Reynaert door de ogen van een oorlogskind Een portret van G.-H. Arendt

In 1965 verdedigde Arendt zijn Inaugural-Dissertatation Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos Van den vos Reynaerde. De vragen die Arendt stelde waren geheel nieuw voor de Nederlandse reynaerdistiek en door zijn onderzoek verschoof de aandacht van de auteursvraag naar de boodschap van de tekst. Dat zijn grensverleggende dissertatie niet los gezien mag worden van de wonden die de oorlog had geslagen, is geheel onopgemerkt gebleven. Vanuit dit perspectief had hij de moed vragen te stellen aan een literaire tekst. Een portret van een man die als kind getekend werd door de oorlog en in de wetenschap een vluchtweg vond. Lees hier verder het artikel.

Arendt (2)

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Spiegeleffecten rond een middeleeuwse tekst Van den vos Reynaerde bewerkt voor groot en klein

n.a.v. Koos Meinderts (bewerker), De schelmensteken van Reinaert de Vos

Hoorn: Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, 2018. € 17,50

Dit is een uitgebreide en herziene versie van het artikel ‘Een weerspiegeling van een middeleeuwse bespiegeling’ dat 4 december op Neerlandistiek.nl geplaatst is. Voor een pdf: link naar pdf

 

omslag Reinaert Meinderts

Illustratie van omslag door Charlotte Dematons

“Heeft iemand de oorspronkelijke versie gelezen?”, vroeg Matthijs van Nieuwkerk in De wereld draait door, toen in november De schelmenstreken van Reinaert de Vos verkozen werd tot boek van de maand. Tot zijn schande moest hij bekennen dat, hoewel hij Nederlands gestudeerd had en hij over Van den vos Reynaerde examen had gedaan, het verhaal helemaal weggezakt was. Voor zulke mensen, – en daar hoort blijkens de reacties het hele boekenpanel van DWDD toe – is de fantastische bewerking van Koos Meinderts, waarvoor maar liefst 20 verschillende illustratoren 19 prenten gemaakt hebben. Fantastisch niet in de laatste plaats omdat het boek door de prenten en de tekst sterk de fantasie weet te prikkelen van groot en klein, zoals hij dat eerder deed in zijn kinderboeken en in teksten als ‘Mijn vader is een leugenaar’ voor het album Roltrap naar de maan van het Klein Orkest.

 

 

 

 

Het boek van Koos Meinderts is een soort roltrap die de lezer een gemakkelijke toegang lijkt te geven naar de middeleeuwen. De vormgeving van het boek deed sommige recensenten sterk denken aan een middeleeuws boek: op de ene pagina staat tekst met een fraaie initiaal, op de andere een grote prent. De prent van de ontucht met Hersint herinnerde mij trouwens sterk aan de middeleeuwse miniatuur waarop Reinaert het credo leert aan Cuwaert de Haas. Verschillende prenten lijken mij geïnspireerd door de laat vijftiende-eeuwse houtsneden, zoals de prent van de bode Bruun. De jeugdboekenschrijver Harm de Jonge tweette na de presentatie op kasteel Medemblik: “Met dit boek hadden de Middeleeuwers niet in donkere tijden geleefd”. Maar net zo min als er een roltrap naar de maan gaat, gaat er een naar de middeleeuwen.

 

Voor zijn bewerking heeft Meinderts gebruik gemaakt van de middeleeuwse tekst in de verouderde editie van Van Dis en de moderne berijmde vertaling van Walter Verniers uit 2012. Echter, alleen in het colofon is te lezen dat De schelmenstreken van Reinaert de Vos een bewerking is van een Middelnederlands verhaal. De verwijzingen naar ouderwetse gezelschapsspelletjes geven het verhaal wel een hedendaags, maar geen hip karakter: het speelt zich af in een wereld zonder computers, die volwassenen beter kennen. Door de taal die van deze tijd is, verbindt Koos Meinderts het verhaal met de belevingswereld van de hedendaagse, volwassen lezer. Taal die manipulatief is door de variaties op staande uitdrukkingen. “Wandaden tegen de dierlijkheid”, klinkt als een bekende formule. “Hanengeschrei” is door de allusie op een steeg in Utrecht mijn favoriete vondst.

 

Bij de doelgroep, kinderen van tien jaar en ouder, komt het over als een vreemd en wat merkwaardig verhaal, “maar verder prima”. Seks blijft niet onbesproken en het zit vol geweld. Het boek begint met de waarschuwing dat het ernstige schade aan de tere kinderziel kan toebrengen, maar echt eng wordt het niet doordat het over dieren gaat. Kinderen brengt het zo wel in aanraking met volwassen thema’s.

 

Reinaert is een leugenaar en bovendien is hij ook nog eens een valsspeler. Hij speelt vals bij monopoly, mens-erger-je-niet en stelt voor om een spelletje ‘levend’ ganzenbord te spelen. Reinaert weet zich toegang te verschaffen tot de slaapkamer van de wolvin door zich voor te doen als een vertegenwoordiger in naaimachines. Ik was al ver de kinderleeftijd voorbij toen ik begreep waarom het gehucht Driewegen bij Terneuzen ook wel het Naaikussen genoemd werd.

De haas Cuwaert wordt net als Flappie uit het liedje van Youp van ‘t Hek voorgezet als feestmaal en smakelijk opgegeten. Het is geïllustreerd met een bloederige prent.

 

Toch is het geweld afgezwakt. De pastoor krijgt een vlijmscherpe haal van de nagels van de kat over zijn klokkenspel, maar zijn teelbal verliest de pastoor net niet. Wat zijn huishoudster wel vreesde en in het oorspronkelijke verhaal daadwerkelijk gebeurde. Nog meer afgezwakt is de scène waarin Bruun door de dorpelingen mishandeld wordt. De beer krijgt alleen maar slagen van de dorpelingen. De schoolmeester komt met een Spaans rietje, mijnheer pastoor met een houten kruisbeeld en de smid met een roodgloeiende kachelpook. Ze willen hem allemaal “gratis en voor niks een klap op de kont verkopen”. In het middeleeuwse verhaal waren de dorpelingen uit op de huid van de beer en rekende Reinaert erop dat ze hem zouden doden. Het dier met de hoogste aaibaarheidsfactor in het verhaal wordt ontzien. Gruwelijke details worden wel degelijk de tere kinderziel onthouden. Zo getuigt deze tekst toch ook van het groeiend taboe rond geweld, dat in de middeleeuwen niet bestond.

 

Koos Meinderts heeft het middeleeuwse verhaal ook aanzienlijk bekort. Bewerkingen maken een verhaal meestal niet coherenter. Ook de bewerking van Koos Meinderts is niet zo hecht als zijn voorbeeld. Zo geeft hij geen reden waarom Reinaert met honing de beer verleidt. Reinaert was er in de middeleeuwse tekst op uit om Bruun de dood in te jagen, zodat hij er zich aan kon onttrekken om voor het gerecht te verschijnen. De bewerking van Meinderts vervalt door het ontbreken van dergelijke motivaties in een reeks schelmenstreken zonder al te veel interne samenhang tussen de episodes.

 

Een enkele maal slaat Koos Meinderts de plank mis, zoals wanneer gesproken wordt over ‘een verzegelde brief’, terwijl het volgens de middeleeuwse tekst gaat om een gezegelde brief en de prent in het boek ook een (tweede) gezegelde brief laat zien, waaraan het zegel van de koning hangt. Onbegrijpelijk is het dat Reinaert op bedevaart moet gaan omdat hij een priester verkocht had aan de duivel. In de bronnen staat het zo niet.

 

De passages die exegeten de meeste hoofdbrekens kosten, heeft hij meestal overgeslagen. Zo is de Cuwaertpassage is in de bewerking van Koos Meinderts gesneuveld. Het slot vertelt hij op eenvoudigere manier na.

 

Er bestaat onder onderzoekers geen consensus over de interpretatie van het slot en bijgevolg de strekking van het verhaal. In Meinderts’ bewerking willen de mishandelde Bruun de Beer en Isegrijn de Wolf zich pas met koning Nobel verzoenen, maar niet dan nadat de vorst een grote som geld heeft beloofd en hun toestaat om de vos “straffeloos” te vermoorden. De suggestie dat aan het einde het recht met voeten getreden wordt, lijkt mij naar middeleeuwse opvattingen onjuist. Verzoeningen na verminkingen gingen gepaard met het betalen van een grote som geld en elke vrije man had in de middeleeuwen het recht om wraak te nemen voor aangedaan onrecht. Zo gezien is het slot in overeenstemming met het middeleeuwse vigerende recht. (hier) Er zijn echter ook onderzoekers die menen dat in het slot recht moet wijken voor macht. (voor de discussie en de stand van het onderzoek klik hier en hier)

 

Koos Meinderts stelt in zijn bewerking thema’s als recht en rechtvaardigheid aan de orde. Waarom zou Reinaert moeten hangen voor het eten van kippetjes, als Tibeert muizen eet en de wolf Isegrijn jaagt op grote dieren. Wat is eerlijk? Wat is wijsheid? En wat is recht? Op de fraaie prent van Harmen van Straaten waar het proces tegen Reinaert is afgebeeld, staat in kleine lettertjes omgekeerd te lezen de nogal onmiddeleeuwse gedachte “Truth isn’t truth”. De rechtspraak van koning Nobel lijkt op de keper beschouwd het recht van de sterkste. Bij het boekenpanel van DWDD ging de sympathie dan ook uit naar de sluwe vos die op slinkse wijze wist te ontsnappen aan de strop. Reinaert is slecht, maar hij moet het zijn omdat hij leeft in een onrechtvaardige wereld.

HARMEN VAN STRATEN

 

Illustratie van Harmen van Straaten uit besproken boek

 

Van den vos Reynaerde wordt levend gehouden door bewerkingen als die van Koos Meinderts. Zijn bewerking past in een lange reeks van navertellingen en moderne vertalingen waarbij het verhaal een nieuwe betekenis krijgt. In de bewerking van Koos Meinderts fungeert het rijk van koning Nobel als het corrupte tegenbeeld van de moderne rechtsstaat. De vorst is omkoopbaar: Koning Nobel herroept zijn vonnis, nadat Reinaert hem een schat heeft beloofd. In het middeleeuwse verhaal maakt de koning gebruik van zijn prerogatief om genade te verlenen, wat naar middeleeuwse normen volkomen legaal is. (klik hier voor commentaar op het artikel over gratie in de Nederlandse grondwet)

 

Het oorspronkelijke verhaal gaat over een wereld waarin alleen nog maar de contouren van de moderne staat te zien waren. Zo verschijnt het woord corruptie pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw in de bronnen, op het zelfde moment dat een ambtelijke bureaucratie zich ontwikkelde. Moderne ideeën over een disfunctionerende overheid worden op de middeleeuwen geprojecteerd.

 

Voor velen van ons is Van den vos Reynaerde het schoolvoorbeeld van een ‘tijdloos verhaal’ over ‘middeleeuwse toestanden’. Een klassiek verhaal krijgt zo zijn kracht door culturele toe-eigening: een oud verhaal wordt aangepast aan de eigen tijd om een fictieve al dan niet duistere, ‘middeleeuwse’ wereld te creëren. Al wordt graag geloofd dat een navertelling de geest van het origineel weergeeft, het oude verhaal wordt geïnterpreteerd met de eigen, hedendaagse normen en waarden. Zo’n bewerking heeft zijn eigen culturele en literaire waarde.

 

De Reinaert onbevangen lezen is niet mogelijk. Niet alleen onze voor-oordelen over de middeleeuwen en het verhaal geven onze interpretatie richting, maar ook de interpretaties van talloze bewerkers, leraren, wetenschappers, kenners en zelfbenoemde specialisten reflecteren bij lezing van de middeleeuwse tekst. De originele tekst van Van den vos Reynaerde lezen, betekent dan ook zich in een spiegelpaleis begeven, waarin het originele verhaal op steeds andere wijze wordt weergeven en ook wel vervormd. Alleen door ons daar rekenschap van te geven, kunnen we ons proberen los te maken van op de tekst geprojecteerde ideeën. Niet zelden zijn dat voor de moderne lezer juist de ideeën die het verhaal betekenis geven.

 

Geplaatst in Boeken | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Greve en Grondijs, een dubbelportret Werkelijkheid en fictie in Terug tot Ina Damman

Eerder gepubliceerd in Vestdijkkroniek 132 (2018), p. 49-57.

 

Literatuur is geen getrouwe afbeelding van de werkelijkheid. Literatuur creëert een eigen realiteit. In een roman gebruikt en vervormt de schrijver zijn belevenissen om een eigen wereld te creëren, is een veel gehoorde opvatting.[1] De relatie tussen fictie en realiteit is vaak gecompliceerd, zoals ook in Vestdijks ‘debuut’ Terug tot Ina Damman, verschenen in 1934. Deze roman is sterk autobiografisch, maar het verhaal van Vestdijks hartstocht voor Lies Koning wordt op een hoger plan getild door zijn onbereikbare jeugdliefde om te vormen tot Ina Damman, een platonisch idee (I.D.) van zijn alter ego Anton Wachter.[2] In dit artikel wordt betoogd dat voor Anton Wachter zijn leraar Nederlands ook een I.D. is.

 

 

In Terug tot Ina Damman speelt Vestdijk met een werkelijkheid die zijn publiek kon herkennen. Dat gebeurt vooral in het portret dat Vestdijk schetst van Anton Wachters leraar Nederlands Greve. In dit artikel[3] is de aandacht gericht op een zeer humoristische passage over de totstandkoming van het Leidse proefschrift van Greve over de Reynaert. Vestdijk neemt hier de Reynaertstudie zoals die in Leiden bedreven werd danig op de hak. De geïdealiseerde voorstelling die de jonge Anton Wachter zich vormt van zijn wetenschappelijke gevormde leraar blijkt door de ironische distantie van de volwassen Vestdijk niet meer dan een illusie te zijn.

Voor de rest van het artikel, klik hier. Hier

 

 

 

 

[1] Wilbert van Walstijn, ‘Berichten van “geschoolde arbeiders”. Terugblik op de eerste Vestdijkbiografie’, in: Vestdijkkroniek 130 (2017), p. 12. Zie ook: Menno Postma en Arie Pos, ‘De Hellevaart van Hans Visser’, in: De Groene Amsterdammer d.d. 31 augustus 2002. Vergelijk ook de commotie rond het proefschrift van Onno Blom over Jan Wolkers. Marita Mathijsen stelde heel scherp dat fictieve teksten niet zonder meer gebruikt mogen worden voor het reconstrueren van de psyche van een schrijver. Marita Mathijsen, ‘Dit is waar de wetenschappelijke biografie aan moet voldoen’, in: NRC d.d. 17 november 2017.

[2] Wim Hazeu, Vestdijk, een biografie (Amsterdam, 2005), p. 173.

