden, waarvan de hypothese dat de naam Arnout dubbelzinnig begrepen moet worden er een is. Zo blijft deze mogelijkheid een rol spelen in het onderzoek. Naar mijn mening ten onrechte.
De verborgen mededeling dat een bedrogen echtgenoot Arnout een heiligenleven niet gecompleteerd zou hebben en dat dit verhaal nu, zoals gebruikelijk bij een klassieke ridderroman door een tweede schrijver is voltooid, komt op mij over als een volledig absurde mededeling die ook niet bedoeld kan zijn door de dichter. Als alle dubbelzinnigheden die Lulofs in zijn commentaar noemt122 serieus
worden genomen, is dit de ultieme consequentie van de leeswijze die Hellinga voorstond. Hellinga vond dat het nooit ver genoeg gezocht kon worden.Achter elke verborgen betekenis valt weer een ander, verborgen taboe te vermoeden.De opvatting dat Arnout de patroonheilige zou zijn van de bedrogen echtgenoten gaat waarschijnlijk terug op het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW). Het MNW verklaart ‘Sinte Aernouts broederscap’, als het gilde van de bedrogen echtgenoten, het hoorndragersgilde. Deze uitdrukking is echter alleen maar geattesteerd in Die rose. De uitdrukking zou verwant zijn aan het Franse ‘estre logé à l’hostel S. Hernoux’. Voor die kennis beroept het MNW zich op het Glossaire van Roquefort uit 1808!123 Verwijs geeft in zijn editie van Die rose overigens wel meer informatie over deze Franse uitdrukking,124 maar er is geen verder bewijs te vinden dat de naam Arnout in het Nederlandse taalgebied geassocieerd werd met overspel. In de dertiende eeuw kwam in Vlaanderen de naam Arnout frequent voor. Zo is in Brugge tijdens de dertiende eeuw de naam maar liefst 645 maal geattesteerd in Middelnederlandse ambtelijke teksten.125 Die Arnouts zullen zeker niet allemaal vanaf hun geboorte bekend hebben gestaan als hoorndragers. De mogelijkheid dat Arnout geïnterpreteerd moet worden als een scabreuze toespeling kan dus gevoeglijk geschrapt worden. Het probleem met de ironische interpretatie van de proloog is dat álles ironie en dubbelzinnigheid wordt, wat ten koste gaat van de eenheid van de tekst.
De werkwijze van Lulofs, het spoorzoeken, wordt niet geheel ten onrechte als voorbeeldig beschouwd. Lulofs staat bekend als de meester-filoloog die elk detail uitpluist, waarvan zijn twaalf pagina’s lange analyse van ‘cloesterbier’(vers 1955) het klassieke voorbeeld is.126 Het verwijt dat deze microscopische arbeid het zicht op de literaire tekst doet verliezen, beantwoordt hij door te

p. 39

zeggen dat in de wetenschap toch de opvatting gangbaar is dat kennis van details het inzicht in het geheel alleen ten goede kan komen.127 De methode van Lulofs is dat hij een zo’n groot mogelijk ‘feitenaanbod’ creëert door alle beschikbare teksten met elkaar te vergelijken.128 In colleges aan studenten zette Lulofs zich, net als zijn leermeester Hellinga129, dan ook af tegen het geklets over lijnen, verbanden, ontwikkelingen, genres en noem maar op. Maar aan tekstinterpretatie werd niet gedaan. Het was alsof een huis gebouwd werd zonder fundament, hield hij zijn studenten voor. Terugkijkend vergeleek een van die studenten de detaillistische filologie van Lulofs met filatelie. In het buitenland schreven ze boeken, hield deze briljante student Lulofs voor, maar Nederlanders doen dat niet. Dat is een natie van schriftgeleerden en dominees, tekstuitleggers en tekstverbeteraars.130 De editie met het commentaar kwam er uiteindelijk, niettegenstaande deze kritiek van zijn leerling Pleij.Ook in het commentaar houdt Lulofs vele interpretatiemogelijkheden open. Te veel naar mijn overtuiging. Wie speurt naar dubbelzinnigheden raakt snel het spoor bijster.

8. Gysselings vroege getuige van de taalstrijd

Niettegenstaande dat het hof van Nobel en het hol van Reynaert nergens expliciet gelokaliseerd worden in het verhaal, populariseerde Maurits Gysseling de opvatting dat de Reynaert zich zou afspelen tussen Gent en Hulst. Gysseling is een opmerkelijke verschijning in het Reynaertlandschap.131 Hij genoot een zeer hoog aanzien, onder meer door zijn dissertatie uit 1960 die handelt
over de noordwaartse verschuiving van de taalgrens sinds de vroege middeleeuwen, die dus verscheen kort voor de definitieve vastlegging van de taalgrens twee jaar later.132 Bijgevoegd was een dik toponymisch woordenboek, waarmee hij ook onder lokale historici in Vlaanderen een autoriteit werd. Gysseling is onsterfelijk geworden door alle voor 1300 in het Nederlands geschreven bescheiden
en handschriften, literair en ambtelijk, uit te geven in vijftien dikke delen, die in de wandeling het Corpus Gysseling wordt genoemd. In dit Corpus zijn ook het Rotterdamse fragment en het Darmstadtse fragment van de Reynaert uitgegeven. De belangstelling van Gysseling voor de Reynaert hangt samen met de arbeid aan het Corpus, waaraan hij begon in de jaren zestig.
Hoewel deze fragmenten afkomstig zijn uit het Limburgse en Gelderse dialectgebied,vertonen ze volgens Gysseling een substraat dat grote

p. 40

overeenkomsten vertoont met de taal zoals de Gentse klerken die omstreeks 1240 schreven.Vertrekkend vanuit deze observaties trekt Gysseling een heel bouwwerk op. In een eerste artikel uit 1967 dateert hij de Reynaert in de dertiende eeuw. Hij volgt de mening van Van Mierlo dat met Arnout de dichter van de Roman de
Renart bedoeld zou kunnen zijn: Perrot. Gysseling denkt dat het de bedoeling van de dichter was om ook in de proloog zijn Franse model te parodiëren.133 In volgende artikelen verlaat hij deze ideeën.
Op het Reynaertcongres dat in 1972 in Leuven werd gehouden hield Gysseling een lezing waarin hij het verhaal met de middeleeuwse topografie van Vlaanderen en de historische gebeurtenissen verbindt. Aanvankelijk situeert hij het verhaal in de dertiende eeuw, maar later komt hij tot de slotsom dat het verhaal zich moet afspelen in een periode dat Vlaanderen nog niet geheel verfranst was, dus ten tijde van Filips van den Elzas die regeerde van 1168
tot 1191. De voertaal op de hofdag zou toen nog het Nederlands zijn, hoewel de taal van de vorst het Frans was. Met het hondje Cortois, denkt Gysseling,maakt de dichter de franskiljons belachelijk. Het hondje staat volgens hem voor ‘de zoollikker, die waant hoofs te zijn’ door Frans te spreken. Gysseling leest de Reynaert als een sleutelroman. Het hof van koning Nobel zou in het
Gentse Gravensteen gelegen zijn. Op basis van de beschrijving van het landschap in de Reynaert meent Gysseling de route die Bruun volgt van Gent naar Maupertuus te kunnen reconstrueren. Reynaerts burcht Maupertuus zou bij Sint-Jansteen gelegen moeten zijn. Het dorp waar Bruun mishandeld wordt,zou in werkelijkheid Hulst geweest zijn. De Reynaert ziet Gysseling als een satire op de hoogste kringen, geschreven door een stadsklerk van Gent, die misschien zelf wel zijn leven op het spel zette. Deze stadsklerk zou de veel
voorkomende namen Willem en Arnout gebruiken om zijn identiteit te camoufleren.134
Gysselings opvattingen zijn duidelijk ingebed in zijn denkbeelden over de taalstrijd. In het onderzoek zijn ze lang als een serieuze wetenschappelijke hypothese beschouwd.135 Gysseling genoot in de wetenschap zoveel prestige dat hij niet snel tegengesproken werd, of misschien geldt hier dat hij zich niet liet weerspreken. Van Daele herinnerde zich hem als een man die er andere ideeën over de Reynaert op nahield. Als taalkundige zette hij zich af tegenover van zijn visie afwijkende opvattingen, zoals die van Arendt, die hij op zijn eigen terrein met grote eruditie kon weerleggen.136 Van Daele en Bouwman hebben echter met zijn opvattingen komaf gemaakt.137 Zij kozen voor een literaire benadering
van de Reynaert.