[3] Met dank aan Nolanda Klunder en Guus Boone voor hun hulp bij het schrijven van dit artikel.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Reynaert als politiek dier De lezing van Camille Huysmans,

Dit is een lang artikel over de Belgische polticus Camille Huysmans en zijn levenslange omgang met Reynaert de vos. Volledige tekst: Pdf: Reynaert als politiek dier-Tiecelijn 30

Le plus grand homme de Belgique
In 1965 schreef de Belgische koningin Elisabeth aan Camille Huysmans,
dat zij hem beschouwde ‘comme le plus grand homme de Belgique’.1 De socialist
Huysmans (1871-1968) belichaamde als niemand anders de contradicties
van het unitaire België.2 Als flamingant verdedigde hij de Belgische staat, als
belgicist propageerde hij het gebruik van het Nederlands. Gedurende zijn bijna
honderdjarige leven moest hij voortdurend culturele grenzen passeren, niet alleen
tussen het Nederlands en het Frans, maar ook tussen katholiek en antiklerikaal
en tussen de Nederlandse literatuurwetenschap en de politiek.
Geboren in het katholieke Bilzen in Limburg, kreeg hij een Franstalige
scholing aan het Tongerse Koninklijk Atheneum, waar hij beschouwd werd
als ‘een boerke’. Afkomstig uit een milieu waar het Limburgs dialect gesproken
werd, deed hij het aanvankelijk niet zo goed op een elitaire school waar Frans
de voertaal was. ‘Een ontgoocheling’, zoals voor de jonge Elsschot, werd zijn
bezoek aan het Atheneum niet. Samen met zijn verfransing gingen zijn schoolresultaten
vooruit.3 Huysmans bleef echter ook oog houden voor de Vlaamse
cultuur. Naast zijn studie aan de normaalschool in Luik volgde hij colleges
Germaanse filologie aan de Luikse universiteit. Zijn eindverhandeling aan de
normaalschool ging over de duivel in de Middelnederlandse literatuur. Daarna
is hij nog aan de universiteit begonnen aan een proefschrift over P.C. Hooft,
dat hij wegens andere werkzaamheden niet kon voltooien.4 Met die achtergrond
kon hij zich zijn hele leven als een uitmuntend letterkundige blijven beschouwen.
5 De manier waarop hij zijn onderwerpen benaderde, is echter gekarakteriseerd
als meer essayistisch dan strikt wetenschappelijk.6 (..)

Toen Huysmans na wat omzwervingen als leraar en promovendus in Brussel
ging wonen, verkeerde hij voornamelijk in Franstalige culturele kringen.

Foto van Camille Huysmans in de jaren dertig. Foto Amsab:

http://hdl.handle.net/10796/E80A4859-39A9-40D7-8B83-E44351DCCDCC

Voor zijn tweetaligheid was liefde de beste leermeester. In 1897 trouwde hij
met een Franstalig meisje uit Brussel. Hoewel zij eveneens afkomstig was uit
een Limburgse familie uit Bilzen, werd thuis bij Huysmans in Brussel Frans
gesproken.8 Zijn bijna perfecte tweetaligheid maakte het voor hem ook mogelijk
een prominente rol te gaan vervullen in de Belgische politiek, waarbij hij
meer dan eens politieke tegenstellingen zou kunnen overbruggen.
Huysmans’ lange politieke carrière is meer dan fascinerend. Vanaf 1905 was
hij secretaris van de Tweede Internationale. Zijn kennis van Frans, Duits, Engels
en Nederlands maakte hem bij uitstek daarvoor geschikt. Vanuit die functie had
hij voor de Eerste Wereldoorlog contacten met Lenin en Sun Yat-sen en kende
hij ook Stalin. Stalin betrok Huysmans bij de wapensmokkel naar Rusland,
maar de wapens werden onderweg in Terneuzen ontdekt.9
Tijdens de Eerste Wereldoorlog voerde hij het secretariaat in Nederland, wat
hem de gelegenheid gaf in 1917 een congres in Stockholm te organiseren waar
socialisten uit de oorlogvoerende landen over vrede spraken. Door zijn internationale
contacten met de socialistische beweging was Huysmans kosmopolitisch
ingesteld, maar dit kosmopolitisme kende wel zijn grenzen. Huysmans dacht in
stereotypen over andere volken. Zo heeft hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog
niet altijd even vriendelijk over de Nederlandse volksaard uitgelaten. De Nederlanders,
die een grote toestroom aan Belgische vluchtelingen moesten verwerken,
hadden ‘een dikke kop (= kaaskop, domkop, JdP) en kleine benen’ en ze gedroegen
zich als een kip die haar ei niet kwijt kon, zei hij in Rotterdam tot groot
vermaak van de vele Belgische vluchtelingen in de zaal.10

Van 1910 tot 1965 zetelde Huysmans in het parlement en was hij twee termijnen
Kamervoorzitter. Daarnaast vervulde hij van 1925 tot 1927 het ambt
van minister van Schone Kunsten en Onderwijs, was hij van 1933 tot 1940
burgemeester van Antwerpen en na de Tweede Wereldoorlog leidde hij kort
een kabinet (1946-1947). In het volgende kabinet bezette hij weer de post van
minister van Onderwijs (1947-1949). In 1965 werd hij wegens zijn hoge leeftijd,
hij was in de negentig, zeer tegen zijn zin geweerd van de kandidatenlijst
van de socialisten. Als onafhankelijke kandidaat slaagde hij er niet in herkozen
te worden. In 1968 overleed Huysmans op 96-jarige leeftijd.11
Blijvende roem heeft hij verworven door zijn betrokkenheid bij de strijd
voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Bij die strijd doorbrak
de socialist de ideologische grens tussen klerikalen en antiklerikalen en kwam
een verbond tot stand tussen Vlaamse liberalen, socialisten en katholieken.12
Het maakte de weg vrij voor een rooms-rode coalitie.13 Niet verwonderlijk is
dat juist bij deze strijd voor Vlaamse gelijkberechtiging zijn literaire en politieke
opvattingen samenkwamen.
Gedurende zijn hele lange carrière waren de literaire figuren Reynaert,
Uilenspiegel en het toneelkarakter van de duivel verweven met zijn actieve
politieke en persoonlijke leven. Met die figuren was hij voortdurend in gesprek
en zij zorgden voor een levenslange inspiratie.14 Huysmans’ spotlust
was legendarisch. Vooral katholieken waren er het slachtoffer van. Kort na
zijn studententijd bracht hij het verhaal in de wereld dat het middeleeuwse
handschrift van Veldekes Servaaslegende ontdekt zou zijn op een heimelijk
gemak waar het diende als toiletpapier. Waarschijnlijk heeft hij het verhaal
verzonnen.15
‘Hij zag zichzelf als een soort Tijl Uilenspiegel of Reinaert de Vos die het
recht had te pas en te onpas zijn omgeving voor schut te zetten’, schreef zijn biograaf
Jan Hunin.16 Zijn omgang met deze figuren maakte het hem echter ook
mogelijk om vriendschappelijke betrekkingen te onderhouden met andersdenkenden.
Algemeen werd hij vergeleken met zijn favoriete literaire personages.17
In 1933 schreef de Nederlandse Telegraaf dat Huysmans als een soort Reynaert
bekend stond.18 Naar verluidt was de enige priester bij wie hij de biecht
zou willen afgelegd hebben zijn vriend pater Jozef van Mierlo, de kenner van de
Middelnederlandse literatuur.19 Hier mag meer dan een spel achter vermoed
worden. Ik zal in dit artikel aannemelijk proberen te maken dat de socialist
Huysmans en de katholiek Van Mierlo intensief met elkaar hebben gediscussieerd
over de zedelijkheid van Reynaert.

 

 

In 1934 en 1935 hield Camille Huysmans twee lezingen voor de Cercle
Royal Artistique in Antwerpen, de stad waar hij toen burgemeester was. De
eerste lezing ging over ‘Le Renard et Ulenspiegel’. (…)
Met zijn lezing over Reynaert en Uilenspiegel heeft Huysmans de gevoelige
snaar geraakt van de Belgische identiteit. Voor Huysmans overstegen deze
figuren de dagelijkse realiteit van de politiek en fungeerden ze als bakens om
zijn politieke handelen richting te geven. Reynaert belichaamde voor hem de
klassenstrijd, Uilenspiegel de nationale vrijheidsstrijd tegen de tirannie. Gezamenlijk
staan zij voor de Belgische identiteit. Huysmans’ tekst is ten minste
zes keer in het Nederlands, tweemaal in het Frans en eenmaal in het Engels
gepubliceerd. In de loop van dit artikel zullen alle edities aan de orde komen.
Bovendien zijn in het jaar van zijn dood nog fragmenten van zijn lezing gebloemleesd
in een luxueus Uilenspiegelboek.26 Het grote succes van zijn lezingen
over Reynaert en Uilenspiegel wijst erop dat het te simpel is te denken dat
Huysmans deze figuren alleen maar voor zijn politieke karretje spande. Er is
meer met hen aan de hand.
Hier kruisen mijn beschouwingen over Reynaert en Uilenspiegel als nationalistische
iconen met die van de Antwerpse historicus Marnix Beyen in zijn
veelgeroemd essay over Tijl Uilenspiegel. Beyen vindt Huysmans’ publicatie uit
1937 van de lezing over Reynaert en Uilenspiegel ‘een merkwaardige studie’,
die hij moeilijk kan plaatsen. Beyen suggereert dat de liefde van Huysmans
voor Uilenspiegel als vrijheidsheld opflakkerde door zijn antifascistische engagement
in de Spaanse Burgeroorlog. Beyen heeft echter over het hoofd gezien
dat de tekst van het boekje teruggaat op lezingen gegeven voor de Burgeroorlog.
Ook verbaast hij er zich over dat Huysmans zijn held Uilenspiegel expliciet aan
de klassenstrijd onttrekt.27 De verklaring daarvoor is evneneens eenvoudig: de
rol van strijder voor sociale gerechtigheid kende Huysmans aan Reynaert toe.
Tijl en Reynaert zijn in Huysmans’ visie elkaars complement. Hij noemt ze
‘types de contraste’.28 De figuren kunnen bij Huysmans niet los van elkaar gezien
worden en dienen dus samen te worden bestudeerd. Zijn werkwijze kan
nog het best omschreven worden als ‘bricoleren’. Het concept is geïntroduceerd
door de antropoloog Claude Levi-Strauss en wordt nu vrij algemeen gebruikt
om te beschrijven hoe een eigen identiteit in elkaar geknutseld wordt door gebruik
te maken van bestaande mythische verhalen.29
De Uilenspiegel van Charles de Coster werd geboren in een Brussels, Franstalig,
Belgisch-patriottisch en hevig antiklerikaal milieu. In zijn essay beschrijft
Beyen hoe Uilenspiegel van een Belgische patriot veranderde in een
flamingant.30 Volgens Beyen kon Uilenspiegel tot een Vlaams icoon uitgroeien,
doordat het literaire karakter van het Uilenspiegelverhaal de interne contradicties
in het onsamenhangende discours van de Vlaamse beweging kon overstijgen
en ‘zodoende eenheid kon verschaffen aan een gefragmenteerd Vlaams
vertoog’. Geen Belgische vrijheidsheld kende zoveel succes als Uilenspiegel,
noch Jan Breydel, noch Jacob van Artevelde, noch Frans Anneessens. Volgens
Marnix Beyen kwam dat doordat hij als een fictief personage niet ontmythologiseerd
kan worden.31 Als een pionier van de Vlaamse humor trad Uilenspiegel
op – het woord ‘guitig’ valt meer dan eens – waardoor hij een breder publiek
kon aanspreken dan alleen uitgesproken Vlaamse nationalisten en zo ook deel
uit ging maken van de Vlaamse folklore.32
Hetzelfde gold ook voor de ‘schalkse’ Reynaert. Niet ten onrechte haalt
Gaston Durnez de woorden van Huysmans aan, dat Reynaert en Uilenspiegel
‘de twee meest karakteristieke satirische personages van onze nationale literatuur
zijn’ wanneer hij het over Vlaamse humor heeft. Zij werden in de opvatting
van Durnez van legendarische volkse grapjassen tot nationale zinnebeelden
die de Vlaamse geest en geestigheid incarneerden.33 Huysmans doelde in
zijn lezing echter opmerkelijk genoeg niet op de Vlaamse maar op de Belgische
literatuur.
De tekst van Huysmans’ lezing over Reynaert en Uilenspiegel zoals die
gepubliceerd is in het boekje Quatre Types heeft tot nu toe in het onderzoek
centraal gestaan. We zullen echter zien dat dit niet de oorspronkelijke tekst is.
Eerst wil ik de genese van deze tekst in kaart proberen te brengen en vervolgens
onderzoeken wat de doorwerking van de tekst was na 1937. Van de tekst verschenen
steeds nieuwe versies en niet zelden is ook iets bekend over de reacties
van het publiek. Om dat te achterhalen maak ik gebruik van het digitale krantenarchief
van de Nederlandse Koninklijke Bibliotheek, beschikbaar via de
website http://www.delpher.nl. Dat wil niet zeggen dat ik daarbij Belgische bronnen
geheel over het hoofd gezien heb. Ik heb ook de socialistische krant Vooruit en
de katholieke Gazet van Antwerpen kunnen raadplegen.34 Grote verrassingen
leverde een onderzoek van deze kranten overigens niet op. De culturele berichtgeving
in Nederland stond beslist op een hoger peil. Nederlandse kranten
hielden nauwlettend in de gaten wat er in België gebeurde, namen berichten
over en beschikten bovendien over goedingelichte correspondenten die in Nederlandse
kranten de ruimte kregen om uitvoerig verslag te doen.35

Chronologie Camille Huysmans en de Reynaert
1916 Artikel in Vrij België over de vernederlandsing van de Gentse
universiteit
1922 Debatten in de Kamer over de vernederlandsing van de
Gentse universiteit
1923 Lezing over Reynaert in Feestlokaal Vooruit in Gent
1928 Artikel in De Vooruit over Reynaert en Uilenspiegel
1932 Lezing op huis Frankendael in Amsterdam over Reynaert en
Uilenspiegel
1933 Discussie met Menno ter Braak
1934 Lezing bij de Cercle Royal in Antwerpen over Reynaert en
Uilenspiegel (Gepubliceerd in Quatre Types, Antwerpen,
1937, p. 9-36)
1935 Lezing bij de Koninklijke Vlaamse Academie in Gent over
Reynaert en Uilenspiegel (Gepubliceerd in Verslagen en Mededelingen,
(1935), p. 555-570)
Lezing voor de V.A.R.A.-radio in Nederland over Reynaert en
Uilenspiegel (Gepubliceerd in De socialistische gids, 20, 1935,
p. 643-654)
1936 Bibliofiele uitgave Over Reynaert en Ulenspiegel met houtsneden van
Joris Minne
1942 ‘Reynard the Fox and his descendants’, in: Belgium, 3 (1942),
nr. 2, p. 6-10
1947 Lezing voor het Comité voor Belgisch-Nederlands-Luxemburgse
samenwerking. (Gepubliceerd in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, 2
(1947-1948), p. 487-506) (Herdruk in: Camille Huysmans, een levensbericht
gevestigd op persoonlijke getuigenissen en eigen werk, Hasselt,
1961, p. 228-238)
1966 Uitgave Quatre Types en Vier Kerels met daarin een herdruk
van de lezing uit 1935
Door de tekst door de tijd heen te volgen kan worden onderzocht hoe steeds
weer een nieuwe betekenis werd toegekend aan een tekst die slechts op details
werd aangepast. Huysmans’ lezing over Uilenspiegel en Reynaert moet gezien
worden tegen de achtergrond van een discours, een voortdurende gedachtewisseling,
over de verhoudingen tussen de Vlaamse, Belgische en Nederlandse
identiteit. De figuren Reynaert en Uilenspiegel belichamen voor Huysmans het
verleden van de Belgische natie en wijzen de weg naar de toekomst. Ze zijn ook
een integraal deel van de persoonlijkheid van Camille Huysmans. Huysmans’
persoonlijke relatie met Reynaert en Uilenspiegel illustreert de desintegratie
van de unitaire staat en de genese van een Vlaamse identiteit.36 Wat mij hier
bijzonder interesseert, is hoe hij die Belgische identiteit afbakende tegenover
de Nederlandse en hoe daarop gereageerd werd door Nederlandse geleerden
en kunstcritici. Zij waren in staat om Huysmans’ Reynaertinterpretatie langs
de meetlat van het canonieke, middeleeuwse origineel leggen.

Voor de volledige tekst Pdf:Reynaert als politiek dier-Tiecelijn 30

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

‘De Lotushouding heeft hij onder de knie’ Jan de Putter

Eerder gepubliceerd in Tiecelijn 30. Jaarboek 10 van het Reynaertgenootschap, p. 341-342.
Tussen 13 mei en 5 augustus 2016 werden de lezers van NRC Handelsblad op de achterpagina van hun lijfblad verblijd met het feuilleton Van den
vos, geschreven door het enfant terrible van de Nederlandse literatuur, Anton
Dautzenberg. ‘Elke tijd krijgt de Reynaert die het verdient, vandaar dat A.H.J.
Dautzenberg met zijn 21ste-eeuwse versie van Van den vos Reynaerde komt’,
zo werd elke aflevering ingeleid. In dit verhaal is de vos de oude niet meer. De
tijd dat hij met zijn wapenbroeder De Wolf de Wildernis onveilig maakte is al
lang voorbij. Hij droomt ervan om zijn kinderen te laten zien hoe je met list en
bedrog de anderen de baas kan zijn en zo de Wildernis onveilig maken. De Vos
is in een scheiding geraakt en leeft nu in de Stad in een Vinex-wijk: gelijksoortige
gevels, uniforme huisdeuren, keurig aangeharkte voortuintjes. ‘De Vinex
wijk kent u natuurlijk als geen ander, dus u begrijpt de verstopzucht van De
Vos’, spreekt Dautzenberg de lezers van de NRC aan.
Ook in De Leeuw kan de lezer van de NRC zich inleven: ‘U kunt vast begrip
opbrengen voor De Leeuw, u leeft immers voorzichtig, ook u loopt in uw
leven liever geen onnodige risico’s.’ De Leeuw heeft problemen, de Wildernis
is op drift geraakt. Zijn raadgevers verschillen van mening over het waarom.
De Hond heeft opiniepeilingen gehouden. Zou hij de voornaam Maurice hebben?
De resultaten van zijn enquêtes zijn in ieder geval weinig eenduidig. De
Leeuw houdt hem voor: ‘Vorige week beweerde je met grote stelligheid dat de
kloof tussen dit en dat, tussen zus en zo, dat onevenwichtigheid de oorzaak
was van de groeiende onrust. En nu zijn het weer vreemde invloeden?’ Later in
het verhaal blijken de vreemde invloeden rode oogjes in de Wildernis te zijn,
weerspiegelingen van de angsten van de brave burger.
De Leeuw wil De Vos inschakelen om de problemen in de Wildernis op te
lossen. De Vos is weinig genegen om zijn medewerking te verlenen, want De
Leeuws medewerker De Wolf is er met zijn vrouw vandoor gegaan en woont
nu in Maupertuus. ‘Ook hij had de vrouw van zijn partner weleens bepoteld,
maar dat was slechts een libertaire handeling, een anarchistische daad, zo ging
dat indertijd.’ Door de scheiding is zijn leven ontregeld. De Vos reageert niet
op mailtjes en telefoontjes van De Beer en De Kat, gegrepen door angst, bang
om afgewezen te worden en bevreesd voor de confrontatie met De Wolf. Uiteindelijk
besluit De Leeuw zelf te gaan.
De Vos heeft zich opgesloten in zijn huis en verdoet zijn tijd met meditatie.
Hij is op zoek naar de hunkering van het niet-bestaan. De Vos heeft al ‘de
Lotushouding […] onder de knie, maar de deur naar het onderbewustzijn blijft
dicht.’ Het bezoek van De Leeuw gaat dat veranderen …
Dautzenberg heeft een fabel geschreven over het moderne leven in een Vinex-
wijk. ‘Laten we nog even meeluisteren, misschien kunnen we lessen trekken
uit de gebeurtenissen.’ In een moderne samenleving worden conflicten niet
meer opgelost als in de middeleeuwen. Brute kracht, list en bedrog als in het
middeleeuwse voorbeeld hebben afgedaan, tegenwoordig worden conflicten
opgelost met mindfulness. Het levert een hilarisch en een onheilspellend slot
op. Dautzenberg heeft namelijk twee versies van het slot geschreven, een dystopisch
slot voor de pessimisten en een homo-erotisch slot voor de gelovigen in
licht en liefde.
Het lijkt alsof het verhaal geen expliciete moraal heeft, maar in aflevering
zes schrijft Dautzenberg wel iets dat er dicht bij komt. In uitermate fraai geformuleerde
zinnen zegt de verteller het volgende:
Ja, ook ik zie in de Wildernis onrust ontstaan, maar wat precies de
oorzaak is, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ik ben geen journalist,
complottist of wetenschapper. En nu terug naar het verhaal, want metaverhandelingen
zijn uit de mode, het leven moet klein en knus blijven.
Het zal duidelijk zijn: Dautzenberg richt zijn pijlen op wollige, psychoprietpraat
en de theemutsmentaliteit. Het is een satire op het burgerlijke leven
van de NRC-lezer voor wie loslaten belangijker is dan de confrontatie zoeken.
Dautzenbergs feuilleton is tenenkrommende humor, heerlijk!

Anton Dautzenberg, Van den vos, in: NRC Handelsblad, 13 mei-5 augustus
2016.

Geplaatst in Boeken, Geen categorie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

EEN JONGE DOCTOR IN DE SCHADUW VAN EEN GROOT VLAAMS GELEERDE N.a.v. Edouard Léonard, Een studie over het probleem van de Reinaert-proloog (onuitgegeven proefschrift, Luik, 1949),

eerder gepubliceerd in: Tiecelijn 29, [Jaarboek 29 van het Reynaertgenootschap], p. 119-131.

 

Een pdf van dit artikel is te vinden op: https://www.academia.edu/30247691/Een_jonge_doctor_in_de_schaduw_van_een_groot_Vlaams_geleerde

Weet iemand meer over Edouard Léonard. In 1949 woonde hij in Verviers. Was hij daar leraar?

Est-ce qu’il y a quelqu’un qui sait plus de Edouard Léonard?  En 1949 il habitait à Verviers. Etait-il là professeur?

 

 

 

 

In het vorige jaarboek van Tiecelijn heeft Joep Leerssen uiteengezet hoezeer filologen in de negentiende eeuw door hun onderzoek naar de bronnen van de Reynaert een claim konden leggen op het verhaal als nationaal erfgoed: Frans, Vlaams, Duits of Nederlands.(1) Zelf heb ik in hetzelfde jaarboek summier beschreven hoe onderzoekers als F. Buitenrust Hettema, J.W. Muller en pater J. van Mierlo S.J. zich elk op hun eigen manier het werk toe-eigenden, waardoor in de eerste helft van de twintigste eeuw de discussie tussen deze wetenschappers hoog kon oplopen.(2) Daarmee is zeker nog niet alles gezegd. Onbelicht zijn de vak-interne aspecten gebleven. Er bestaat geen goed inzicht in welk opzicht het debat over de proloog bijgedragen heeft tot de filologische methode. Deze filologische discussie is echter al in 1949 op een voorbeeldige, maar partijdige wijze in kaart gebracht in een Luiks proefschrift dat nooit in de openbaarheid is gekomen. Dat het proefschrift van Edouard Léonard niet verspreid is, valt te betreuren, want zijn dissertatie is nog steeds van waarde voor onderzoekers. Dit werk wil ik hier voorstellen.

De discussie over de proloog heeft grote invloed gehad op de Reynaertfilologie en bleef niet zonder gevolgen voor het vak. Een belangrijk deel van de Reynaertpublicaties voor 1950 ging over de juiste lezing van de proloog. Vanaf de jaren dertig van de negentiende eeuw tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was de interpretatie van de Reynaertproloog een van de kernproblemen van de neerlandistiek. De filologische methodologie werd aan de hand van de proloog van de Reynaert

onderwezen. Zo werden in de veelgebruikte Nederlandse schooleditie van Zaalberg de eerste 10 verzen van de proloog parallel uitgegeven naar het Comburgse en Dyckse handschrift, met daaronder de reconstructies van Muller en Van Mierlo. (3)Ook in de twee andere, veelgebruikte edities van Van den vos Reynaerde werd de opvatting van Van Mierlo tegenover die van Muller geplaatst. De Nederlandse uitgave koos voor de lezing van Muller, de Vlaamse volgde de interpretatie van Van Mierlo. (4)

Al in de jaren dertig van de twintigste eeuw werd de klacht gehoord, dat de literatuur over de

Reynaert en in het bijzonder de discussie over de proloog schier onoverzichtelijk was. In 1933 constateerde Rob. Roemans dat het Reynaertprobleem nog niet opgehelderd was en de reeds uitgebreide literatuur nog steeds aangroeide.(5) Kort na elkaar, in 1938 en 1939 verschenen artikelen van Leonard Willems en Rob. Roemans waarin voor niet-ingewijden de discussie werd verhelderd.(6) Tien jaar later promoveerde Eduard Léonard ‘avec distinction’ (7) in Luik tot doctor in de Germaanse filologie op een zeer uitvoerige studie over ‘het probleem van de Reinaert-proloog’ waarin hij een uitputtend overzicht geeft van de discussie over de Reynaertproloog tussen de eerste publicatie van Jan Frans Willems in 1836 en de ‘definitieve oplossing’ door pater Van Mierlo in 1942.(8) De Luikse hoogleraar R. Verdeyen had al voor Léonards promotie de wenk gegeven dat over dit onderwerp een prijsvraag uitgeschreven kon worden door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. In 1950 kon deze studie worden bekroond door de Academie en voorgedragen worden voor publicatie. Van Mierlo schreef wel in zijn verslag: ‘Ik vreesde dat, blijvende bij de gestelde vraag, een uitvoerige behandeling de wetenschap eerder zou kunnen schaden, ja belachelijk maken, door het belang dat er door aan enkele verzen zou worden gehecht. En ik moet bekennen, dat ik door het ingezonden werk niet geheel van die vrees ben verlost.’ (9)In deze opmerking is een echo te horen van eerdere kritiek op de Reynaertonderzoekers. Er was vossenjagers verweten dat zij zich blind tuurden op de proloog in de waan daar de oplossing te vinden van het Reynaertraadsel. (10)Niettegenstaande deze bedenking was zijn verslag uitermate lovend en als het werk voor publicatie bekort zou worden, dan zou het werk een uitermate belangrijke bijdrage aan de Reynaertstudie zijn.

Tot een publicatie van Een studie naar het probleem van de Reinaert-proloog is het nooit gekomen. De Academie had een achterstand bij het publiceren van bekroonde werken. Proefschriften die het oordeel ‘met de grootste onderscheiding’ ontvangen hadden, kregen prioriteit. Zo kon het gebeuren dat van deze dissertatie niets meer vernomen is tot vorig jaar weer een getypt exemplaar werd ontdekt in de archieven van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde (KANTL) – inmiddels is het ‘Vlaamse’ uit de naam van de Academie verdwenen – in Gent.(11) Voor zover ik weet, zijn er slechts twee kopieën van de dissertatie bewaard. Daarvan is het exemplaar in de Luikse universiteitsbibliotheek niet beschikbaar wegens schimmelvorming. (12) Het proefschrift is nu nog alleen maar raadpleegbaar in de KANTL, waar het in het archief bewaard wordt onder de signatuur F1/A en F1/B.

 

De dissertatie van Léonard

 

Het  typoscript  van  Léonards  dissertatie  is  een  van  de  verborgen  schatten  van de KANTL. De studie omvat maar liefst 457 dicht betypte pagina’s tekst en nog eens 283 pagina’s bibliografie en voetnoten. Het werk bestaat uit vier delen:

 

Deel I Inleiding tot de proloog-studie                                   p. 1- 23

Deel II Tekstkritiek                                                                        p. 24-157

Deel III Het proloog-probleem: de hypothesen                               p. 158-438

Deel IV Besluit                                                                          p. 439-457

Deel  II  met  het  filologische  commentaar  op  de  proloog  wilde  Van  Mierlo  grotendeels  schrappen,  maar  voor  het  hoofdstuk  over  de Madoc  had  hij  veel lof. Het is een uitvoerige bespreking van de verschillende hypothesen die naar voren gebracht zijn over wat voor werk de

Madoc  zou kunnen zijn. Zijn werkwijze is vergelijkbaar met die van de bibliograaf Rob. Roemans, die in die jaren veel opgang maakte. Moderne onderzoekers als Frits van Oostrom en Alexia Lagast  hadden  er  hun  voordeel  mee  kunnen  doen  bij  hun  bespreking  van  de  verschillende theorieën over de Madoc. (13)  Léonard concludeerde na zijn exhaustief overzicht dat ‘al de pogingen (om de Madoc te identificeren) tenslotte niet doeltreffend’  zijn.  ‘De  resultaten  waartoe  de  naspeuringen  hebben  geleid  zijn  niet  zelden  onevenredig  aan  de  aanhoudende  inspanning,  die  zij  vereist  hebben’ (p. 157). De manier waarop hij de Madoc  benadert is ook typerend voor zijn werkwijze in deel III, de kern van zijn proefschrift.

Deel III is een bibliografisch overzicht van de studie naar de Reynaertproloog,  waarbij  hij  verschillende  hypothesen  met  elkaar  confronteert.  Zijn  methodologische richtlijn daarbij was het adagium: ‘du choc des opinions jaillit la vérité’ (p. 403). Daarvoor moet men afzien van ‘ideologie of stelsel’ (= theorie, JdP).  Léonard  staat  duidelijk  een  positivistische  wetenschapsinstelling  voor: als de feiten maar op een rijtje worden gezet, volgt vanzelf de juiste conclusie. Deze  insteek  vinden  we  tegenwoordig  wellicht  naïef,  maar  het  heeft  wel  een  zeer systematisch opgezette studie opgeleverd, waarin het verloop van de discussie helder weergegeven is.

Het  is  typerend  voor  Léonards  grondigheid  dat  hij  nagenoeg  alles  heeft geraadpleegd  wat  ooit  is  geschreven  over  de  Reynaertproloog  vanaf  Jan  Frans  Willems tot zijn eigen tijd, meer dan 400 publicaties. Voor mij stonden er veel onbekende publicaties in de literatuurlijst. Aan Léonards aandacht was alleen een publicatie van Rob. Roemans in een vaktijdschrift voor middelbare scholen ontsnapt.(14)  Steeds  geeft  hij  de  opvattingen  van  de  verschillende  onderzoekers weer met de kritiek die daarop geuit is. Doordat hij gebruikmaakt van treffende citaten,  komt  de  discussie  tot  leven.  Zijn  eigen  oordeel  steekt  hij  daarbij  niet  onder stoelen of banken. Er valt dan ook goed te volgen hoe de discussie zich ontwikkelde en wat de invloed van de ene wetenschapper op de andere was.