p. 41

9. De verleiding van intertekstualiteit bij Bouwman

In 1991 promoveerde A. Reinaert en Renart, waarin hij Van den vos Reynaerde met zijn Franse voorbeeld de Roman de Renart vergeleek. Zijn gedetailleerde werkwijze kan alleen vergeleken worden met die van Muller. In zijn uiterst nauwgezette analyse van afzonderlijke passages betrekt hij de opvattingen van alle voorgangers. Wie
Bouwman leest, krijgt licht de indruk dat er niets meer valt te onderzoeken.
Zijn dissertatie is de wetenschappelijke standaard voor het Reynaertonderzoek,waaraan nieuwe inzichten gerelateerd moeten worden. Bouwman leest de Reynaert als een literair werk dat functioneert in samenhang met andere literaire werken. Voor hem krijgt de Reynaert betekenis door intertekstualiteit.Zijn ideeën over intertekstualiteit werkte Bouwman verder uit in het artikel ‘Taaldaden’ dat gepubliceerd is in de bundel Op avontuur. Het artikel is vaak aanbevolen als richtinggevend.138 De opvattingen van Bouwman over intertekstualiteit
in de Reynaert hebben weliswaar ruime verspreiding gekregen,
tegelijkertijd zijn ze ook omstreden. In de inleiding zagen we al dat Herman Heyse er sceptisch tegenover stond. Ik beperk me hier tot de rol die Bouwman aan Arnout toebedeelt in een intertekstueel netwerk.
Arnout speelt een belangrijke rol in de opvatting van Bouwman over intertekstualiteit. In zijn dissertatie laat Bouwman de vraag of de Reynaert door een of twee dichters geschreven is niet onbesproken. In beide delen van het gedicht zijn dezelfde bronnen gebruikt en voor beide delen is dezelfde bewerkingstechniek te constateren. Zijn analyses worden nog eens bevestigd door een computeranalyse
van Willem Kuiper, waarvan Bouwman verslag doet in zijn dissertatie. Kuiper kon geen significante verschillen in taalgebruik tussen beide delen vinden. Bouwman heeft dit Reynaertprobleem definitief opgelost en er een ‘Schlußstrich’ onder
gezet.139 Dat wil overigens niet zeggen dat de interpretatie van de proloog nu onproblematisch is. Bouwman vergeleek niet zonder reden de proloog met een wiskundige vergelijking waarvoor geen ‘definitieve oplossing’ mogelijk is.140
Bouwman is een ijverige student geweest van het werk van Van Mierlo, getuige de (potlood)aantekeningen in het Leidse exemplaar van het boek waarin de verzamelde artikelen van Van Mierlo over de proloog staan.141 Daaruit blijkt dat hij de discussie over de proloog geanalyseerd heeft vanuit de relatie tussen de Franse Renart en de Vlaamse Reinaert. ‘Toch’, zo schrijft hij (mijn cursivering),‘blijft het verleidelijk om in de mysterieuze persoon (i.e. Arnout) een Franse Renart-dichter te zien.’ Hij vermoedt dat Van Mierlo en Arendt ten

p. 42

onrechte denken aan één Renartverhaal terwijl met ‘die avonture’ van Reynaert mogelijk tenminste één Frans verzamelhandschrift bedoeld zou kunnen zijn.
In zijn dissertatie stelt Bouwman het heel voorzichtig, maar in ‘Taaldaden’gaat hij een stap verder door te stellen dat het geïntendeerde publiek ook de Renartverhalen uit een Frans verzamelhandschrift zou kennen. Hij maakt daarbij gebruik van de definitie van intertekstualiteit zoals die voorgesteld
was door B. Besamusca. Het publiek zou beseft hebben dat het verhaal anders werd verteld dan in de Franse Roman de Renart.142 Er zou zich dus een ‘textual community’ gevormd hebben om de verhalen uit één of meer verzamelhandschriften van de Roman de Renart geregeld voor te dragen.143 Bouwman lijkt zich een Reynaertgenootschap avant la lettre voor te stellen. Dat is een
vergaande visie op intertekstualiteit. Bouwmans opvattingen over wie Arnout was, kunnen niet los gezien worden van zijn positieve waardering voor het verschijnsel intertekstualiteit, die misschien iets te maken heeft met de fascinatie van intellectuelen voor de Republiek der Letteren, een begrip verbonden met Leids onderzoek naar ‘men of letters’ en een Europees cultuurideaal.144
Ik vraag me af of Bouwman op de gedachte dat Arnout de schrijver van meerdere Franse branches was, gekomen zou zijn, als hij niet heel vertrouwd was geweest met het werk van Van Mierlo. In het Reynaertonderzoek zijn zijn opvattingen niet overgenomen. De enige die zijn opvatting overgenomen heeft is Posthuma in zijn recente vertaling.145 In de Davidsfondseditie noemt Van Daele in zijn uitvoerige opsomming waaraan men dacht bij de naam Arnout de
visie van Bouwman niet eens.
Volgens Van Oostrom circuleerden er al Reynaertverhalen in het Vlaams voor 1150.146 De overeenkomsten tussen Reinhart Fuchs en Van den vos Reynaerde die Muller in de jaren dertig signaleerde duiden op het bestaan van een Reynaertverhaal in het Diets voor 1200.147 Er is daar nog meer onderzoek naar nodig, maar ik kan alvast zeggen dat door de observaties van Muller de visie van Bouwman op de genese van de Reynaert ter discussie komt te staan. Willem en
Arnout werkten niet exclusief in een schriftelijke traditie maar bewogen zich op het grensvlak van oraliteit en schriftelijkheid. Het is een verleidelijke gedachte.

10. Het literaire landschap van Van Daele

Rik van Daele besteedt in zijn dissertatie ruim aandacht aan het historischgeografisch onderzoek naar de Reynaert, dat in de ‘serieuze’ wetenschap zo vaak veronachtzaamd wordt.148 In zijn proefschrift Ruimte en naamgeving

p. 43

constateert Van Daele, dat er een breuk ontstaan is tussen de wetenschappelijke studie en de bredere receptie van de Reynaert. De benadering van Arendt staat diametraal tegenover de historisch-geografische benadering van de Reynaert. Onder invloed van de moderne literatuurwetenschap zijn de traditionele vragen
naar auteur, datering en lokalisering van de Reynaert naar de achtergrond verdwenen, terwijl bij een breed publiek daar juist meer interesse voor is.149 Het valt Van Daele te prijzen dat hij ingaat op de vragen vanuit de samenleving.
Niemand is zo goed op de hoogte van de lokaalhistorische publicaties over de Reynaert als Van Daele. Vaak zijn de schrijvers lokale autoriteiten, pastoors en leraren, van wie het gezag in de eigen gemeenschap onomstreden is, zo blijkt uit Van Daeles studie. Mede door hun toedoen wordt sinds de jaren vijftig de Reynaert niet meer in de eerste plaats met Vlaanderen verbonden,maar met een welbepaalde regio binnen Vlaanderen, het Land van Waas.150 Die bevindingen zijn op lokaal niveau gecultiveerd door her en der in de streek Reynaertbeelden en -banken te plaatsen. Van Daele oordeelt streng over het historisch-geografisch onderzoek waarbij de eigen streek geprojecteerd wordt als het middelpunt van de Reynaertwereld. De meeste onderzoekers staan niet kritisch genoeg tegenover het eigen onderzoek en het ontbreekt hen aan dialoog
en synthese. Voor Van Daele is de Vlaamse Reynaert een verhaal dat deel uitmaakt van de Europese traditie en moet die traditie ook bij het onderzoek betrokken worden.151
Voortrekker van de Europese benadering van de Reynaertstof is Paul Wackers. In zijn in 1986 verdedigde proefschrift over Reynaerts historie en vele andere publicaties heeft hij de negatieve rol van taal in de Europese traditie van het dierenverhaal benadrukt.152 Van Daele sluit zich aan bij de visie van Wackers en verbindt die met de structuralistische benadering van Arendt. In zijn dissertatie,gepubliceerd in 1994, komt hij tot de slotsom dat door een aantal werkelijk bestaande plaatsnamen in het verhaal te noemen, het weliswaar een reëel landschap lijkt, maar in werkelijkheid om een literair landschap gaat. De taal van de
perfide vos bewerkstelligt dat de geordende hofwereld wordt getransformeerd in Reynaerts wildernis. De functie van de plaatsnamen is, zo stelt Van Daele, om de leugenachtige, ‘scone tale’ van de vos te benadrukken. Reynaerts leugens worden geloofwaardig door het gebruik van werkelijk bestaande plaatsnamen.
Door de menselijke taal en de bekende toponiemen als Hulsterloo en Gent betrekt het geïntendeerde publiek bovendien het verhaal op zichzelf: het universele verhaal gaat ook over de eigen, hoofse wereld van het Vlaamse gehoor. Het verhaal toont dat perfide taal ook hun (schijn)wereld in het verderf kan

p. 44

storten. Volgens Van Daele is deze pessimistische boodschap van het verhaal nog steeds relevant voor ons. De Reynaert is ook een spiegel voor de moderne mens,waarin hij zijn eigen onderbewuste ik kan herkennen. Reynaert ontmaskert de schone schijn en laat het beestachtige in de mens zien.153 Van Daeles inzichten
worden in het onderzoek breed gedeeld. Alleen de Gentse literatuurhistoricus Jo Reynaert is van mening dat deze moralistische lezing van het verhaal ‘de nodige eigen inbreng van de interpretant vereist’.154
Via de dichters Willem en Arnout brengt Van Daele, het lokale, het ‘oest hende van Vlaendren’ (A 2574) weer in het debat over de Reynaert. Zij zijn voor hem de scheppers van een literair Reynaertlandschap, waarin werkelijke bestaande plekken als het moer bij Hulsterloo een universele betekenis krijgen.De kracht van Van Daele’s benadering is dat hij de resultaten van lokaal onderzoek naar bijvoorbeeld Kriekeputte en de abdij van Boudelo verwerkt in
zijn analyse van het verhaal.Vanaf de jaren vijftig wordt in een reeks van lokale publicaties de gedachte dat de Reynaert verbonden is met de abdij van Boudelo in het Waasland breed uitgesponnen.155 Dit idee neemt Van Daele over als een serieuze optie uit het onderzoek van plaatselijke geschiedschrijvers. In de Davidsfondseditie stipt hij al de mogelijkheid aan dat de Reynaert wel eens geschreven zou kunnen zijn door een lekenbroeder van de abdij van Boudelo.Arnout is omgeven met raadsels, – het blijkt uit de vraagtekens die hij plaatst in zijn commentaar bij de naam Arnout –, maar tussen de vele mogelijkhedenwie Arnout wel eens zou kunnen zijn, hield hij nadrukkelijk de optie open dat
Arnout met Arnout van Elmare geïdentificeerd mag worden, een van de eerstemonniken van deze abdij. Van Daele speelt met de gedachte dat deze Arnoutvan Elmare mogelijk de vertaler was van een verhaal uit de Latijnse Ysengrimus of misschien heeft hij al voor Willem Le plaid in het Vlaams vertaald.156 Het idee dat Willem van Boudelo de schrijver van de Reynaert zou kunnen zijn, heeft hij uitgewerkt in zijn artikel ‘De robotfoto van de Reynaertdichter’,waarin we Willem van Boudelo leren kennen als een lekenbroeder in dienst van de gravin van Vlaanderen. Van Daele meent zelfs een cisterciënzer literaircircuit te kunnen ontwaren157 en aanvankelijk dacht hij dat ook Diederic van Assenede tot dit cisterciënzermilieu behoorde.158 Die hypothese heeft hij laten varen.159

rik van daele.jpg

Rik van Daele (links) in een kraampje van het Reynaertgenootschap.
Van Daeles compositiefoto maakt de dichter van de Reynaert een historisch figuur en plaatst hem in een welbepaalde context. Dat is een beeld dat weliswaar niet toetsbaar is, maar wel falsifieerbaar is. De reacties op Van Daeles voorstel zijn verdeeld. Bouwman en Besamusca vonden dat bewijs ontbrak.160

p. 45

Van Oostrom gaf toe dat deze Willem qua profiel alles mee heeft, maar hij vond dat de hypothese iets gratuits heeft.161 Jef Janssens staat positiever tegenover de gedachte om Willem te verbinden met Boudelo.162
Ook mijn interpretatie van het slot verzet zich niet tegen de hypothese van Van Daele. Een verzoening (‘pays’ A 3469) aan het eind van het verhaal en de kritiek op geestelijken die het niet zo nauw namen met de moraal, lijken te wijzen op een profiel dat goed past bij dat van een cisterciënzerconvers aan het Vlaamse hof. Van Daeles opvatting heb ik dan ook onderschreven.163 Toch kan
Van Daele mij uiteindelijk niet overtuigen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de aanduiding ‘broeder’ onlosmakelijk verbonden is met de identiteit van de persoon die aan een klooster verbonden is. Mocht Willem van Boudelo de dichter zijn, dan mag verwacht worden dat de dichter als ‘broeder Willem’ wordt geïntroduceerd. R. Malfliet heeft in publicaties van historici naar vermeldingen
van Willem van Boudelo gezocht. In de door Malfliet verzamelde
referenties naar oorkonden waarin Willem van Boudelo vermeld wordt, wordt hij bijna altijd broeder genoemd. De enkele vermeldingen waar dat niet het geval is, zijn afkomstig uit een zeer summiere tabel in een historische studie over de financiën van de Vlaamse gravin.164 Als deze vermeldingen buiten beschouwing gelaten worden, wordt Willem van Boudelo altijd aangeduid als broeder.
Op zijn zegel noemt Willem van Boudelo zichzelf nadrukkelijk ‘frere’.165 Ook uit het MNW blijkt dat het gebruikelijk was een convers aan te spreken met broeder.166 Uit de literatuurgeschiedenis zijn een aantal voorbeelden bekend
van dichters en vertellers die met broeder aangesproken worden. Broeder Geraert is de schrijver van een leven van Lutgard en een leven van Christina de Wonderbare, terwijl broeder Ghijsbrecht, een Wilhelmiet, de bron voor het verhaal over Beatrijs zou zijn geweest.167
Aangezien in de Reynaert Willem geen broeder wordt genoemd, mogen we
veilig aannemen dat Willem die Madocke maakte, niet gelijkgesteld mag worden met Willem, de lekenbroeder uit Boudelo. Er zijn te veel contra-indicaties om een literair circuit rond Boudelo waar Willem en Arnout deel van uitmaakten te veronderstellen. In ieder geval meet de dichter Willem zich geen religieuze autoriteit aan, noch kent hij die aan Arnout toe. Na een eeuw Reynaertonderzoek weten we nog steeds niet wie de dichters Arnout en Willem zijn.

p. 46

Conclusie: Arnout als spiegel

Na meer dan een eeuw Reynaertstudie is het punt bereikt dat een te veel aan interpretatiemogelijkheden tot overinterpretatie leidt. Op de vraag wie Arnout is, zijn veel verschillende antwoorden gegeven. Ze vallen te onderscheiden in vijf groepen. Ik geef ze hier in min of meer chronologische volgorde weer:

1) Arnout heeft niet bestaan, maar is een Hollands insluipsel. Dat is de mening van Buitenrust Hettema.
2) Arnout heeft echt bestaan. Daar vallen de volgende oplossingen te
onderscheiden:
a) Arnout heeft het deel van Van den vos Reynaerde geschreven, dat
romaans van karakter is. Het standpunt van Muller.
b) Arnout is de schrijver van branche I van de Roman de Renart. Uiteindelijk kwam Van Mierlo tot deze opvatting. In deze opvatting ziet men Willem als de geniale bewerker.
c) Arnout heeft een proto-Reynaert geschreven, waarop het tweede deel van de Reynaert gebaseerd is. Dat is het idee van Leonard Willems.
d) De schrijver wiens naam later veranderd is in Arnout heeft een verhaal geschreven dat lijkt op Reinhart Fuchs, zo beweert Hellinga.
e) Arnout is de schrijver van een verloren gegaan Reynaertverhaal. Demening is courant in de wandelgangen, maar is eigenlijk alleen met argumenten verdedigd door Delbouille.
f) Arnout is de schrijver aan wie meerdere verhalen uit de Roman de
Renart werden toegeschreven door het primaire publiek. Bouwman is
deze mening toegedaan.
3) Arnout is een schertsnaam. Dit is voorgesteld door Hellinga. Dit
zegt iets over hoe Hellinga de middeleeuwen zag, als een in moderne
ogen onbeschaafde tijd waar seksuele taboes nog niet volledig onderdrukt werden.
4) Arnout is een naam die de identiteit van de ware schrijver verhult. Zo kan de echte schrijver de Franstalige elite in Vlaanderen aanvallen. Gysseling kwam met dit voorstel.
5) Arnout is omgeven met raadsels, maar misschien afkomstig uit het
Waasland. Deze opvatting is te vinden in het werk van Van Daele. Samen met Willem maakt Arnout deel uit van een cisterciënzer literair netwerk. Zij zijn de scheppers van een literair landschap.
Zich een beeld vormen van Arnout betekent ook een oordeel vormen over zijn invloed op Willem. De opvattingen over wie Arnout is, zijn echter niet