De  studie  vangt  aan  met  de  editie  van  J.F.  Willems  uit  1836.  Léonard  laat daarbij niet onbesproken wat de invloed van J. Grimm op de vader van de Vlaamse  beweging  was.  Volgens Léonard  heeft  Willems  zijn  theorie  over  de  Reynaert gebouwd  op  de  idee  van  Grimm  dat  een  der  bekende  branches  van  de  Roman de Renart  het voorbeeld kan zijn van de Vlaamse Reynaert. Willems was de opvatting  toegedaan  dat Reinaerts  historie geschreven  is  door  Willem  Utenhove, een  priester  uit  Aardenburg,  in  het  midden  van  de  dertiende  eeuw.  Deze  Willem schreef een vervolg op Van den vos Reynaerde dat omstreeks 1170 geschreven zou  zijn.  Het  oudste  deel  van  Willem  Utenhoves  werk  zou  een  oorspronkelijk  Vlaams verhaal zijn. Ook het eerste verhaal uit de Roman de Renart, Le Plaid, zou erop gebaseerd zijn. De opvattingen van Willems zijn niet onbesproken gebleven.

Het is volgens Léonard diep te betreuren dat de kritiek van de Luikse hoogleraar J.H. Bormans op Willems nooit gehoor heeft gevonden. Bormans maakte er onder meer bezwaar tegen dat de Reynaertproloog door Willems niet aan de  oorspronkelijke  dichter  Willem  toegeschreven  werd.  Volgens  Van  Mierlo  moet dat deels aan hem zelf te wijten zijn: Bormans heette excentriek en ouderwets  zodat  de  wetenschappelijke  wereld  enigszins  wantrouwig  tegenover  zijn  ideeën stond.(15)  Léonard suggereert dat twintig jaar later W.J.A. Jonckbloet de kritiek van Bormans zonder bronvermelding overgenomen heeft. De paragraaf waarin hij dat beweert, heeft zelfs het motto meegekregen ‘Geef den keizer wat des keizers is… Matth. XII/21’. Jonckbloet ging echter verder en betoogde dat Willems  het  fout  had  door  te  stellen  dat  onze Reynaert  de  bron  was  voor  de Franse Renart. Het omgekeerde is het geval: Van den vos Reynaerde  gaat terug op een Frans voorbeeld. De invloed van Jonckbloet was niet te onderschatten. Léonard schrijft: ‘naar zijn (ten dele) nieuwe theorie richten zich allen’ (p. 203).

W.L.  van  Helten  en  F.  Buitenrust  Hettema  kwamen  tot  een  verschillende  interpretatie  van  de  proloog.  Van  Helten  was  enthousiast  beoefenaar  van  tekstreconstructie en herschreef de eerste 10 verzen. Vers 6 uit Comburg, ‘Die Willem  niet  hevet  vulscreven’,  werd  bij  hem  ‘Die  wel  nutte  ware  bescreven’!  Geheel  tegengesteld  aan  de  werkwijze  van  Van  Helten  is  die  van  Buitenrust  Hettema. Léonard plaatst als motto boven de paragraaf over Buitenrust Hettema ‘manum de tabula’, vrij vertaald ‘handen af van het kunstwerk ’. Volgens Buitenrust  Hettema  moest  men  de  handschriften  respecteren:  emendaties moeten  vermeden  worden.  Wel  meende  hij  dat  de  verzen  1-10  niet  van  Willem af komstig waren, maar toegevoegd zijn door een editeur. Als Léonard de opvattingen van Van Helten met die van Buitenrust Hettema vergelijkt dan ‘is het of ons een emmer kilkoud water over de rug gegoten wordt, dan blijven wij met de handen in het haar zitten. En wij beginnen allengs te wanhopen aan de mogelijkheid zelf van één oplossing die algemene goedkeuring zou wegdragen.’ In  de  jaren  na  Van  Helten  en  Buitenrust  Hettema  zal  volgens  Léonard  het  onderzoek op een dwaalspoor geraken.

Leonard Willems’ bijdrage aan de discussie over de proloog noemt Léonard de  meest  opzienbarende  van  de  negentiende  eeuw.  In  zijn  bijdrage  uit  1897 volgde L. Willems de opvatting van Buitenrust Hettema. Ook hij is van mening dat er zo weinig mogelijk veranderd mag worden aan de tekst. Hij maakte ook bezwaar tegen de emendaties van Van Helten en geestverwanten, die volgens hem de woorden van de proloog slechts veranderen ‘om door den tekst te doen zeggen… het tegendeel van hetgeen er in staat’ (p. 226). Toch stelde hij zelf ook een hoogst opmerkelijke emendatie voor. Hij merkte op dat in de eerste 9 verzen van de proloog tweemaal de naam Willem staat, in het vers 1 en in vers 6. Hij vermoedde dat wanneer de naam een tweede keer genoemd wordt, er oorspronkelijk een andere naam zou hebben gestaan. De gedachte van zijn naamgenoot J.F. Willems dat de Reynaert  het werk van twee auteurs zou zijn, was volgens Leonard Willems dan ook zo gek nog niet. Léonard Willems dacht dat een Willem het eerste gedeelte tot ongeveer vers 1750 geschreven had naar zijn  Franse  bron.  Het  tweede  gedeelte  zou  een  omwerking  zijn  van  de  tekst  van een tweede dichter. Deze ‘vernuftige hypothese’ van Willems was volgens Léonard ‘de bron van alle kwaad’ (p. 228). Willems’ idee dat er twee schrijvers waren, heeft een grote invloed op de Leidse hoogleraar J.W. Muller gehad.

Leonard  Willems’  emendatie  werd  echter  wel  bevestigd  door  de  ontdekking  van  het  Dyckse  handschrift  in  1907.  In  plaats  van  dat  de  ontdekking  van  een  tweede handschrift de oplossing van het Reynaertprobleem dichterbij bracht, was het omgekeerde het geval. Tijdens het interbellum ontstond een verhitte discussie tussen heren op leeftijd. De belangrijkste protagonisten waren J.W. Muller (1868-1945), Leonard Willems (1878-1938) en pater J. van Mierlo s.j. (1888-1958). Het verslag van deze filologenstrijd beslaat de meeste pagina’s in het proefschrift. Verrassend was voor mij dat Leonard Willems een nog belangrijker aandeel had in de discussie dan ik me al realiseerde. Hij probeerde een matigende rol te spelen in de strijd tussen de kemphanen Muller en Van Mierlo.

Alle  drie  wijzigden  ze  hun  opvatting  tijdens  de  discussie.  Hoewel  Muller altijd is blijven vasthouden dat de Reynaert geschreven was door twee dichters, dacht hij eerst dat Willem de schrijver van het eerste deel was en kwam later tot  het  inzicht  dat  hij  de  schrijver  van  het  tweede  deel  moest  zijn.  Leonard  Willems  verliet  in  1920  het  idee  dat  de  Reynaert  geschreven  was  door  twee  auteurs  en  meende  nu  dat  Arnout  de  schrijver  was  van  een  verloren  gegane proto-Reynaert.  Pater  Van  Mierlo  heeft  altijd  vastgehouden  aan  het  idee  dat de Reynaert  van  de  hand  van  één  dichter  was.  Eerst  meende  hij  nog  dat  Arnout  een  Vlaamse  schrijver  was  waarop  branche  I  van  de  Franse  Roman  de  Renart terug  zou  gaan,  maar  ook  hij  veranderde  van  gedachte  en  meende  later  dat  met  Arnout  de  schrijver  van  de Roman  de  Renart  bedoeld  werd.  De  discussie liep hoog op tijdens de jaren dertig. In 1938 verschenen er artikelen van  de  hand  van  Muller,  Willems  en  Van  Mierlo  over  de  proloog.  Een  paar  jaar  later  herhaalde  Muller  zijn  opvattingen  in  zijn  Reynaerteditie.  Toen  de  Duitse  hoogleraar  Frings  in  1941  in  een  lange  recensie  beweerde  dat  Muller  een ‘Schlußstrich’ onder het ‘philologische Gezänk ’ had gezet, reageerde Van Mierlo  daarop  in  1942  met  een  artikel  dat  hij  de  titel  meegaf  ‘De  definitieve  oplossing  inzake  den  Reinaert-proloog’,  waarin  hij  eerst  de  methodologische regels uitlegde en vervolgens afrekende met de opvattingen van J.W. Muller en de inmiddels overleden L. Willems.(16)

Een verdienste van Léonards proefschrift is dat hij de argumenten pro en contra de verschillende opvattingen uiterst consciëntieus weergeeft. Ik beperk me hier tot zijn weergave van de redenering van Van Mierlo, die door zijn polemische  stijl  de  filologische  strijd  nog  hoger  deed  oplaaien.  Allereerst  vond  Van Mierlo dat L. Willems te veel emendeerde. Van Mierlo kan zich ook niet vinden in de opvatting van Willems dat er al verhalen in het Diets zouden circuleren, omdat de dichter Willem volgens hem benadrukt dat hij de eerste is die de Roman de Renart  uit het Frans vertaald heeft. Léonard neemt dat argument over. Naar mijn mening heeft Willems wel degelijk een punt wanneer hij wijst op het belang van een orale traditie. Willems heeft vaak hoogst interessante ideeën, die niet altijd even overtuigend gepresenteerd worden, maar dit terzijde.

De behandeling van de discussie tussen Muller en Van Mierlo was voor mij een eye-opener door de manier waarop Léonard helder uiteenzet hoe verschillend  Muller  en  Van  Mierlo  de  proloog  lezen.  Cruciaal  voor  de  interpretatie  van vers 6, ‘die Arnout/Willem niet hevet vulscreven’, is het voorgaande vers 5, ‘in Dietsche onghemaket bleven’. Muller begrijpt ‘onghemaket’ als nog niet voltooid, wat zou impliceren dat er twee auteurs waren, terwijl Van Mierlo dat leest  als  ‘onbehandeld’,  wat  zou  betekenen  dat  er  maar  één  auteur  was:  Willem.  Arnout  moest  dus  wel  verwijzen  naar  een  Franse  dichter.  Paleografisch  lagen  de  namen  Arnout  en  Perrout  volgens  Van  Mierlo  dicht  bij  elkaar.  Om  zijn interpretatie kloppend te maken, behoefde Van Mierlo de tekst maar op één plaats te emenderen, enkel de ontkenning ‘niet’ schrappen in vers 6. Volgens Van Mierlo drong deze emendatie zich op; het behoud van ‘Arnout’ was gewaagd!  Middeleeuwse  kopiisten  hadden  volgens  de  geleerde  niet  begrepen  dat het om de Franse dichter ging en hadden de ontkenning toegevoegd. Vanzelfsprekend  vond  Van  Mierlo  ook  dat  Muller  te  veel  emendeerde.  Het  laatste  woord  over  het  Reynaert-probleem  komt  in  Léonards  studie  toe  aan  Van  Mierlo. Zijn argumenten worden niet weersproken.

In zijn slotbeschouwing probeert Léonard de discussie over de Reynaertproloog  te  overstijgen  door  de  methodologische  uitgangspunten  te  overdenken.  Zo  maakt hij de interessante observatie dat naargelang de visie van de onderzoeker op de genese en compositie van de Reynaert anders is, de interpretatie van de proloog en met name het beruchte vers 6 ‘Die Willem/Aernout niet en hevet vulscreven’ verschilt. Hij pleit voor een onderzoek naar de relatie van de Reynaert  met de Franse Roman de Renart en de Duitse Reinhart Fuchs. In bedekte termen suggereert hij dat de opvatting van Van Mierlo getoetst moet worden, waarmee ook detwee-auteurshypothese  naar  het  rijk  der  fabelen  verwezen  zou  kunnen  worden.  Dat zou Van Mierlo’s oplossing echt definitief maken. Die uitlating kwam hem op een kleine reprimande in het juryrapport van Van Mierlo te staan! (17)

Niettegenstaande een kritische noot heeft Van Mierlo toch volgens Léonard ‘in zijn nauwkeurig onderzoek de proloogtekst als een samenhangend en organisch geheel beschouwd en een scherpzinnige analyse gegeven van alle versregels afzonderlijk en in hun onderling verband’ (p. 446). Léonard is er dan ook oprecht verbaasd over dat anderen niet het gelijk van Van Mierlo inzagen. De oorzaken  daarvoor  ziet  hij  onder  meer  in  het  onvoldoende  kennisnemen  van de literatuur en in de bevooroordeelde blik waarmee de onderzoekers hun onderwerp benaderden. Hij hekelt het ‘apriorisme’, de ‘subjectieve voorkeuren’, de ‘inlegkunde’ en zelfs de ‘autosuggestie’ bij verschillende onderzoekers (p. 450).

Onvermeld liet hij ook niet dat er sprake was van partijdigheid tussen Waalse, Vlaamse en Nederlandse geleerden, meningsverschillen die tot talloze incidenten geleid hebben.De formulering van de conclusie verraadt echter dat ook hij het filologische onderzoek naar de Reynaert  zag in het licht van de rivaliteit tussen Nederland en België. Een Hollander als Muller kon het verhaal niet in de juiste context plaatsen. De laatste zin van Léonards dissertatie luidt: ‘Uiteindelijk komt een landgenoot  van  Willem  de  eer  toe  minstens  één  der  neteligste  Reinaert-problemen te hebben opgelost: en dit is voorwaar een heuglijk feit.’ De gretigheid waarmee  Van  Mierlo  deze  dissertatie  wilde  bekronen,  wordt  er  alleszins  begrijpelijk door.

 

Léonards partijdige blik

 

Léonards eindoordeel, waarin hij Van Mierlo overlaadt met lof, riekt naar de door hem zo verfoeide partijdigheid. Hij slaagde er niet in om zich te ontworstelen aan de autoriteit van Van Mierlo. Misschien durfde hij niet, omdat hij voor publicatie van zijn proefschrift niet om Van Mierlo heen kon, die immers in de jury van de prijsvraag van de Academie zat. De Luikse hoogleraar R. Verdeyen (hij zat samen met A. van Loey ook in de jury) had al jaren voor voltooiing van het werk een wenk gegeven dat het in aanmerking zou kunnen komen  voor  bekroning.  Er  mag  dus  aangenomen  worden  dat  Léonard  voortdurend rekening hield met Van Mierlo en dat hij zijn doctoraat naar de grote geleerde  toe  schreef.  Maar  misschien  werd  wetenschappelijke  onaf hankelijkheid toen ook niet verwacht van een doctorerende.