p. 47

waardenvrij. Ze zeggen evenveel over degene die ze uit. Over de opvattingen van Van Mierlo is dat vaak gezegd, zijn flamingantisme is manifest, maar het gaat eigenlijk op voor alle onderzoekers. Buitenrust Hettema’s opvatting lijkt ingegeven door een afkeer van hollandocentrisme. Achter Mullers schijnbaar objectieve houding schuilt het wereldbeeld van de Nederlandse elite die Nederland
zag als een smeltkroes van de Europese beschaving, waar het beste van de Romaanse en Germaanse cultuur samenkwam.
Na de oorlog rekent Hellinga met deze opvattingen af door Arnout een
schertsfiguur te noemen. Bouwman ziet Arnout als een lidmaat van de Europese republiek van letteren. Het vermoeden dat Arnout wellicht een Waaslanderis, draagt bij tot het regionaal bewustzijn dat het Waasland het middelpunt is van het ‘Land van Reynaert’. De Reynaert integreert het Waasland cultureel in Europa, is de visie van Van Daele. Het mysterie rond Arnout maakt Van den vos Reynaerde alleen nog maar een meer intrigerend literair werk. Misschien vertaalde Arnout wel een verhaal uit de Latijnse wereldliteratuur?
De geschiedenis van het onderzoek leert dat onderzoekers zich niet kunnen onttrekken aan de normen en waarden van hun eigen tijd en omgeving. Zij proberen de Reynaert deel uit te laten maken van hun eigen wereld: te claimen als erfgoed door de tekst een betekenis te geven voor een modern publiek.De middeleeuwse tekst geeft betekenis aan onze moderne identiteit. Er is een opvallende verschuiving in wat de Reynaert zegt over onze identiteit. Voor de oorlog zagen Muller en Van Mierlo het Reynaertverhaal als een humoristisch
verhaal dat iets zei over de specifieke volksaard van Vlamingen en Nederlanders. Willem (en Arnout) staan aan het begin van de genese van de natie. Na de oorlog veranderde het beeld van de Reynaert radicaal. Literair-historici gingen in de jaren na de oorlog de Reynaert cultiveren als een tekst die iets zegt over de
existentiële angsten van dé mens. Hellinga liep daarbij voorop en zijn gitzwarte interpretatie van de Reynaert werkt tot op de dag van vandaag door. Dat hangt samen met het veranderende beeld van de middeleeuwen. Het is niet meer de tijd van kathedralen, maar een tijd van kettervervolging, pest en ontwrichtende oorlogen. De veronderstelde boodschap van de dichter Willem dat ‘pays’ een
onmogelijkheid is, is tegen de achtergrond van de recente geschiedenis relevant voor een gedeelde Europese identiteit, waar het katholicisme (met zijn visioenen van een eindtijd) een belangrijk deel van uit maakt.
Umberto Eco houdt ons voor dat de manier waarop we met ‘secular sacred texts’ als de Reynaert omgaan, leidt tot overinterpretatie. In 1992 was dat het onderwerp van de door hem gehouden Tanner lectures. Niemand zal willen betwisten

p. 48

dat een tekst open is voor een oneindig aantal interpretaties. Er is echter wel een wildgroei die volgens Eco verklaard kan worden door de hermetische traditie, die zich onderscheidt van een meer rationele benadering van een tekst. In de hermetische traditie wordt het onderscheid in de logische opeenvolging van tijd niet
meer gemaakt, waardoor identiteiten in elkaar kunnen opgaan en tegenstellingen oplossen. In een rationele leeswijze is de interpretatie zinnig, afgewogen (‘moderate’), doordat er grenzen aan gesteld worden.168 Buiten de Reynaertwereld worden sommige opvattingen van specialisten in de wandelgangen als vergezocht
afgedaan. Wanneer een speculatief idee de fantasie prikkelt, blijft het echter het onderzoek en de beeldvorming beïnvloeden. Soms tegen beter weten in.
Doordat de Reynaert wordt verbonden met onze eigen identiteit is overinterpretatie inherent aan het Reynaertonderzoek. Teksten die van alle tijden zijn,zijn niet meer gebonden aan een welomschreven context doordat ze beroofd zijn van hun eigen door de tijd bepaalde karakter. Bepalend voor het Reynaertonderzoek is het idee dat de vos ongrijpbaar is. Juist vanwege die ongrijpbaarheid fascineert het verhaal. Bij klassieke teksten als de Reynaert is daarom het
gevaar groot dat commentaar op commentaar gestapeld wordt. Steeds worden nieuwe dimensies aan de tekst toegevoegd. Het commentaar rond de tekst is als een sneeuwbal die steeds groter wordt en alleen maar begrijpelijk is voor connaisseurs die een geheimtaal uitwisselen die onverstaanbaar is voor buitenstaanders. Zij moeten de ‘scone tale’ van de kenners maar geloven. Ongetwijfeld
zal in de toekomst een onderzoeker opstaan die dit discours nog verder zal ontwikkelen om zo een nog diepere betekenis in de Reynaert te ontwaren dan zijn voorgangers al deden.
Vooral sinds Hellinga geldt als premisse van het onderzoek dat er verborgen boodschappen in het verhaal te vinden zijn. Het is typerend voor de stand van het huidige Reynaertonderzoek dat Arnout zowel een schertsfiguur als een inwoner van het Waasland kan zijn. Een deel van de aantrekkingskracht van het Reynaertverhaal schuilt voor de moderne lezer erin dat de wildste interpretaties niet uitgesloten worden. ‘Lees maar, het betekent niet wat er staat’,
heeft Janssens dat treffend met een knipoog naar Nijhoff omschreven.169 Het verhaal zou alleen begrepen kunnen worden, wanneer het op zijn kop en binnenstebuiten wordt gelezen: als een omkering en parodiëring van motieven en thema’s uit andere genres, met tal van knipoogjes voor de goede verstaander. Het is interpretatieve hoogmoed van moderne exegeten om te denken dat zij
de goede verstaanders zijn: waarschijnlijk begrijpen wij nu minder van de Reynaert dan het keukenpersoneel onder het primaire publiek.

p. 49

Op deze plaats wil ik graag mijn redacteuren Jacqueline Wessel en Guus Boone bedanken.Jacqueline voor het killen van mijn darlings, Guus omdat hij er nog een gered heeft.

NOTEN
Opmerking: de meeste artikelen zijn te raadplegen via de website http://www.dbnl.nl.
1 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949: Een studie over het probleem van de Reinaert-proloog sedert Jan Frans Willems’, in: Verslagen en mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, (1951), p. 269-276. Een speurtocht door de medewerkers van de Academie leverde op dat het typoscript bewaard wordt in het archief van KANTL te Gent onder de signaturen F1/A en F1/B. De studie is geschreven door E. Léonard, die er in 1949 de doctorsgraad mee behaalde aan de Universiteit van Luik.
2 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, in: Jaarboek van de Oudheidkundige Kring de Vier Ambachten te Hulst, 1957, p. 14-15.
3 Everardus A. Overgaauw, ‘Die Dycksche Handschrift. Ihre Entdeckung, Herkunft, Datierung und früheren Besitzer’, in: Bertram Haller en Hans Mühl (red.), Westfälische Wilhems-Universität. Die Dycksche Handschrift, Berlijn/Münster, 1992, p. 40-42.
4 W.Gs Hellinga (ed.), Van den vos Reynaerde. I Teksten. Diplomatisch uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500, Zwolle, 1952, p. 2-3.
5 Th. Frings, [Recensie van:] ‘J.W. Muller, Van den vos Reinaerde, critisch uitgegeven, Leiden,1939’, in: Anzeiger für deutsches Altertum und deutsche Literatur, 60 (1941), p. 97. Overigens
valt deze recensie op door de vergelijkingen met de middeleeuwse Duitse literatuur.
6 F.P. van Oostrom, ‘Benaderingswijzen van de Reinaert’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom ende menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw, Hilversum, 1999, p. 219. Oorspronkelijk gepubliceerd in: M. Spies (red.), Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening, Groningen, 1984, p. 18.
7 A.Th. Bouwman, de Oudfranse Roman de Renart, Amsterdam, 1991, p. 42, p. 46 en p. 386. A.Th. Bouwman, ‘Taaldaden. Over intertekstualiteit in Van den vos Reynaerde’, in: Jozef D. Janssens e.a., Op avontuur. Middeleeuwse epiek in de Lage Landen, Amsterdam, 1998, p. 142.
8 Herman Heyse, ‘Uit boek en tijdschrift’ [recensie van A. Renart], in: Tiecelijn, 5 (1992), p. 29. Ook gepubliceerd in: Rik van Daele, Marcel Ryssen en Erwin Verzandvoort (red.), Reynaert bloemleest Tiecelijn. Een selectie uit vijf jaar Tiecelijn, Sint-Niklaas, 1983, p. 191-92.
9 R. van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den vos Reynaerde, Gent 1994, p. xvii en p. 178.

p. 50

10 Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen. Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs, Amsterdam, 2000, p. 38-42.
11 Hans Rijns, ‘Buitenrust Hettema, F.’, in: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf (red.), Het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek,
(2006): http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/buit003.php (Geraadpleegd 22-4-2015).
12 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert. Bijdrage tot de critiek der beide Reinaert-gedichten, Amsterdam, 1884.
13 Te oordelen naar de stijl is de zin waarschijnlijk afkomstig van J.W. Muller. F. Buitenrust Hettema en J.W. Muller (eds), Van den vos Reynaerde. Opnieuw naar het Comburgsche handschrift uitgegeven, Tekst, Zwolle, [1903], p. vii.
14 J.W. Muller, Critische commentaar op Van den vos Reinaerde naar de thans bekende handschriften en drukken, Utrecht, 1917, p. 1 (noot 1).
15 Leonard Willems, ‘Reinaerdiana’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 16 (1897), p. 266-267.
16 J. Vercoullie, De diersage en Reinaert de vos, Brugge, 1925, p. 72.
17 In zijn diplomatische editie schrijft Degering dat de conjectuur van Willems “auf das glänzendste bestätigt” wordt. Degering problematiseert wel onmiddellijk zijn observatie door op te merken dat in de tekst van de Reynaert in het Dyckse handschrift geen verschil in taal en stijl tussen het deel van Arnout en dat van Willem valt te constateren. Deze editie heeft nauwelijks een rol gespeeld in het Reynaertonderzoek. Hermann Degering (ed.), Van
den vos Reynaerde. Nach einer Handschrift des XIV. Jahrhunderts im Besitze des Fürsten Salm-Reiferscheidt auf Dyck, Münster, 1910, p. XVIII. De woorden van Degering zijn overgenomen door Joh. Franck in zijn bespreking van de uitgave van Degering: Joh. Franck, ‘Zur Überlieferung und Composition des Reinaert’, in: Zeitschrift für deutsches Alterthum und deutsche Litteratur, 52 (1910), p. 322. Ook overgenomen door Rob Roemans, ‘Nécrologie. Leonard Willems (1864-1938)’, in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 839.
18 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium.Zwolle [1910], p. lxxx-lxxxi (voetnoot over Arnout), p. xcvii en p. cxxxvii (een andere gissing).
Buitenrust Hettema had deze laatste verklaring eerder gepubliceerd in: F. Buitenrust Hettema, ‘Over Reynaert I’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 12 (1893), p. 6-7.
19 F. Buitenrust Hettema en H. Degering (eds), Van den vos Reynaerde, uitgegeven naar het Comburgse en Darmstadse Handschrift door dr. F. Buitenrust Hettema naar het Dycksche handschrift
door dr. H. Degering, Zwolle, 1921 2.
20 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde, II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium,p. cxlv-cxlvi (citaat p. cxlvi).
21 Joh. Franck, ‘Zur Überlieferung und Composition des Reinaert’, p. 285- 338 m.n. p. 285 (noot 2).

p. 51

22 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde. Naar de thans bekende handschriften en bewerkingen critisch uitgegeven met eene inleiding, Gent/Utrecht, 1914.
23 J.W. Muller, Critische commentaar op Van den vos Reinaerde, p, i, p. 1-13 en 41-53 (citaten p. 3 en p. 6). Jaap Grave, ‘Johannes Franck (1854-1914): de eerste hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde in het Duitse taalgebied’, in: Studium: Tijdschrift voor wetenschaps- en universiteits-geschiedenis, 5 (2013), p. 208.
24 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën. III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 164-165. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde. Inleiding
met aanteekeningen. Lijst van eigennamen. Tekst, Leiden, 19443, p. 23-24.
25 L.M. van Dis (ed.), Van den vos Reynaerde, Groningen, 197220, p. 5 (verhouding tot Muller).
26 Stephanus Axters O.P, ‘Josef van Mierlo’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1960, p. 139. De spelling Josef in de titel is fout, elders staat Jozef.
27 Over de ontwikkeling van Van Mierlo’s opvattingen zie: Rob Roemans, ‘Het Reinaertprobleem en Prof. Dr. J. van Mierlo, S.J.’ in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 640-647.
28 J. van Mierlo, ‘Voor Arnout’s Oorspronkelijkheid’, in: Verslagen en mededeelingen van de Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1927, p. 1071-1118 (m.n. p. 1118 voor zijn visie
op Willem). Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert. Huldegave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en
bewonderaars, Zwolle, 1953, p. 9-58 (m.n. p. 58 voor zijn visie op Willem).
29 Jacob Grimm, Reinhart Fuchs, Berlin, 1834, p. xii-xvi.
30 Jan Frans Willems, Reinaert de Vos: episch fabeldicht van de twaelfde en dertiende eeuw met aenmerkingen en ophelderingen, Gent, 1836, p. xvi-xvii en p. xxvii-xxviii.
31 Jozef Janssens, ‘Een vos op perkament’ in: Jozef Janssens, Rik van Daele, Veerle Uyttersprot,Jo de Vos, Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, Leuven, 19912, p. 167-168.
32 M. Delbouille, ‘La composition du ‘Reinaert I’, Arnout, Willem et le ‘Roman de Renart’français’, in: Revue belge de philologie et d’histoire, 8 (1929), p. 19-52 m.n. p. 46.
33 J. van Mierlo, ‘Voor Willem als enig dichter van Reinaert I’, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1929, p. 422-430. Dit deel van het artikel is niet opgenomen in Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert.
34 A. 35 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën, III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 40.
36 J. van Mierlo, ‘Arnout?’, in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 116.Eerder gepubliceerd in: F.V. Toussaint van Boelaere e.a. (red.), Gedenkboek A. Vermeylen:

p. 52

aangeboden aan August Vermeylen ter gelegenheid van zijn zestigsten verjaardag 12 Mei 1932,Brugge, 1932, p. 514-515.
37 J. van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1942, p. 563-595. Ook in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 176-208.
38 F.P. van Oostrom, ‘Benaderingswijzen van de Reinaert’, in: Hans van Dijk en PaulWackers (red.), Pade crom ende menichfoude, p. 227. Oorspronkelijk gepubliceerd in: M. Spies (red.), Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening, Groningen, 1984, p. 28.
39 C.A. Zaalberg (ed.), Van den vos Reinaerde, ’s-Hertogenbosch, 197310, p. 8. Vgl. ook Hubert Slings die zich verbaast over de gretigheid waarmee schoolboekauteurs soms kwestieuze
bevindingen doorsluizen naar leerlingen. Als voorbeeld noemt hij dat in de literatuurgeschiedenis voor het onderwijs van W. van Schothorst uit 1911 Arnout als coauteur van de Reinaert al de schoolboekjes bereikt, een opvatting die nu door vrijwel niemand meer wordt onderschreven. Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen, p. 19. Ter verdediging van Schothorst kan ik aanvoeren dat er een didactisch verhaal bij hoort, dat nog steeds wordt verteld aan studenten: filologen kunnen zo briljant zijn dat hun gissingen soms later bevestigd worden door de ontdekking van een nieuw handschrift. Dit lijkt mij een voorbeeld van hoe spannend de filologische leeswijze in het onderwijs kan zijn. H. Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen, p. 48. Vergelijk ook in deze studie noot 17.
40 P. de Keyser (ed.), Van den vos Reynaerde, Antwerpen, 19655, p. v., p. vii-ix, p. xix. en p. 1. Voor de vergelijking van de Reynaert met de Roman de Renart door Van Mierlo zie: J. van
Mierlo, ‘Voor Willem als enig dichter van Reinaert I’, p. 403-422. Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 59-79.
41 Frank Baur en Jozef van Mierlo, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, I, ‘s-Hertogenbosch/Brussel, z.j. [1939], p. 211: ‘Maar men moet even Le Plaid, dat toch als het beste der Renart-branches geldt, er naast lezen, om aan te voelen, hoe onvergelijkelijk hooger als kunstwerk onze Reinaert staat.’
42 André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, in: Wim van Anrooij,Dini Hogenelst en Geert Warnar (red.), Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse
letterkunde, Amsterdam, 2003, p. 141-142.
43 Leonard Willems, ‘De Reinaert-proloog of adhuc sub judice lis est’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1938, p. 675-692 m.n. p. 684.
44 J. Van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert-proloog’, p. 574-575. Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 187.
45 K. Heeroma, ‘Willem die reinaerde makede’, in: Maatstaf, 16 (1968-1969), p. 645-646 (citaat 646).
46 K. Heeroma, De andere Reinaert, Den Haag, 1970, p. 10-11.
47 L. Peeters, ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 29 (1970), kol. 266 (noot 9).