Eenzelfde partijdigheid valt namelijk ook te bespeuren in de beschouwingen  van  andere  wetenschappers  over  de  Reynaertproloog.  De  Duitse  hoogleraar Frings koos de kant van zijn vriend Muller, terwijl de bibliograaf en leraar bij het openbaar onderwijs Roemans liet blijken dat hij meer waardering kon opbrengen voor de voorzichtige benadering van L. Willems.(18) In de Revue belge deed een anonieme bibliograaf – we kunnen daarin Roemans vermoeden – een beetje smalend over Van Mierlo’s definitieve oplossing.(19)

Na de dood van Leonard Willems werd de discussie verengd tot een wedstrijd  Holland-België,  zoals  blijkt  uit  de  Reynaertedities  die  tussen  1950  en  1974 verschenen, waarin de opvatting van Willems niet meer vermeld wordt. Partijdigheid lijkt mij een typerende trek voor de samenleving tijdens het interbellum en de tijd kort daarna. Karakteristiek voor deze periode was dat men zich als vanzelfsprekend richtte naar de opvattingen van de ‘voorman’ van de partij waar men zich toe rekende. Deze persoonlijkheidscultus was niet alleen in  de  politiek,  maar  eveneens  in  de  wetenschap  aanwezig.  Van  Mierlo  werd  overladen met eerbewijzen. Hij was de grote man van de Vlaamse literatuurwetenschap,  die  geen  tegenspraak  duldde.(20)  Zijn  strijdbare  persoonlijkheid  maakte dat hij geen inmenging op zijn terrein van de Middelnederlandse letterkunde  verdroeg,  behalve  dan  van  een  enkele  collega-jezuïet  uit  het  Ruusbroecgenootschap.  Een  biograaf  constateerde  ironisch  dat  ‘Van  Mierlo  en  de  anderen’ tot op de dag van vandaag een probleem blijft.(21) De relatie tussen Van Mierlo en andere wetenschappers kon een probleem worden door de institutionele kaders waarbinnen de medioneerlandistiek functioneerde.

Uit het proefschrift valt te achterhalen hoe zich partijschappen gingen vormmen in het Reynaertonderzoek, waarbij vooral de scheidslijn tussen Nederland en Vlaanderen niet geheel onbelangrijk was. Van Mierlo had zich verzet tegen de  dominantie  van  protestantse,  Nederlandse  wetenschappers  bij  het  onderzoek  naar  de  Vlaamse,  katholieke  Middelnederlandse  literatuur.(22)  De  meer Europees  georiënteerde  Muller  vond  Van  Mierlo’s  flamingantisme  maar  een  ‘bedenkelijke vorm van nationalisme’.(23) De roep om een objectieve benadering zonder  ‘apriorisme’  en  ‘stelsel’  is  in  een  dergelijke  context  goed  verklaarbaar,  maar ondertussen voegden Vlaamse en Nederlandse geleerden zich wel naar het alfamannetje van de eigen groep, dat de waarheid in pacht zou hebben. Zo kon de discussie over de proloog ontaarden in een strijd over wie het ongelijk aan zijn zijde had, en bleef de vraag welke argumenten valide waren op de achtergrond. Het lijkt erop alsof er onvoldoende methodologisch bewustzijn was om de argumenten van de persoon te scheiden. Toch heeft de discussie over de proloog  ongetwijfeld  bijgedragen  tot  het  aanscherpen  van  de  filologische  methodologie. De regel dat een handschrift als basis genomen moest worden en niet willekeurig een woord veranderd mocht worden was al rond 1900 geformuleerd door Leonard Willems en in 1942 benadrukte Van Mierlo dat men zo weinig mogelijk moet emenderen.

Vooral na de ontdekking van een tweede handschrift (het Dyckse) was er nog de hoop dat, wanneer op de juiste manier de originele tekst gereconstrueerd werd, er een antwoord gevonden zou kunnen worden voor het Reynaertprobleem.  Maar  gaandeweg  werd  de  verwarring  alleen  maar  groter.  De  door  Van Mierlo in het verslag over Léonards werk geuite vrees dat de wetenschap zich belachelijk zou kunnen maken door zo lang stil te staan bij wat velen als een  futiel  probleem  beschouwden,  was  dan  ook  niet  geheel  onterecht.  In  de  jaren vijftig en zestig ontstond er een algemeen gevoelen dat er geen definitieve oplossing mogelijk was. Het was duidelijk dat de waarheid over de proloog niet te  achterhalen  viel.  Ook  Léonard  wist  dat  tegen  elke  interpretatie  methodologische  bezwaren  waren  in  te  brengen.  Hij  was  echter  blind  voor  de  kritiek  op Van Mierlo. Zijn eerbied voor de autoriteit van Van Mierlo stond een kritische distantie in de weg. Het was pas na de universitaire revolte van de jaren zestig dat het gezag van de hoogleraar begon te tanen, maar nog steeds speelt het prestige van vooraanstaande Reynaertgeleerden een grote, soms belemmerende rol in het onderzoek.

 

Conclusie: tussen autoriteit en argument

 

Wetenschapsbeoefening speelt zich af tussen autoriteit en argument. Léonard was zich er terdege van bewust hoe richtinggevend autoriteiten voor het onderzoek  konden  zijn,  zoals  uit  verschillende  plaatsen  in  zijn  proefschrift  blijkt. Voor de huidige onderzoeker ligt het belang van Léonards proefschrift er niet in dat een oplossing voor het Reynaertprobleem wordt gegeven, maar wel  dat  eruit  valt  te  reconstrueren  hoe  het  wetenschappelijke  bedrijf,  afdeling Middelnederlands, functioneerde tussen 1830 en 1950. Zonder al te veel moeite valt uit dit doctoraat te achterhalen hoe de opvattingen over met name de eerste 10 verzen van Van den vos Reynaerde in de loop der tijden zich vormden, zich veranderden en zich verspreidden en welke rol autoriteit en argument daarbij speelden. Om die reden is Léonards proefschrift vooral voor de beoefenaars van de wetenschapsgeschiedenis een ware goudmijn.

 

Het proefschrift van Edouard Léonard is binnenkort te raadplegen op de site van de KANTL.

 

Naschrift   

Nog een Luiks doctoraat

 

Bij  pogingen meer informatie te vinden over E. Léonard, bleek dat er nog een tweede Luiks proefschrift geschreven is.  Dr. Kris Steyaert mailde me het volgende:

 

 

Die Léonard lijkt inderdaad een ongrijpbare figuur: ik vind zijn naam

niet  terug  in  de  officiële  jubileumuitgaven  (liber  memorialis)  van  de

universiteit.  Zijn  parcours  lijkt  wel  sterk  op  dat  van  (mede?)student

Herbert Boucq. Boucq schreef in 1941-1942 zijn licentiaatsverhandeling  getiteld

Morphologie  van  het  substantief  in  Reinaert  I  en  promoveerde vervolgens in 1947-1948 op het proefschrift Morphologie van het substantief en van het adjectief in Reynaert I. De

Reynaert  was in de jaren 1940 blijkbaar erg in trek in Luik.

 

In de catalogus van de Luikse universititeitsbibliotheek is deze dissertatie niet opgenomen. Het doctoraat van Herbert Boucq is tot nu toe onvindbaar …

 

 

Bijlage

 

De Reynaertstudie aan de Belgische universiteiten tussen 1934 en 1964

 

Blijkens de lijst opgesteld door Ada Deprez werden aan Belgische universiteiten tussen 1934 en 1964  vijf licentiaatsverhandelingen en twee doctoraten voorgelegd. Het gaat om de volgende werken.

 

  1. Levoz, Reinaert und Reinke de Vos, Luik, 1936.

Edouard Léonard, De Reinaert-Proloog. Stand van zaken, Luik, 1941.

Herbert  Boucq,  Morphologie  van  het  substantief  in  Reinaert  I,  Luik, 1942.

Theo  Maes,  Koning  Ermerics  wonderbare  schat  in  Reinaerts  historie,Gent, 1943.

Herbert  Boucq,  Morphologie  van  het  substantief  en  van  het  adjectief  in Reynaert I, Luik, 1948. (doctoraat)

Edouard  Léonard,  Studie  over  het  probleem  van  de  Reinaert-proloog,Luik, 1949. (doctoraat)

Dirk Tieleman, Reinaert de vos. Een status questionis, Gent, 1963.

Bron: Ada Deprez, ‘Licentiaatswerken en doctoraten in verband met de literatuurwetenschap of de Nederlandse literatuurstudie. Systematisch overzicht van de aan de Belgische universiteiten voorgelegde werken’, in:  Studia Germanica Gandensia, 7 (1965), p. 158.

 

Noten

1   Joep  Leerssen,  ‘De  vos  op  het  spoor.  De  herontdekking  van  Reynaert  in  de  eeuw  van  het  nationalisme’,  in: Tiecelijn  28.  Jaarboek  8  van  het  Reynaertgenootschap,  (2015),  p.  11-17.  Uitvoeriger in: Joep Leerssen, De bronnen van het vaderland. Taal, literatuur en de af bakening

van Nederland 1806-1890, Nijmegen, 2006, m.n. hoofdstuk 4: ‘De nationaliteit van Reinaert (1834-1870)’, p. 75-95.

2  Jan de Putter, ‘Op zoek naar Arnout. Over interpretatie van Buitenrust Hettema tot Van

Daele’, in: Tiecelijn 28. Jaarboek 8 van het Reynaertgenootschap, (2015), p. 18-63.

3  C.A. Zaalberg (ed.), Van den vos Reinaerde, ’s-Hertogenbosch, 197310, p. 8.

4 L.M. van Dis (ed.), Van den vos Reynaerde, Groningen, 197220, p. 35-37. P. de Keyser (ed.),

Van den vos Reynaerde, Antwerpen, 19727, p. xix en p. 1.

5  Rob.  Roemans,  ‘Analytische  Bibliographie  van  Dr.  Leonard  Willems’,  in:  Verslagen  en 

mededeelingen  der  Koninklijke  Vlaamse  Academie  voor  Taal-  en  Letterkunde,  (1933),  p.  699-701, m.n. p. 701. Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard Willems en het Reinaertprobleem’, in: O.M.O. Maandblad van den Vlaamschen Leeraarsbond van het Officieel Middelbaar Onderwijs, 13 (1933), p. 221-227, m.n. p. 222-223.

6  Leonard  Willems,  ‘De  Reinaert-proloog  of  adhuc  sub  judice  lis  est’,  in:  Verslagen  en

mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1938, p. 675-692, m.n. p. 684. Rob. Roemans, ‘Het Reinaertprobleem en Prof. Dr. J. van Mierlo, S.J.’ in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 640-647.

7   ‘Rapport  sur  la  situation  de  l’université  pendant  l’année  academique’,  in: Ouverture

solennelle des cours, le 24 septembre 1949, Luik, 1949, p. 212.

8 Het proefschrift is aangekondigd in de Revue belge, 28 (1950), p. 772. In 1942 behaalde

Léonard  zijn  licentiaat  aan  de  Université  de  Liège  met  een  licentiaatsverhandeling  De

Reinaert-Proloog, Stand van zaken. Ook deze verhandeling is aangekondigd in: Revue belge, 21

(1942), p. 534. Zie ook: I. Simon, ‘Soixante années de Philologie germanique à l’Université de Liège’, in : Bulletin de l’Association des Amis de l’Université de Liège,2/4 (1950), p. 37.

9  J.  van  Mierlo,  ‘Verslag  over  een  prijsantwoord  voor  het  jaar  1949:  Een  studie  over  het  probleem  van  de  Reinaert-proloog  sedert  Jan  Frans  Willems’,  in: Verslagen  en  mededelingen  der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, (1951), p. 269-276, citaat p. 275.

10  Leonard  Willems,  ‘De  Reinaert-proloog  of  adhuc  sub  judice  lis  est’,  p.  689.  Willems

legt  deze  woorden  in  de  mond  van  G.G.  Kloeke.  Kloeke  drukte  zich  beslist  minder  sterk  uit: G.G. Kloeke, ‘Het aandeel van Willem en Aernout in den Reinaert I’, in: Tijdschrift voorNederlandse taal- en letterkunde, 38 (1919) p. 35-36.

11 Over de ontdekking door de medewerkers van KANTL, Jan de Putter, ‘Op zoek naar

Arnout’, p. 18 en 50.

12 Een exemplaar van het proefschrift bevindt zich in de Luikse universiteitsbibliotheek

onder  signatuur  ALPHA-Bibliothèque  principale  Réserve  distante  –  Section  B  (007620M  en  007621M ). De Luikse UB liet weten: ‘We cannot unfortunately supply you the desired books. These  are  located  in  a  inaccessible  section  of  the  library  because  of  a  fungal  contamination  (processing). We don’t know when these will be again available.’ (mail d.d. 20-1-2016).

13 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf

het  begin  tot  1300,  Amsterdam,  2006,  p.  496-498,  p.  585  (verwijzing  naar  rapport  over  de  Madoc  door  Nolanda  Klunder);  Alexia  Lagast,  ‘A  la  recherche  de  l’œuvre  perdue:  kritische

status  quaestionis  van  het  onderzoek  naar  de Madoc’,  in: Millennium.  Tijdschrift  voor  middeleeuwse studies, 24 (2010), p. 19-33.

14 Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard

Willems en het Reinaertprobleem’, p. 221-227.

15 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949: Een studie over het

probleem van de Reinaert-proloog sedert Jan Frans Willems’, p. 273.

16 J. van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert-proloog’, in: Verslagen en

mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1942, p. 563-595.

17 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949’, p. 273-275.

18  Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard

Willems en het Reinaertprobleem’, p. 222-223. Rob. Roemans, ‘Nécrologie. Leonard Willems (1864-1938)’, in: Revue belge de philologie et d’histoire 18 (1939), p. 838-840.

19‘Chronique’, in: Revue belge de philologie et d’histoire 23,1944, p. 572-573. Ik citeer hier

het berichtje: ‘van Mierlo: De definitieve oplossing inzake den Reinaert-proloog (563-595): een bescheiden opstel waaruit moet blijken dat èn J.W. Muller, èn L. Willems, èn G.G. Kloeke allen ongelijk hebben, dat vs. 6 – het is de “klaarblijkelijkheid zelf ”, p. 568 – moet geluid hebben: Die Perrout hevet vulscreven, welk opstel eig. geschreven werd om Th. Frings’ uitspraak (…) over de proloog: “philologisches Gezänk ” waaraan Muller’s jongste uitgave een einde heeft gemaakt, in het ongelijk te stellen.’ Waarschijnlijk is de tekst van Rob. Roemans, hij schreef vaker bijdragen voor de ‘Chronique’ in de Revue belge. Van zijn hand is ook eensignalering van Van Mierlo’s studie ‘Sporen van den Reinaert-roman’ in de Chronique van de Revue belge, 24 (1945), p. 556-557.

20  F.  Willaert,  ‘Jozef  van  Mierlo  (1878-1958):  Vlaams  en  katholiek ’,  in:

Millennium, tijdschrift voor middeleeuwse studies, 25 (2011), p. 121.

21 G. Warnar, ‘Van Mierlo (1878-1958) en de anderen. De studie van geestelijke letterkunde

tussen  1900  en  1950’,  in:  Wim  van  Anrooij,  Dini  Hogenelst  en  Geert  Warnar  (red.),

Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde,Amsterdam, 2003, p. 179-193, m.n. 193.

22 J. van Mierlo, Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandse letterkunde, Antwerpen,

1928, p. vi. Vgl. Frank Willaert, ‘Van Mierlo. De voordelen van vooroordelen’, in: Literatuur, 6 (1989), p. 345 en F. Willaert, ‘Jozef van Mierlo (1878-1958): Vlaams en katholiek ’, p. 124.

23 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën, III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse

taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 34. Vgl. ook Jan de Putter, ‘Op zoek naar Arnout’, p. 30.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Op zoek naar Arnout. OVER INTERPRETATIE VAN BUITENRUST HETTEMA TOT VAN DAELE

Op zoek naar Arnout
OVER INTERPRETATIE VAN BUITENRUST HETTEMA TOT VAN DAELE

Eerder gepubliceerd in Tiecelijn. Jaarboek 8 van het Reynaertgenootschap, p. 18-63.
Het oorspronkelijke artikel is als pdf te raadplegen via: https://www.academia.edu/19153282/Op_zoek_naar_Arnout._OVER_INTERPRETATIE_VAN_BUITENRUST_HETTEMA_TOT_VAN_DAELE

Inleiding

Over de geschiedenis van het Reynaertonderzoek is veel geschreven en gezegd. Ergens in de archieven van de Koninklijke Vlaamse Academie moet zich een ongepubliceerd, maar bekroond typoscript uit 1950 van maar liefst 700 pagina’s bevinden dat handelt over ‘het probleem van de Reinaert-proloog’ van Jan Frans Willems tot Van Mierlo.1 De bekroning geeft een indicatie van hoe belangrijk dit thema toen gevonden werd en de omvang hoeveel inkt er al over de interpretatie van de proloog was gevloeid. W.Gs Hellinga omschreef de geschiedenis van deze filologische strijd als:

een boeiend verhaal van scherpzinnigheid en stupiditeit, van ontdekkerstriomfen en leed om tegenstand: van moed om nieuwe wegen in te slaan, nieuwe technieken en methoden te beproeven, en van onkunde,onbegrip en onwil; van vriendschap die tot partijschap werd en vriendschap die in vijandschap verkeerde: van plezier, spot, hoon, haat: kortom een hoofdstuk uit de wetenschapsgeschiedenis.2

Wat er allemaal gebeurde wil Hellinga niet vertellen. Hij had de wetenschap aan zich verplicht als hij dit verhaal wel in geuren en kleuren verteld had. Een hoofdstuk uit de wetenschapsgeschiedenis is dit artikel zeker, maar alleen heel zelden kunnen we op deze afstand nog de heftige emoties horen doorklinken waarmee het debat gevoerd werd. Dat neemt niet weg dat het verhaal over het onderzoek van de proloog allesbehalve saai is en zeker niet van enig belang ontbloot.
Aanzetten voor het debat waren er al in de negentiende eeuw. Toen warenslechts twee Reynaerthandschriften bekend: het Comburgse handschrift met daarin de tekst Van den vos Reynaerde (A) en het Brusselse handschrift waarin de tekst Reynaerts historie (B) te vinden is. Het eerste gedeelte van Reynaerts historie volgt bijna woordelijk Van den vos Reynaerde en voegt aan dat verhaal nog een vrijwel even lang vervolg toe. De discussie over de proloog barstte even-

p.18

wel eerst goed los toen een tweede handschrift van Van den vos Reynaerde, het Dyckse (F), werd ontdekt in 1907,3 waar in de proloog de naam van een tweede dichter, Arnout, na Willem stond vermeld. Ik geef hieronder de verzen 1-9 van de proloog naar de overgeleverde handschriften weer:4

Van den vos Reynaerde, verzen A 1-9
(Comburgse handschrift)

Vvillem, die vele bouke maecte
Daer hi dicken omme waecte
Hem vernoyde so haerde
Dat die auonture van reynaerde
Jn dietsche onghemaket bleuen
Die willem niet hevet vulscreuen
Dat hi die vijte van reynaerde soucken
Ende hise na den walschen boucken
In dietsche dus heuet begonnen

Van den vos Reynaerde, verzen F 1-9
(Dyckse handschrift)

Vvillam die madocke makede
Daer hi dicke omme wakede
Hem vernoyde so harde
Dat er ene auenture van reynaerde
Jn dietsche was onvolmaket bleuen
Die arnout niet en hadde bescreuen
Dat hi die vite dede soeken
Ende hise vten walschen boeken
Jn dietsche heuet begonnen

Reynaerts historie, verzen B 1-9
Brusselse handschrift)
WIllam die madock maecte
Dair hi dicke om waecte
Hem iamerde zeer haerde
Dat die geeste van reynaerde
Niet te recht en is gescreuen
Een deel is dair after gebleuen
Daer om dede hy die vite zoeken
Ende heeftse wtten walschen boeken
Jn duutsche aldus begonnen

p. 19

Inzet van de discussie werd de vraag welke rol aan deze Arnout toegedicht moest worden. Daarbij kwam aan de orde wat de verhouding van de Reynaert was tot zijn Franse bron, want Arnout kon worden gezien als de verbindingsschakel tussen de Roman de Renart en Van den vos Reynaerde. J.W. Muller verdedigde vanaf de ontdekking van het Dyckse handschrift het idee dat de Reynaert het werk was van twee dichters. Hoewel de discussie over het dubbele auteurschap van de Reynaert voor een groot deel door het moderne onderzoek is achterhaald, speelde op de achtergrond van deze discussie een aantal tot op de dag van vandaag fundamentele vragen mee over de manier waarop uitgevers van teksten met hun tekstgetuigen moeten omgaan. Dan gaat het om vragen zoals: Kan vastgesteld worden wat het beste handschrift of de beste lezing is of zijn alle overgeleverde tekstgetuigen gelijkwaardig? Kan het verloren origineel van een tekst gereconstrueerd worden? Moet de tekst diplomatisch of kritisch uitgegeven worden? Hoewel de discussie implicaties had voor de grondslagen van het vak, met name voor de vraag hoe teksten moesten worden uitgegeven,verwerd de discussie al snel tot ‘ein Musterfall unfruchtbaren philologischen Gezänkes’.5
De voornaamste reden waarom de discussie na de Tweede Wereldoorlog verstomde, was het overlijden van Muller in 1945. Een nieuwe generatie onderzoekers,waarvan G.-H. Arendt en W.Gs Hellinga de belangrijkste waren,wees resoluut het idee af dat de Reynaert het werk zou kunnen zijn van twee auteurs. Zij zagen de tekst als het werk van één geniaal dichter. Bovendien verschoven de vragen binnen het onderzoek van productiegericht naar werkimmanent:niet meer de auteur stond centraal maar de tekst zelf.6 Toch bleef de discussie over Arnout uit de voorgaande decennia op de achtergrond sluimeren om weer op te duiken in het werk van de gezaghebbende reynaerdist André Bouwman, die hem wil zien als de spil van een intertekstueel netwerk.
Volgens Bouwman zou de in de proloog genoemde Arnout door de dichter Willem en het publiek beschouwd zijn als de auteur van meerdere verhalen uit de Roman de Renart. Verschillende branches kenden zij uit een Oudfranse codex en die zouden ze toeschrijven aan Arnout.7 Deze visie van Bouwman komt niet uit de lucht vallen. Ze staat in een lange traditie van onderzoek naar de proloog en kan daar dus ook niet los van gezien worden. De opvattingen van Bouwman stuitten echter op verbazing van Herman Heyse, één van de oprichters
van Tiecelijn. Ze kwamen op hem ‘iets te perfectionistisch, te technisch, te bibliotheekachtig, te modern intertextueel over.’8 Ook die mening staat in een lange traditie.

p.20

Over wie Arnout was, verschillen onderzoekers van mening. Binnen het
Reynaertonderzoek lijkt dit een thema van ondergeschikt belang, maar niets is minder waar. De visie op wie Arnout was, zegt veel over hoe men zich de genese van de Reynaert voorstelt. Vooraanstaande onderzoekers hebben zich een idee gevormd over zijn invloed op Willem en de Reynaert. In dit artikel wil ik onderzoeken welke betekenis wetenschappers toekennen aan de raadselachtigeArnout, van wie niet meer bekend is dan zijn naam. Het beeld dat wetenschappers zich gevormd hebben van deze dichter is dus een constructie die vooral veel onthult over de culturele achtergrond van de onderzoekers. Ik zal daarom een voorzichtige poging wagen het werk van mijn voorgangers te deconstrueren door de achterliggende normen en waarden bloot te leggen. Dat leidt als vanzelf tot een methodologische reflectie op de stand van het Reynaertonderzoek.
Mede door toedoen van de wetenschap is de Reynaert een ijkpunt geworden voor de culturele identiteit van Nederland en Vlaanderen. Van Daele heeft eerdergewezen op de ‘identificatiestrategieën’ die een rol spelen in het onderzoek.Hij merkte op dat heemkundigen de Reynaert claimen als ‘van bij ons’ vanwege de lokaal gekleurde plaatsnamen.9 Maar ook afstandelijke academische onderzoekershebben Willem en Arnout hun eigen wereld binnengetrokken.

1. De titanenstrijd tussen Muller en Buitenrust Hettema

F. Buitenrust Hettema en J. W. Muller zijn door hun commentaren op de Reynaert de grondleggers van het moderne Reynaertonderzoek. Tot op de dag van vandaag zijn alle onderzoekers van de tekst aan hen schatplichtig. De mislukte samenwerking tussen Buitenrust Hettema en Muller aan een Reynaerteditie is een cause célèbre uit de geschiedenis van de neerlandistiek. Hun ruzie klinkt nog steeds na door de principiële stellingname van beide onderzoekers.Zij staan model voor twee geheel verschillende wijzen van uitgeven: de diplomatische en de kritische.
Het Reynaertonderzoek werd in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk gestimuleerd door veranderingen in het onderwijs. Nadat Nederlandse taal- en letterkunde een academische studie geworden was, werd van iedere docent Nederlands aan het gymnasium het universitaire kandidaatsexamen geëist. Deze docenten brachten hun wetenschappelijke bagage mee naar het onderwijs. Zij vonden het noodzakelijk klassieke teksten te bespreken.10 Aan

p. 21

deze behoefte voldeed Buitenrust Hettema als instigator van de reeks Zwolsche Herdrukken, historisch letterkundige schooluitgaven ten behoeve van het voortgezet onderwijs. In 1890 verscheen de eerste uitgave van zijn hand, het Spaens Heydinnetje van Jacob Cats en in 1896 verzorgde hij een uitgave van de liederen van Brederode. Het lag dan ook voor de hand dat in deze reeks een uitgave van de Reynaert zou gaan verschijnen.11 Dat Mullers pad hier dat van Buitenrust Hettema kruiste was niet verwonderlijk. In zijn dissertatie had Muller minutieus de varianten tussen Van den vos Reynaerde en Reynaerts historie vergeleken vanuit een taalkundig perspectief.12 Zijn kennis en expertise waren onomstreden. Het leek Muller dan ook een goed idee om de samenwerking aan te gaan met Buitenrust Hettema.

buit003_p01

Buitenrust Hettema
Een eerste resultaat was een uitgave van Van den vos Reynaerde in 1903, in de reeks Zwolsche herdrukken. Toen al waren de verschillen van inzicht duidelijk.Het boek opent met de volgende verklaring van de uitgevers:

Hiertoe hebben wij ons, nu de omstandigheden ertoe leidden, vereenigd,ofschoon verschil van opvatting, als gevolg van verschillend standpunt en karakter, ook bij onderdeelen dezer gemeenschappelijkaanvaarde taak meer dan eens bleek en zal blijken.13

Buitenrust Hettema en Muller waren van plan om nog een band met een
wetenschappelijke inleiding en aantekeningen bij de tekst te doen verschijnen.De samenwerking kwam echter onder grote spanning te staan na de ontdekking van het Dyckse handschrift. Twistpunt was of het pas ontdekte Dyckse handschrift nog verwerkt kon worden. Op de achtergrond speelde de vraag of het te verkiezen was om een gereconstrueerde tekst uit te geven of een synoptische editie, waarbij Comburg en Dyck naast elkaar geplaatst zouden worden. Buitenrust Hettema’s houding was van dien aard dat het ‘de deur toedeed’ voor Muller. Hoewel hij schrijft dat ze in vrede en vriendschap uit elkaar gegaan zijn, horen wij nog steeds de knallende deuren.14 Mullers irritatie over Buitenrust Hettema’s houding is alleszins begrijpelijk. Buitenrust Hettema bleef zich verzetten tegen het idee dat de Reynaert het werk van twee auteurs zou zijn. In Comburg wordt de naam Willem tweemaal vermeld, ook in vers 6 waar in Dyck ‘Arnout’ staat. De conjectuur dat hier een andere naam moest staan was al in 1897 voorgesteld door Leonard Willems,15 maar werd toen onthaald op een ‘schaterlach onder alle beroepsphilologen’.16 Toen die tweede auteur inderdaad gevonden werd in het Dyckse handschrift17 verdedigde

p. 22

Buitenrust Hettema hardnekkig het idee dat Arnout wel een corrupt insluipsel moest zijn. Hij bleef geloven dat hier moest staan dat Willem de mondelinge circulerende avonturen niet allemaal had opgeschreven.18 Daarmee ignoreerde hij aldus Muller een filologisch feit en hun wegen scheidden zich.
Het geplande deel met inleiding en aantekeningen bij de editie van 1903 werd door Buitenrust Hettema in 1910 alleen uitgegeven. Op de synoptische editie van het Dyckse en Comburgse handschrift moest gewacht worden tot 1921, een jaar voor zijn dood.19 Het is goed mogelijk dat Buitenrust Hettema een synoptische uitgave niet echt een prioriteit vond. In het deel dat verscheen in 1910 liet hij zich namelijk nogal laatdunkend uit over het belang van het Dyckse handschrift. Het was niet meer dan een Hollandse omwerking, terwijl de kopiist van het Comburgse handschrift zijn grondtekst trouw gevolgd had. De Friese Flamingant – tijdens de Eerste Wereldoorlog bekleedde hij een leerstoel aan de vernederlandste Gentse universiteit – beviel het idee niet dat een Hollandse kopie dichter bij het origineel zou kunnen staan dan de in vloeiend Vlaams afgeschreven tekst in het Comburgse handschrift. ‘Tot dus nader ’t tegendeel bewezen –niet beweerd – wordt, vinden we in het R-hs a ’t werk van Willem.’20 Daar moest Muller het mee doen. Dat kwam Buitenrust Hettema op kritiek te staan van Mullers leermeester Joh. Franck. Die drong aan op een kritische uitgave en noemde het commentaardeel uit 1910 van Buitenrust Hettema een ‘unverständliches Versuch’.21
Muller deed in 1914 een kritische editie het licht zien.22 Zijn kennis van het Middelnederlands zou het mogelijk maken de tekst te zuiveren van corrupties en zo een kritische editie te maken. Om de oudste, oorspronkelijke gedaante van de tekst te reconstrueren, onderwierp hij de overgeleverde teksten aan een grammaticale en lexicologische tekstkritiek. Muller ging uit van de niet onjuiste gedachte dat kennis van de ontwikkeling van het Nederlands hem in staat stelde na te gaan welke variant het dichtst bij het origineel stond. Hij vergeleek alle bekende Middelnederlandse handschriften, betrok in zijn analyse de Latijnse vertaling van de Reynaert, maar liet daarbij opvallend genoeg het origineel, de Roman de Renart, buiten beschouwing. Deze ‘Duitsche’ methode,de naam Lachmann valt niet, zo schreef hij als verdediging tegen critici, week af van de ‘Hollandsche’ traditie. Er was bij ‘vrije nuchtere Hollanders’ een afkeer van ‘Duitsche (“mofsche”) stelselzucht.’ Dat is typerend voor de leidende rol die de Duitse wetenschap had ondanks de weerstand in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw.23 Muller is steeds blijven sleutelen, een
p.23

ander woord is er niet voor, aan zijn kritische editie. In zijn editie uit 1944 onderscheidde hij zelfs vier verschillende schrijvers die verantwoordelijk zouden zijn voor de uiteindelijke tekst van de Reynaert. Arnout, zo dacht hij, had aan het einde van de twaalfde eeuw het eerste deel (vers A 41-1900) geschreven en Willem het tweede deel. Een derde hand zou dit gedicht omgewerkt hebben,wellicht voegde hij de proloog (vers A 1-10) en de pudenfabel (A 2298-2325)toe en daarna zou nog vóór 1272 een vierde hand het einde vervangen hebben door een nieuw slot.24 Zijn methode leidde ertoe dat hij steeds meer verschillen zag, die hij ook benoemde. Wanneer het geloof in de eenheid van de tekst opgegeven wordt dan worden ook de interpretatiemogelijkheden substantieel verruimd. Dat maakte het voor hem mogelijk de Reynaert als typisch Nederlands te zien (zie par. 4).
Het eindresultaat van Mullers werk was een kritische editie met een in plechtig, gedragen proza geschreven inleiding. De kritische editie van Muller is de basis geworden voor de tot in de jaren tachtig veel gebruikte editie van Van Dis. De editie Van Dis mag dan in veel opzichten verouderd zijn, maar niet wat het nauwkeurige taalkundig commentaar betreft, dat voor een belangrijk deel teruggaat op het werk van Muller.25