p. 53

48 L. Peeters, ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’, kol. 265-272, m.n. kol. 267 (citaat).
49 Sinds Gerritsen is het gebruikelijk een onderscheid te maken tussen versie en redactie.In een versie (uit het Latijn versio = verdraaiing, verandering) is de tekst door een bewerker aangepast, in een redactie heeft hij slechts de bedoeling een kopie te vervaardigen. Volgens Willem Kuiper kan Reynaerts historie als een versie van het overeenkomende deel van Van den vos Reynaerde beschouwd worden, terwijl het Comburgse en Dyckse handschrift
beschouwd mogen worden als verschillende redacties. Naar mijn mening is de tekst in het Dyckse handschrift bewust veranderd, zodat beter gesproken kan worden van een versie.P.J. Verkruijsse, H. Struik, G.J. van Bork en G.J. Vis (red.), Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek (2002) s.v. versie [W. Kuiper]. http://www.dbnl.org/tekst/bork001lett01_01/bork001lett01_
01_0023.php#v052 (geraadpleegd 14 mei 2015). W.P. Gerritsen, Die Wrake van Ragisel. Onderzoekingen over de Middelnederlandse bewerkingen van de Vengeance Raguidel,gevolgd door een uitgave van de Wrake-teksten, I, Assen, 1963, p. 60. In de opvolger G.J. van
Bork, D. Delabastita, H. van Gorp, P.J. Verkruijsse en G.J. Vis, Algemeen letterkundig lexicon 2012-2014) s.v. versie is de naam van de schrijver W. Kuiper niet vermeld. http://www.dbnl.
org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02189.php (geraadpleegd 25 juli 2015).
50 A.M. Duinhoven, ‘De diachrone studie van Middelnederlandse teksten’, in: F.P. van Oostrom en Frank Willaert (red.), De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst, Hilversum, 1989, p. 114-115.
51 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 324. In de lopende tekst vond ik geen verwijzing.
52 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, Antwerpen/Apeldoorn, 2010, p. 219-231. Volgens Pooth is de kanunnik Arnold van Deventer de schrijver van het eerste deel. Richard
Philipp Pooth, Der unsterbliche Fuchs. Texte vom dietschen zum deutschen Epos. Bocholt,z.j. [2011], p. 34 en p. 38.
53 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde, II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium,p. lxi.
54 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 5.
55 André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, p. 139; Jaap Grave,‘Johannes Franck (1854-1914)’, p. 208.
56 ‘Vergadering van 19 Februari 1908’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908 p. 95-100. De uitgewerkte lezing: J.W.
Muller, ‘Een nieuw handschrift van den Reinaert’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908, p. 109-188.
57 J.H. van Lessen, ‘Levensbericht. Jacob Wijbrand Muller (Amsterdam, 14 Juni 1858 -Leiden, 18 Maart 1945)’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1945-1946, p. 37.
58 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert, p. 195 (laatste woorden proefschrift). J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Gent/Utrecht, 1914, p. xxxiii, p. xliv en p. xlv. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 29.

p. 54

59 volkskarakters, Kampen, 1938, p. 7-8.
60 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Gent/Utrecht, 1914, p. xliv en p. xlv. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 19-20.
61 J. Huizinga, ‘Nederland’s Geestesmerk’, in: Verzameld werk VII, Haarlem, 1950 (eerste druk 1934), p. 291-292.
62 Anton van der Lem, Het eeuwige verbeeld in een afgehaald bed. Huizinga en de Nederlandse beschaving, Amsterdam, 1997, p. 176, p. 179 en p. 188-192 (over ‘Nederland’s Geestesmerk’). Ook de Leidse historicus P.J. Blok benadrukte als een van de eersten in 1891 dat hetkleine Nederland door zijn kosmopolitisch gevormde volksaard een belangrijke bemiddelende rol in de wereld kon spelen. P.B.M. Blaas, Geschiedenis en nostalgie. De historiografie van een kleine natie met een prikkelbaar verleden. Verspreide historiografische opstellen, Hilversum,2000, p. 33 en p. 158.
63 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 59 (1935), p. 34.
64 Zie Frank Willaert, ‘Van Mierlo. De voordelen van vooroordelen’, in: Literatuur, 6 (1989), p. 346 (‘influisteringen van flamingantisch chauvinisme’).
65 Ten onrechte suggereert Van Oostrom dat Muller Reynaert zag als de ‘verpersoonlijking was van den Vlaamschen democratischen strijd’. Muller keerde zich juist fel tegen het misbruik van de vos voor de Vlaamse zaak. Vgl. Frits van Oostrom, Stemmen op schrift.
Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam, 2006, p. 465 met J.W. Muller(ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 33.
66 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert, p. 207: ‘De Reinaert (het oude gedicht) heeft geene bepaalde politieke strekking’ (stelling XVII).
67 Jozef Janssens en Rik van Daele, Reinaerts streken. Van 2000 voor tot 2000 na Christus, Leuven, 2001, p. 253-256.
68 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 33 en p. 74 (noot 43).
69 Jaap Grave, ‘Johannes Franck (1854-1914)’, p. 207-224. Zie ook J.H. van Lessen, ‘Levensbericht. Jacob Wijbrand Muller (Amsterdam, 14 Juni 1858 – Leiden, 18 Maart 1945)’, p. 31-32. In het artikel van Bouwman is de invloed van Franck onvoldoende over het voetlicht
gekomen. André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, p. 137-149.
70 Over Mullers verwarring in de oorlog: J.H. van Lessen, ‘Levensbericht’, p. 45. Mullers zoon Frederik was in mei 1940 rector van de Leidse Universiteit en was anders dan de hoogleraar Cleveringa geen voorbeeld van verzet. Tijdens de oorlog werd Frederik Muller lid van de ‘Nederlandsche Kultuurraad’ en stierf kort voor zijn vader, volgens sommigen door
zelfmoord. J.H. Waszink, ‘Muller Jzn., Frederik (1883-1944)’, in: Biografisch woordenboek van Nederland, 1, Den Haag, 1979. Ook via http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn1/mullerjzn (Geraadpleegd 29-4-2015). Zie ook het wat minder omzichtig geformuleerde wikipedia-artikel: ‘Frederik Muller Jzn’, in: Wikipedia. https://nl.wikipedia.org/
wiki/Frederik_Muller_Jzn (geraadpleegd 3 augustus 2015).

p. 55

71 Frank Baur en Jozef van Mierlo, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, I,p. 211 en p. 215 (citaat). Over van Mierlo’s Vlaamsgezindheid: J. Reynaert, ‘Mierlo, J. van’,in: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf
(red.), Het bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek. (2003): http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/mier004.php (geraadpleegd 26 juli 2015).
72 Cam. Huysmans, ‘Over ‘Reinaert’ en ‘Ulenspiegel’’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1935, p. 555-570. In de Vlaamse verhoudingen voor 1960 is Nederlandstalig bijna per definitie volks.
73 J. van Mierlo, Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert. Huldegave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en bewonderaars,
Zwolle, 1953. Axters schrijft dat de voorkeur van de Noord-Nederlandse neerlandici naar de opvatting van Van Mierlo uitging, wat ook zou blijken uit deze publicatie. Stephanus Axters O.P, Josef van Mierlo, p. 141.
74 Het exemplaar in de UB Leiden van J. Vercoullie, De diersage en Reinaert de vos, Brugge, 1925 (UBL 1218 F 51) bevat een opdracht: ‘Den bedreven vossenjager Prof. J.W. Muller, v.d.S. [getekend] JVercoullie.’ Muller heeft het gelezen blijkens onder meer de aantekeningen in de marge van Vercoullies bespreking van de proloog op p. 69-74. Op Vercoullies opvattingen komt hij terug in zijn artikel ‘Aernout en Willem’: J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 59 (1935), p. 130-132.
75 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 482-485 (citaat p. 482-483).
76 Algemeen letterkundig lexicon s.v. commentaar, ttp://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03330.php (geraadpleegd 12 mei 2015).
77 W.Gs Hellinga (uitgever), Van den vos Reynaerde. I Teksten.
78 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in:Maatstaf. Maandblad voor letteren,6 (1958-59), p. 353-373. Ook gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 37-50.
79 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 11-23.
80 F. Lulofs, ‘Over het gebruik van du in de Reynaert’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 77: ‘Hoe anders die samenleving was, vertelt Hellinga […]’. Oorspronkelijk gepubliceerd als: F. Lulofs, ‘Over het gebruik van du in de Reynaert’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 83 (1967), p. 250.
81 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 38. Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf. Maandblad voor letteren 6 1958-59), p. 354.
82 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 50.Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf,p. 372.

p. 56

83 Jan de Putter, ‘Vrede en pays in Van den vos Reynaerde’, in: Millennium. Tijdschrift voor middeleeuwse studies (2000), p. 86-103. Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert.
Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: Een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn 21 (2008), p. 84-86. Jan de Putter, ‘De val van een onwaardige priester. Belijn en het slot
van Van den vos Reynaerde’, in: Tiecelijn 22, (2009), p. 290-313 m.n. 291. De discussie gaat nu over de vraag of het publiek de laatste verzen ironisch begreep.
84 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 41 en p. 50. Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’,in: Maatstaf, p. 359 en p. 373.
85 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 491.
86 De uitspraak is van de BBC-radiomaker Aneirin Talfan Davies. William Christie,Dylan $omas: A Literary Life, Londen, 2014, p. 10.
87 W.Gs Hellinga, ‘Inleiding’, in: Reinaert de vos naar de oudste berijming uit de twaalfde eeuw en opnieuw in 1834 berijmd door Jan Frans Willems, Den Haag, 19745 (eerste druk 1958), p. 5. Hetzelfde beeld al in W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 13. Hellinga schrijft in ‘Het laatste woord is aan Firapeel’ dat Willem het niet had op Franstalige Vlamingen. W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 41. Oorspronkelijk gepubliceerd als W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf, p. 360.
88 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 500.
89 Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’,in: G. Alberts en H.J. Zuidervaart (red.), De KNAW en de Nederlandse wetenschap tussen 1930 en 1960, Amsterdam, 2009, p. 125-127 en p. 132.
90 W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 33-34 (noot 25). Oorspronkelijk gepubliceerd als W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Handelingen van het vierentwintigste Nederlands filologencongres, 1956, p. 126-127 (noot 25).
91 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 13.
92 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, Amsterdam, 1952, p. 20: ‘Men kan dan tot het inzicht komen dat het vormenspel altijd nog iets ingewikkelder is en de humor altijd nog iets scabreuzer dan men bij de voorlaatste interpretatie meende. Het is in methodologisch opzicht dan ook nuttig, er van uit te gaan dat wij, geremd door onze andere, twintigste-eeuwse, geestesstructuur en ons onvermijdelijk tekort aan kennis van taal en tijd,
het nooit te vèr kunnen zoeken.’
93 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, p. 17.
94 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 15-16.
95 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 43-54 m.n. , p. 52. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde,
Leiden, 1944, p. 12-13.

p. 57

96 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 18-20. Zie ook J. Goossenaerts,‘Het was in eenen tsinxendaghe’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 15 (1955), kol. 155 (Hellinga verklaart in een interview dat hij Arnout als een jongere variant beschouwt.).
97 J.W. Muller, ‘Een nieuw handschrift van den Reinaert’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908, p. 174 (noot 1). Een veel interessanter spoor voor Arnoutsbroeders bespreekt Muller in een artikel uit 1920. Hij meldt daar dat met de Arnoutsbroeders in Frankrijk goliarden werden aangeduid: J.W. Muller,‘Aernouts en Everaerts broeders’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 39
(1920), p. 135-138.
98 L. Peeters, ‘Historiciteit en chronologie in Van den vos Reynaerde’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom ende menichfoude, p. 148 (noot 50: ‘over-interpretation’). Eerder
gepubliceerd in: Spektator. Tijdschrift voor neerlandistiek 3, 1973-1974, p. 364 (noot 50). N.b. de noten lopen niet gelijk in Spektator en Pade crom! R. van Daele, Ruimte en naamgeving,
p. 192 (‘Hineininterpretierung’). Overigens heeft Van Daele verder onderzoek gedaan naar de dubbelzinnigheden in de Reynaert: Rik Van Daele, ‘Die burse al sonder naet. Scabreuze elementen in Van den vos Reynaerde’, in: R. van Daele et al., Literatuur en erotiek, Leuven, 1993, p. 9-64. De werkwijze van Hellinga karakteriseert hij in dit artikel als ‘rabiaat gissen’(p. 22). Vergelijkbare kritiek op Hellinga bij het verklaren van varianten tussen de drukken
van de Reynaert in: Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’, p. 143-144.
99 Hans Rijns, ‘Of hi den credo niet en wel las’, in: Tiecelijn 12 (1999), p. 166-167 (citaat p. 167).
100 Zo citeert Astrid Houthuys Hellinga’s opvatting dat men het nooit te vèr kan zoeken als motto van een artikel waarin zij stelt dat de naam Cuwaert kontwaarts betekent. Astrid Houthuys, ‘What’s in a name? Waarom Cuwaert meer is dan een bange haas’, in: Remco
Sleidering, Veerle Uyttersport, Bart Besamusca (red.), Maar er is meer. Avontuurlijk lezen in de epiek van de Lage Landen. Studies voor Jozef. D. Janssens, Amsterdam, 2005, p. 172-192 m.n. p. 173 (motto Hellinga). De opvatting van Houthuys is weerlegd door Hans Rijns: Hans Rijns, ‘Het Cuwaertmotief. Sodomie in de Reynaert?’, in: Tiecelijn, 19 (2006), p. 363.
101 J. Bosch, Reinaert-perspectief, Kampen, 1972, p. 31. Bosch verwijst hier naar het artikel ‘De commentaar’ van Hellinga. Hellinga pleit er m.i. ook voor om juist het eng linguaal bepaald
perspectief te verbreden. ‘Het feitenaanbod door middel van taalvormen in een gegeven context’ moet ook binnen het kader van de ‘geestesstructuur’ en ‘cultuur en beschaving’ tot voorwerp van commentaar gemaakt worden. Overigens verdient de zin waarin Hellinga dit verwoordde de prijs voor de slechtste zin ooit in het Reynaertonderzoek geschreven. Het is alleszins begrijpelijk dat Bosch deze zin van 73 woorden reduceerde tot ‘een eng, linguaal
bepaald perspectief.’ W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, p. 119. Ook gepubliceerd in: W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 33.
102 H.R. Jauß. Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung. Beihefte zur Zeitschrift für romanische Philologie 100, Tübingen, 1959.

p. 58

103 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos ‘Van den vos Reynaerde’, Keulen, 1965, p. 3-25, m.n. p. 5-6 en p. 20 (citaat ‘umarbeitung’ op p. 5).
104 A. 105 Paul Verhuyck, ‘Twee tekstkritische notities Renart II v. 5 en Reynaert v. 6’, in: Tiecelijn 20, (2007), p. 313-314. Ook Verhuyck leest: ‘Die Pernout niet hevet vulscreven’. Hij beschouwt
Arnout als een foutieve lezing van Perrot. Het afgekorte Perrot (Pnot) zou verlezen zijn door een kopiist als Arnout, die de P als een A las. Het is de vraag of deze naam afgekort
was. Bovendien geeft Verhuyck geen antwoord op de vraag welke voorstelling het Vlaamse publiek zich maakte van het onvoltooide gedicht van Perrot.
106 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 84-87, m.n. p. 87.
107 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 73.
108 Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, p. 237-240.
109 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 74.
110 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 25.
111 Willem Kuiper, ‘In memoriam Francis Lulofs, filoloog en Reynaertonderzoeker’, in: Tiecelijn, 16 (2003).
112 F. Lulofs, ‘Boekbeoordelingen. G.-H. Arendt, Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos ‘Van den Vos Reynaerde’, Köln 1965 (diss. Köln 1964)’ in: Tijdschrift
voor Nederlandse taal- en letterkunde, 85 (1969), p. 32-47, m.n. p. 33-34.
113 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, p. 17. F. Lulofs neemt de hypothese serieus in: F. Lulofs, Boekbeoordelingen. G.-H. Arendt’, p. 34.
114 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 193.
115 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele. Over commentaar en interpretatie, Amsterdam,1975. F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde. De tekst kritisch uitgegeven, met woordverklaring,
commentaar en tekstkritische aantekeningen. (Tweede verbeterde druk), Groningen, 1985 [eerste druk 1983].
116 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele, p. 252-253.
117 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele, p. 235.
118 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 58.
119 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 200.
120 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 44.
121 Jozef Janssens, Veerle Uyttersprot en Rik van Daele, ‘Verklarende commentaar’, in:Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 212-213.
122 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 200.