2. De estheet Van Mierlo tegen de rest van de wereld

De strijdbare pater Jozef van Mierlo S.J. werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een wetenschapper met een ‘niets ontziende durf ’, die ‘met het dictaat van een gevestigde traditie’ nooit vrede nam.26 Zijn eerste artikel over de proloog van de Reynaert schreef hij in 1929, zijn laatste ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’ in 1942. Hoewel hij in die jaren van opvatting veranderde, is in al zijn artikelen de polemiek met de Noord-Nederlandse collega Muller aanwezig.27
In 1929 verdedigde Van Mierlo het idee dat Arnout wellicht de schrijver van een Vlaams Reynaertverhaal was, dat in het Frans vertaald was door Perrout. Willem zou alleen maar beweerd hebben het verhaal uit het Frans vertaald te hebben om de mode van de Franse ridderromans te parodiëren.28 De gedachte is minder vreemd dan zij op het eerste gezicht lijkt. Jacob Grimm had in de negentiende eeuw de Reynaertverhalen als oeroud Germaans bestempeld29 en Jan Frans Willems zocht de oorsprong in Vlaanderen.30 Een echo van die opvattingen is in het hedendaagse onderzoek nog te vinden in de opvatting dat de
p. 24

de bron voor de Franse verhalen uit de Roman de Renart te vinden is in Vlaanderen.31 Dit is ook de achterliggende opvatting bij de kritiek van Heyse op Bouwman,waarmee we dit artikel begonnen. De invloed van Van Mierlo werkt nog lang door.

van Mierlo
De gedachte dat de Reynaert ouder was dan de Roman de Renart lokte al binnen twee jaar een reactie uit van M. Delbouille. Door gebruik te maken van de methode Lachmann, het zoeken naar gemeenschappelijke fouten in de Franse en Nederlandse teksten, probeerde hij te tonen dat Willems tekst juist terugging op een Frans origineel. Delbouille suggereerde, dat het de in de proloog genoemde dichter Arnout was die deze branches in het Diets vertaalde.32 Een opvatting die een vernietigende reactie uitlokte van Van Mierlo.33 In de daarop volgende decennia werden daardoor de opvattingen van Delbouille buiten de discussie geplaatst. Niemand wilde zich beroepen op de onderzoeksresultaten van Delbouille. Pas decennia later sloot Bouwman in zijn dissertatie wel weer aan bij Delbouilles pioniersarbeid.34
Zoals gezegd, Van Mierlo schroomde niet om zijn eigen opvatting radicaal te veranderen, ook wat zijn ideeën over Arnout betreft. Muller gebruikte er vilein het woord ‘palinodie’ voor.35 In 1932 was Arnout geen Vlaams schrijver meer, maar beschouwde Van Mierlo de naam Arnout als niets anders dan een corrupte overlevering van de naam van Perrout, de dichter van branche I van de Roman de Renart. Om zijn lezing kloppend te maken, moest hij nog wel een kunstgreep uithalen. Voor ‘Die Arnout niet hevet vulscreven’ las hij ‘Die Perrout hevet vulscreven’.36 De ingreep om de ontkenning ‘niet’ te schrappen, maakte de opvatting van Van Mierlo niet overtuigender. Tegen zijn critici verweerde hij zich met het al genoemde artikel dat hij vol zelfvertrouwen de titel meegaf: ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’.37 Over de titel is wel eens smalend gedaan.38 Zijn autoriteit zorgde er echter voor dat deze opvatting de weg heeft gevonden naar de schoolboekjes, zowel in Nederland als in Vlaanderen.
De Noord-Nederlandse editie van Zaalberg geeft de eerste tien verzen van de proloog volgens zowel het Comburgse als het Dyckse handschrift weer, gevolgd door de reconstructies van Van Mierlo en van Muller. Zo werden in de jaren zestig en zeventig Nederlandse scholieren ermee geconfronteerd dat de geleerden er ook niet altijd uitkwamen.39 In de Vlaamse editie van De Keyser wordt de voorkeur gegeven aan ‘de definitieve oplossing’ van Van Mierlo. Ook de Keyser kiest voor de opvatting dat Willem de enige dichter van het verhaal is. Persoonlijk gelooft De Keyser ook dat het meest waarschijnlijk is dat in vers 6 verwezen
p. 25

werd naar de Franse dichter Perrout, maar hij voegt eraan toe dat deze stelling niet bewezen is. Uit deze editie leerden Vlaamse scholieren bovenal in navolging van Van Mierlo dat de Reynaert een superieure bewerking van de Franse Roman de Renart is, die in alle opzichten door en door Vlaams is. De vergelijking met die andere literaire held, Tijl Uilenspiegel, was ook in deze editie aanwezig.40
Voor Van Mierlo geven de literaire kwaliteiten de doorslag om de Reynaert als het werk van één auteur te lezen, omdat de Vlaamse versie superieur is aan de Franse tekst. In wezen gaat het verschil van inzicht tussen Muller en Van Mierlo terug op de vraag welke rol de Oudfranse tekst bij de bestudering van de Reynaert speelt. Muller vergeleek verzen in twee handschriften,het Comburgse met het Dyckse handschrift. Van Mierlo vergeleek twee complete teksten, de Franse Renart met de Vlaamse Reinaert.41 Vanuit zijn positie
in Vlaanderen was het alleszins begrijpelijk dat de verhouding met de Franse Roman de Renart hoog op zijn agenda stond. Met nog meer recht kan echter gezegd worden dat de verhouding van de Reynaert tot de Roman de Renart een thema was waar Muller onvoldoende aandacht aan besteedde.42

3. De Reynaertstudie in de ban van de proloog

Van Mierlo en Muller waren niet de enigen die betrokken waren bij de discussie over de interpretatie van de proloog. Ik wil hier ook nog L. Willems en L. Peeters vermelden. Met grote schroom uitte Willems in 1938 zijn kritiek op de interpretatie van zijn vriend Van Mierlo dat in Arnout een Franse dichter gezien moet worden. Willems merkte scherpzinnig op dat de interpretatie van de proloog wisselt naargelang een onderzoeker een ander handschrift als leidend neemt. De interpretatie van Muller neemt voor de proloog het Dyckse handschrift als uitgangspunt, Van Mierlo gaat net als Buitenrust Hettema uit van het Comburgse handschrift, Willems zelf koos ervoor uit te gaan van de proloog van Reynaerts historie. Willems betoogde dat Arnout de schrijver van een proto-Reynaert was. Met een proto-Reynaert bedoelde Willems dat Arnout al een reeks Reynaertavonturen zou hebben geschreven. Willem heeft daaraan zijn vertaling van Le plaid toegevoegd.43 Met de interpretatie van Willems heeft Van Mierlo, natuurlijk, komaf gemaakt. Hij verweet Willems dat hij net als Muller willekeurig elementen uit verschillende prologen combineerde,zodat elke interpretatie mogelijk was.44 En dat terwijl hij zelf naar believen een woord uit de proloog schrapte!

p.25

Misschien was de meest interessante reactie op Van Mierlo’s opvattingen afkomstig van K. Heeroma. Heeroma wilde niets weten van het voorstel van Van Mierlo om de naam van de Franse dichter in de proloog te lezen: ‘De grotere dichterlijke kracht van de F-tekst hangt ook samen met de omstandigheid dat daarin ene Arnout als een voorganger van Willem wordt genoemd.’ De naam Arnout heeft volgens hem zin, want daaruit concludeerde het publiek dat Willem zijn voorganger gaat overtreffen. Heeroma’s argument is interessant, want hij wijst erop dat de naam Arnout ook deel uitmaakt van de retoriek van de proloog. Heeroma heeft weinig op met ‘filologische boekhouders’. De aandacht voor filologische problemen wil wel eens het zicht op de retoriek ontnemen,is zijn mening.45 Voor Heeroma is van weinig belang wat nu het aandeel van Arnout in de Reynaert is. Hij wil wel aannemen dat het eerste deel van de Reynaert door Arnout vertaald zou zijn uit de Roman de Renart, maar voor een ‘gedichtlezer’ als Heeroma is het aandeel van Arnout niet herkenbaar in de tekst.46 Voor Heeroma was De Reynaert hoogstpersoonlijke poëzie, waarin hij zich kon herkennen. De observatie van Heeroma dat Willem zich in een literaire verhouding met zijn voorganger Arnout plaatst, is ontegenzeggelijk juist,maar Heeroma overspeelt zijn hand als hij erin leest dat Willem bedoelde dat hij zijn voorbeeld wilde overtreffen.
Peeters noemde Heeroma’s tekstinterpretatie van de proloog een ‘staaltje van geraffineerd, subliem en subtiel defense of poetry’, dat echter niet ‘het stempel der wetenschappelijkheid draagt’.47 Peeters benaderde de proloog op een heel andere wijze. Dat deed hij in het opmerkenswaardig artikel ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’. Uitgangspunt voor Peeters is een door De Vreese voorgestane ‘tot het uiterste gedreven eerbied’ voor de handschriften. Hij kwam dan ook tot de conclusie dat alle prologen van de Middelnederlandse Reynaert integraal gehandhaafd dienden te worden. Elk van de prologen drukt iets individueels uit van de schrijver-kopiist-bewerker. De kopiisten van de Reynaert
bekeken de proloog met eigen ogen en gaven dan ook allemaal hun eigen interpretatie van de ontstaansgeschiedenis van het verhaal. Het was niet ongebruikelijk dat de schrijver of kopiist van een tekst rekening hield met zijn publiek en de tekst daarom aanpaste. Peeters vindt tekstreconstructie van de proloog dan ook tot mislukken gedoemd, maar deze conclusie trekt hij niet door naar heel de Reynaert.48 Het is een vruchtbare gedachte om de verschillen tussen het Comburgse en het Dyckse handschrift niet te beschouwen als kopiistenfouten,maar net als de tekst in Reynaerts historie als het resultaat van een bewerking.
De teksten in het Comburgse en Dyckse handschrift zijn net als Reynaerts historie

p. 27

geen verschillende redacties, maar verschillende versies van het verhaal.49 Peeters bepleit dus een synchrone tekstinterpretatie waarbij diachrone tekstveranderingen buiten beschouwing gelaten worden.50 Zonder echter een beeld te hebben van wat er in het origineel stond, kunnen de varianten niet worden verklaard. Het artikel van Peeters mag beschouwd worden als het eindpunt in de discussie over de proloog die in de eerste helft van de twintigste eeuw de Reynaertonderzoekers in de ban hield. Ten onrechte is het artikel verdwenen uit het onderzoek. Lulofs was de laatste die het opnam in de literatuurlijst van zijn editie uit 1983.51
Toen Peeters zijn artikel schreef was al lang duidelijk dat de discussie tussen Muller en Van Mierlo over de reconstructie van de proloog nergens toe leidde. De verdienste van Van Mierlo is in de eerste plaats dat hij de moed had gevestigde opvattingen en vooral die van Muller ter discussie te stellen. De dwarsigheid van de Vlaming ontregelde het debat. Hij dwong andere wetenschappers hun opvattingen te beargumenteren, als ze dat nog durfden.
Het ‘philologische Gezänk’ tussen Muller en Van Mierlo is nu grotendeels achterhaald door het onderzoek van met name Bouwman. Het belang van de discussie ligt nu vooral in de aanscherping van de methodologische criteria binnen het vak. Wie in de eenentwintigste eeuw beweert dat de Reynaert het werk is van twee auteurs plaatst zich buiten de wetenschappelijke discussie over de Reynaert.52 De kleine bibliotheek die gevuld kan worden met verspreide bijdragen over de proloog van de Reynaert heeft vooral een culturele betekenis gekregen.

4. Bij Reynaert thuis in Leiden

De opvatting dat Van den vos Reynaerde een Vlaamse tekst is, is onomstreden.Buitenrust Hettema, Muller en Van Mierlo verbinden echter verschillende consequenties aan het Vlaamse karakter van de tekst. Op de ideeën van de Leidse hoogleraar Muller wil ik dieper ingaan, want het illustreert hoezeer de beoefening van de filologie het zich toe-eigenen van klassieke teksten betekent en daardoor verbonden is met natievorming. Niet zelden betekent dat ook het afwijzen van andere claims, zoals Muller deed met de opvattingen van
Buitenrust Hettema en Van Mierlo.

p. 28

Volgens Buitenrust Hettema komt de humor van de Reynaert ‘uit ’t al-dietse volk van ‘de lage landen bi der see’. Die humor vindt men terug bij Nederlandse schrijvers (Vlaamse ontbreken) als bijvoorbeeld Haverschmidt, Beets en Multatuli. Deze humor heeft de Reynaert gemeen met ‘Oudgermanië’, in de oude Noorse literatuur is ze ook terug te vinden. Buitenrust Hettema plaatste dus de Reynaert binnen een Germaans cultuurgebied en volgde daarmee indirect
de lijn van Jacob Grimm.53 De Reynaert is volgens Buitenrust Hettema ontsproten aan de Germaanse stam en heeft wortels in een ver verleden.
Muller heeft in heel zijn wetenschappelijke carrière een andere opvatting dan Buitenrust Hettema gehad. Muller geloofde beslist niet in het idee dat de ouderdom van de Reynaert terugging tot oeroude tijden. Grimms idee van een ‘overoude, Germaansche, naïeve volkssage’ bestempelde hij als een ‘romantisch droombeeld’.54 Mullers filologische arbeid was ingebed in een typische vorm van Noord-Nederlands zelfbewustzijn. Zijn ideeën ontwikkelden zich gedurende een halve eeuw van nationaal gericht naar meer Europees, mede onder invloed van de ontdekking van de naam Arnout in het Dyckse handschrift. Tot in het eerste decennium van de twintigste eeuw beschouwde hij taal nog als het bindend element van de natie.