p. 59

123 MNW s.v. Arnout. Het MNW is beschikbaar via de Geïntegreerde Taalbank: http://gtb.inl.nl.
124 Eelco Verwijs (ed.), Hein van Aken, Die rose met de fragmenten der tweede vertaling, ’s Gravenhage, 1868, [facsimile Utrecht, 1976], p. 147.
125 VMNW s.v. Arnout (zie ook de bijgevoegde verspreidingskaart). Het Vroegmiddelnederlands Woordenboek is ook via de site van de Geïntegreerde Taalbank te raadplegen: http://gtb.inl.nl.
126 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 125-136. F. Lulofs, ‘Cloesterbier of cliesteerkoek?Reynaert A 1955. Een vies verhaaltje’, in: Lekr, 6 (juni 1981), p. 2-8. F. Lulofs (ed.),
Van den vos Reynaerde, p. 248.
127 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 10.
128 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 15 (feitenaanbod) en p. 16. De term ‘feitenaanbod’is van Hellinga, zie noot 101.
129 Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’,p.135.
130 Herman Pleij, ‘Waar blijft het mooie Reynaert-boek’, in: M.M.H. Bax, K. Iwema,J.M.J. Sicking, Wie veel leest heeft veel te verantwoorden. Opstellen over filologie en historische letterkunde aangeboden aan prof. dr F. Lulofs, Groningen, 1980, p. 264 en p. 265.
131 Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 109-129, m.n. p. 126 over zijn invloed.
132 L. van Durme, ‘Maurits Gysseling, 7 september 1919-24 november 1997’, in: Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1998, p. 118-125.
133 M. Gysseling, ‘Speurtocht naar de Reinaert-dichter (1)’, in: Jaarboek van de Oudheidkundige Kring de Vier Ambachten te Hulst, 1966/67, p. 14 en p. 19.
134 M. Gysseling, ‘Datering en localisering van Reinaert I’, in: E. Rombauts en A. Welkenhuysen (red.), Aspects of the Medieval Animal Epic. Proceedings of the International Conference May 15-17, Leuven, 1974, p. 171 (citaat) en p. 179-185.
135 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 51.
136 Rik van Daele, ‘Portret Maurits Gysseling (1919-1997)’, in: Tiecelijn, 11 (1998), p. 25.
In zijn dissertatie citeert Rik van Daele ook uit een cursiee waarin Gysseling de spot dreef
met iedereen die er geen Vlaams landschap in zag. De ‘Hollander’ Arendt die verkondigde dat de Reynaert ‘ruimte en tijdloos’ was, regionale historici die bakkeleiden of de Reynaert nu Waas was of Gents. Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 122-123.
137 A.Th. Bouwman, Reinaert en Renart, p. 127-129.
138 Zie de website De Middeleeuwen in honderd artikelen, http://www.dbnl.org/letterkunde/middeleeuwen/artikelen/alfabetisch.php Paul Wackers, ‘ and its Links with the German Fox Stories’, in: Bernd Bastert, Helmut Tervooren en

p. 60

Frank Willaert (red.) Dialog mit dem Nachbarn. Mittelniederländische Literatur zwischen dem 12. und 16.
Jahrhundert [Sonderhefte der Zeitschrift für deutsche Philologie, 130, 2011], p. 148-150.
139 Bouwman, Reinaert en Renart, p. 418 en p. 593 (noot 161). Het woord ‘Schlußstrich’ is gebruikt door Frings. Hij schreef dat Muller een Schlußstrich gezet had onder het ‘philologische
Gezänk’. uitgegeven. Leiden 1939’, p. 97.
140 A. 141 Prof. Dr. J van Mierlo S.J. en de proloog van de Reynaert. Huldeuitgave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en bewonderaars, Zwolle,1953. Het gaat om het exemplaar UBL 1005 F 38. Het verdient overigens aanbeveling de door Bouwman geraadpleegde boeken met zijn aantekeningen op te nemen in de bijzondere collecties van Universiteitsbibliotheek Leiden.
142 A. dierenverhalen kende, en dus ook de voorbeeldtekst van de Reinaert, dan zou tevens duidelijk worden waarom Willem zich niet heeft beperkt tot het eenvoudig vertalen van Le Jugement (=Le plaid JdP).’
143 De term ‘textual community’ is geïntroduceerd door Brian Stock in zijn studie The Implications of Literacy en heeft vooral betrekking op ketterse groepen. B. Stock, $e Implications
of Literacy. Written Language and Models of Interpretation in the Eleventh and Twelfth Centuries, Princeton, 1983, p. 88.
144 Bart Besamusca, Remco Sleiderink, Geert Warnar, ‘Ter Inleiding’, in: De boeken van Velthem. Auteur, oeuvre en overlevering, Hilversum, 2009, p. 10. Het idee van ‘men of letters’ is verbonden met het idee van de Republiek van de Letteren uit de late zeventiende eeuw.
145 Ard Posthuma (vertaler), Willem. Reynaert de vos, Amsterdam, 2008, p. 110.
146 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 469.
147 Zie noot 95.
148 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 175-187.
149 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 173-174.
150 J. Goossenaerts, ‘Het was in eenen tsinxendaghe’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 15 (1955), kol. 145. De interviewer J. Goossenaerts daagde pastoor De Wilde uit door te vragen of onze Reynaert veel meer uit het Gentse dan uit het Land van Waas is. Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 176-177.
151 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 134 en p. 183.
152 P.W.M. Wackers, De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie,Utrecht, 1986. Paul Wackers, ‘Reynaert de vos’, in: W.P. Gerritsen en A.G. van Melle, Van Aiol tot Zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst, Nijmegen, 1993, p. 269-279, m.n. p. 274-275.

p. 61

153 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 533-542.
154 Jo Reynaert, ‘Botsaerts verbijstering. Over de interpretatie van “van den Vos Reynaerde”’, in: Spiegel der letteren, 38 (1996), p. 48. Ook gepubliceerd in: Hans van Dijk en Paul Wackers
(red.), Pade crom en menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hilversum, 1999, p. 270. Voor de discussie naar aanleiding van dit artikel, zie: Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert. Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn, 21 (2008), p. 79-95.
155 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 130-134.
156 R. van Daele, ‘Van Elmare naar Hulsterlo en Kriekeputte. Op bedevaart door de Reinaerttoponymie’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 208. Jozef Janssens, Veerle Uyttersprot en Rik van Daele, ‘Verklarende commentaar’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 213.
157 R. van Daele, ‘De robotfoto van de Reynaertdichter. Bricoleren met de overgeleverde wrakstukken: ‘cisterciënzers’, ‘grafelijke hof’ en ‘Reynaertmaterie’, in: Tiecelijn, 18 (2005), 179-204, m.n. p. 181, p. 193 en p. 199.
158 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 150-151.
159 In ‘De robotfoto’ wordt deze hypothese verworpen. Rik van Daele, ‘De robotfoto’,p. 194.
160 André Bouwman en Bart Besamusca (eds), Of Reynaert the Fox, p. 15 (noot 17).
161 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 585.
162 Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert. Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn, 21 (2008), p. 88.
163 Jan de Putter, Firapeel helpt!, in: Tiecelijn, 19 (2006), p. 218. Jan de Putter, ‘De val van een onwaardige priester’, p. 304 en p. 312 (noot 63).
164 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, p. 309-318 (Tabel II, oorkonden met Willem van Boudelo). Malfliet heeft regesten van 37 oorkonden verzameld. In vier regesten
wordt Willem van Boudelo niet aangeduid als broeder, de nrs. 21, 22, 26 en 27. Malfliet heeft juist deze vermeldingen ontleend aan een summiere tabel in het boek van Luykx. Luyckx vermeldt
dat het gaat om de ‘clericus’ Willem. Mogelijk heeft Luykx de aanspreektitel niet altijd overgenomen in de tabel. Aan nr. 21 is wel het zegel van ‘frere Willaume’ bevestigd. Theeo Luyckx, De grafelijke financiële bestuursinstellingen en het grafelijk patrimonium in Vlaanderen tijdens de regering van Margareta van Constantinopel (1244-1278), Brussel, 1961, p. 224-226.
165 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, p. 256-261. Over Malfliets interpretatievan het zegel, zie de recensie van J.W.J. Burgers, ‘Reynaert blijft ongrijpbaar [n.a.v. Rudi
Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten]’, in: Queeste, 18 (2011), p. 77-78.
166 VMNW s.v. convers. MNW s.v. convers.

p. 62

167 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 397. (vertaler), Beatrijs. Een middeleeuws Maria-mirakel, Amsterdam, 1995, p. 46-47.
168 Stefan Collini (red.), Interpretation and Overinterpretation, Cambridge, 1992, m.n. p. 26 (‘moderate’) en p. 53 (‘sacred text’). Kritische introductie op Eco en overinterpretatie: Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, p. 21-23.
169 Jozef Janssens, ‘Een meesterwerk van dubbelzinnigheid’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, Leuven, 1991, p. 178.

p. 63

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s