mull010_p01

J.W. Muller.
Zoals veel Nederlanders was Muller gericht op Duitsland. Hij voelde zichermee verbonden doordat zijn grootvader uit Duitsland afkomstig was. Bovendienhad hij er een belangrijk deel van zijn wetenschappelijke vorming ontvangen.55 Muller voelde zich als Groot-Nederlander ook verbonden met hetlot van Vlaanderen. Hij keurde de verfransing af en verafschuwde de Duitse oorlogsagressie in de Eerste Wereldoorlog. Die tragedie heeft echter zijn visie op de Reynaert niet veranderd. Al voor de oorlog had hij contacten in Vlaanderenmet de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen te Gent. Zogaf het ‘buitenlandsche eerelid’ Muller op 19 februari 1908 een lezing voor de Academie over het pas ontdekte Dyckse handschrift.56 Die Vlaamse contactenzullen mede van invloed geweest zijn voor zijn visie op de Reynaert.
Muller heeft Leiden tot het centrum van de Reynaertstudie gemaakt. Hij promoveerde er op de Reynaert. Wel vervulde hij van 1902 tot 1915 een professoraat in Utrecht, maar daarna keerde hij terug naar Leiden om Verdam op te volgen.57 In zijn Leidse dissertatie uit 1884 schreef Muller dat de geest van de dichter van de Reynaert terug te vinden is in de werken van de stroming waar Bredero toe behoorde. Willem ziet hij als ‘een echt nationaal Nederlands kunstenaar’.58 Hij verandert in de loop der jaren zijn opvatting. In zijn edities uit 1914 en 1944 blijft hij weliswaar de geest van Willem herkennen in Brederode,

p. 29

maar het oordeel dat Willem ‘een echt nationaal Nederlands kunstenaar’ was, laat hij vallen. Bovendien voegt hij toe dat de geest van de Zuid-Nederlander Breugel ook in de Reynaert terug te vinden is. Die wijziging in opvatting valt deels te verklaren doordat de editie zowel in Gent als in Utrecht verscheen,maar deels ook doordat andere opvattingen over de volksaard de boventoon gingen voeren.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw kreeg in Nederland het idee dat de volksaard historisch gegroeid was de overhand.59 Muller suggereert heel sterk dat de Reynaert aan het begin van de vorming van het Nederlands karakter staat. In de Reynaert kwamen volgens Muller de Germaanse en Romaanse traditie samen. Het deel van Arnout kenmerkt zich door Franse zwier, maar hij is ‘geen Fransquillon’, en dat van Willem sluit bij de diepzinnige Germaanse traditie aan.60 Die visie past binnen het zelfbeeld van de burgerlijke elite in Nederland die zichzelf een plaats toebedeelde op de plek waar Europese cultuurstromen samenvloeien. De Leidse hoogleraar J. Huizinga (1872-1945) beschouwde de openheid van de Nederlandse samenleving naar het buitenland als ‘Nederland’s geestesmerk’. Van oudsher zouden de Nederlanders vertrouwd zijn met de Duitse, Engelse en Franse geest. De zeewind en de landwind laten
de Nederlanders vrij door de openstaande vensters van hun huis blazen. De Nederlandse cultuur werd steeds weer verrijkt door de buitenlandse invloeden.61 Voor Nederland zag Huizinga een middelaarsrol tussen West- en Midden-Europa weggelegd.62 Huizinga deelde dan wel niet de Groot-Nederlandse opvattingen van zijn collega Muller, maar algemeen was en is onder intellectuelen de opvatting dat het kenmerk van een handelsnatie als Nederland haar openheid naar de wereld is.
In 1934 sprak Muller zich expliciet uit tegen een nationalistische lezing van het verhaal. Hij oordeelde dat de opvattingen van sommige Zuid-Nederlandse vakgenoten – bedoeld is Van Mierlo – ‘misschien niet geheel buiten invloedvan zekere verklaarbare en verleidelijke, maar toch niet onbedenkelijke “Dietsche” (een enkele maal zelfs bijzonder Brabantsche of Vlaamsche), in “nationalisme” ontaardende vaderlandsliefde’ stonden.63 Die kritiek op Van Mierlo is later vaak herhaald,64 maar nooit eloquenter geformuleerd dan door Muller.
Hij noemde ‘het eene miskenning van ons voortreffelijke gedicht, wanneer men het dergelijke bedoelingen toeschrijft en het verlaagt tot een pamflet.’ Muller verzette er zich tegen dat de Reynaert geclaimd werd door om het even welke ideologische strekking of natie.65 Dat de Reynaert geen bepaalde politieke strekking heeft, was al in 1884 stelling XVII bij zijn dissertatie.66

p. 30

In 1944, in volle oorlogstijd, keerde Muller zich zelfs, zij het in een voetnoot,tegen het misbruik dat Robert van Genechten maakte van de Reynaert. Van Genechten had in 1941 een vervolg op de Reynaert geschreven, Van den Vos Reynaerde, ruwaard Boudewijn en Jodocus. In dit verhaal neemt de neushoorn Jodocus, die staat voor de joden, de macht over in het dierenrijk, waarna de democratie wordt ingevoerd en het komt tot rasvermenging waardoor de dieren hun ware aard verliezen. Uiteindelijk wordt de neushoorn verdreven door
Reynaert en herstelt hij de verdreven leeuw, de zoon van Nobel in zijn macht.Het antisemitische werkje kende het nodige succes tijdens de oorlog,67 maar Muller moest er weinig van weten. Voor Muller heeft dit werk ‘met den eigenlijken Reinaert’ niets te maken. Het is ‘een politiek, een anti- joodsch (spat. Muller), pamflet: Jodocus is hier de naam van een monsterachtig (krom-)neushoornig dier, dat overal kwaad sticht. Enz!’68
Muller zal waarschijnlijk ook persoonlijke redenen gehad hebben voor deze opmerking. Hij had gestudeerd in Bonn bij Joh. Franck, wiens carrière erg geleden had onder het toen ook virulente antisemitisme in Duitsland.69 De opmerking komt in een ander licht te staan als men weet dat Mullers zoon Frederik tijdens de oorlog ‘deutschfreundlich’ was. Frederik Muller, die hoogleraar klassieke talen in Leiden was, had als rector de Duitsers verwelkomd aan de Leidse universiteit, wat hem niet in dank afgenomen was door zijn collega’s. Uit het levensbericht van Muller senior is bekend dat hij de politieke keuze van zijn zoon verdedigde wanneer hij erop aangesproken werd, maar dat het hem tegelijk erg in verwarring bracht.70 Achter een voetnoot kan veel leed schuilen.
Net als zijn leermeester Franck stond Muller een afstandelijke, positivistische benadering van middeleeuwse teksten voor, die naadloos aansloot bij die van de liberale elite in Nederland. Voor Muller belichaamden de twee auteurs,Willem en Arnout, Nederlands geestesmerk.
Van Mierlo’s bijdrage aan de vorming van een Vlaamse literaire identiteit is misschien zijn meest blijvende erfenis: met zijn deel in de literatuurgeschiedenis ’Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden’ schiep hij een Vlaamse canon. De Reynaert neemt daar een ereplaats in. ‘Van den Vos Reinaerde is een echt, zuiver Vlaamsch kunstwerk’ voor Van Mierlo. Hij zag het verhaal over de vos als een uiting van breugeliaans realisme, ruwe scherts bestemd voor geschoolden.71 Daarmee zette hij zich wel af tegen een Vlaamse traditie om de Reynaert als volks te beschouwen: als de evenknie van Tijl Uilenspiegel.72 Deze in zijn werk aanwezige kiem om de Reynaert vanuit een theoretisch perspectief te analyseren, werkte hij niet uit in een grotere studie. Zijn werk is vooral een

p. 31

contrapunt bij het werk van Muller, die tussen de wereldoorlogen het onderzoek domineerde. Het is dan ook veelzeggend dat Van Mierlo een huldegave van Nederlandse vrienden en bewonderaars kreeg bestaande uit een bundeling van zijn Reynaertartikelen waar zijn kritiek op Muller in verwoord was.73 De bundel werd uitgegeven in de door Buitenrust Hettema gestarte reeks Zwolse Drukken en Herdrukken en een van de redactieleden was Hellinga, die juist zijn
Reynaerteditie het licht had doen zien.

5. De dubbelzinnigheden van Hellinga

In de Leidse Universiteitsbibliotheek zijn de commentaren en edities geschreven door Muller van de studiezaal Nederlandse Letterkunde onlangs verbannen naar het gesloten magazijn, waardoor de band met de onderzoekstraditie fysiek verbroken is. Een enkele maal kan de afstand met hem nog worden overbrugd wanneer per verrassing een boek uit het magazijn naar boven komt dat in het bezit geweest is van Muller.74 De eerlijkheid gebiedt echter ook te zeggen dat de werken van de generatie onderzoekers van voor de oorlog niet meer op de studeertafel van huidige Reynaertonderzoekers liggen. In plaats van de commentaren van Muller en de artikelen van Van Mierlo zijn de belangrijkste referentiepunten voor de Reynaertstudent van nu de edities van W.Gs Hellinga en F. Lulofs, de dissertaties van P. Wackers, A. Daele en de Davidsfondsuitgave van het Comburgse handschrift. Er is niet alleen de aflossing van de ene generatie onderzoekers door de andere, maar er is ook daadwerkelijk een breuk met het verleden ontstaan. Een nieuwe generatie had de belangstelling voor Willem en Arnout verloren en richtte zich op de tekst. Dat wil niet zeggen dat ze de opvattingen van een vroegere generatie niet verdisconteerden. De generatie onderzoekers na Muller en Van Mierlo moest zich echter wel lósmaken van hun werk. Hellinga en Arendt hebben dat op eenradicale manier gedaan.
Hellinga en Lulofs hebben de aandacht gericht op Willems taalspel en de vele al dan niet vermeende dubbelzinnigheden in de tekst. Ze hebben sterk de fantasie geprikkeld van de onderzoekers die na hen kwamen. In zijn literatuurgeschiedenis Stemmen op schrift wijdt Van Oostrom een hele paragraaf aan ‘taal en taboe’ in de Reynaert. De interpretatie van de dubbelzinnigheden behoort volgens hem tot de lastigste Reynaertkwesties en ‘varieert al naargelang persoonlijke appreciatie en waarschijnlijk ook wel dirty mind.’75 Die aandacht

p. 32

voor dubbelzinnigheden vloeit voort uit Hellinga’s theorie over taalgebruik van middeleeuwse dichters. Van Oostrom roept de vraag op of de proloog van de Reynaert wel als een dubbelzinnig meesterwerk geïnterpreteerd dient te worden.
Hellinga en zijn leerlingen, daaronder was ook Lulofs, beschouwden de commentaar als het middel om de tekst te interpreteren. Door deze benadering van de filologie is Hellinga wel beschouwd als de grondlegger van de Amsterdamse school.76 In 1952 verschenen de eerste twee Reynaertstudies van Hellinga. Als opvolger van de synoptische editie van Buitenrust Hettema verscheen de monumentale Reynaerteditie, waarin alle bronnen van vóór 1500 parallel naast elkaar waren afgedrukt.77 Als voorstudie voor een commentaar schreef Hellinga een kleine bijdrage over de namen in de Reynaert. Daarna publiceerde hij nog twee essays: één in het literaire tijdschrift Maatstaf78 en één in het wat moeilijker bereikbare Jaarboek van de Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’.79

hell014_p01

W.Gs Hellinga
In zijn werk benadrukt Hellinga dat het verleden radicaal anders is dan het heden.80 Het was de taak van de vakman om een brug te slaan tussen hedenen verleden.81 Vooral aan Hellinga hebben we te danken dat we de Reynaert niet meer zien als de belichaming van de Vlaamse volksaard, maar als een cynisch portret van mens en samenleving. In ‘Het laatste woord’ interpreteert hij het slot als het huiveringwekkende einde van het rijk van koning Nobel. De pays aan het slot is in werkelijkheid de machtsovername door het Boze.82 Deze these is bepalend geworden voor de interpretatie van de Reynaert door Lulofs,Bouwman en Van Daele, waar het zelfs de vorm heeft aangenomen van eenapocalyptisch einde. In het recente onderzoek is deze visie onder vuur komen te liggen. Er lijkt mij geen enkele reden om het slotvers van de Reynaert ‘Ende maecten pays van allen dinghen’ (A 3469) als de triomf van het kwaad te interpreteren,integendeel, door zijn ingrijpen voorkomt Firapeel dat de vos het rijk van koning Nobel ten onder brengt.83 Hellinga’s interpretatie van de Reynaert zegt meer over zijn wereldbeeld dan over het middeleeuwse.Hellinga trekt in ‘Het laatste woord’ de Reynaert in de belevingswereld van een modern publiek door als eerste het gedicht te vergelijken met Under Milk Wood van Dylan zijn voordrachten op de radio dachten zijn tijdgenoten dat hij de attitude had van een middeleeuwse bard.86 In die visie van Hellinga was Willem een verzetsstrijder tegen kerk en (Franstalige) overheid die illegaal op de Gentse markt een gedicht voordroeg.87 De woorden van Reynaert hebben volgens Hellinga een subversief, ontregelend karakter.

p. 33

Het cynisme van Hellinga en Dylan denken dan aan het nihilisme van W.F. Hermans, zoals dat bijvoorbeeld blijkt uit zijn oorlogsnovelle Het behouden huis. Van Oostrom refereert niet zonder reden aan Hermans in zijn bespreking van de Reynaert.88 Eigenlijk slaat
Hellinga’s nihilisme een brug tussen zijn oorlogsverleden en de middeleeuwse Reynaert. Als uitgever van een verzetskrant kende Hellinga de ontwrichtende kracht van woorden.
Als docent haalde professor ‘Springvloed’ het bloed onder de nagels van zijn studenten door een vilein spel met woorden te spelen.89 Inspiratie voor zijn colleges en zijn interpretatie van de Reynaert haalde Hellinga uit de structuralistische linguïstiek van De Saussure, die leerde dat er een verschil was tussen vorm (betekenaar) en betekenis.90 Hellinga’s premisse was dat een twaalfde-eeuwse dichter er altijd op uit is door middel van één vorm meer mededelingen te doen. Willem stond in de traditie van de troubadourspoëzie, die gekenmerkt kan worden als gecompliceerde ‘duistere poëzie’.91 In methodologisch opzicht,geloofde Hellinga, is het daarom nuttig ervan uit te gaan dat ‘we het nooit te vèr kunnen zoeken’. Lezing van Curtius’ Europäische literatur und lateinisches Mittelalter had hem geleerd dat in de periode dat de Reynaert geschreven zou zijn, grote geleerden genoten van een gecompliceerd en streng gereglementeerd vormenspel. Door een spel met namen konden de grofste, scabreuste grappen gemaakt worden. De middeleeuwse mens had immers een andere ‘geestesstructuur’ die minder inhibities kende dan de onze.92
In het eerste artikel dat Hellinga publiceerde, stelde hij, zonder enige verdere uitleg, dat de Reynaert beschouwd moet worden als het werk van één dichter. Plompverloren brengt hij als hypothese naar voren dat in plaats van Arnout de dichter van de Ysengrimus Nivardus gelezen moet worden.93 In het Jaarboek van de Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’ ontvouwt hij een heel andere theorie over het ontstaan van de Reynaert. In dit artikel gaat Hellinga ervanuit dat beroepsvertellers op Vlaamse markten Reynaertverhalen vertelden. Veel van die jongleurs zullen ook de Franse verhalen gekend hebben, maar waren niet in staat die te bewerken voor een Nederlandstalig publiek: dat was het werk van een dichter. De voorganger van Willem heeft die tekst wel uit het Frans omgewerkt, maar kennelijk niet volledig.
Die tekst moet veel succes gekend hebben. Hellinga veronderstelde dat jongleurs die de tekst voordroegen er wel een passend einde aan geflanst hebben.Uiteindelijk moet die Vlaamse tekst zelfs in Duitsland beland zijn. Hijleidt dat af uit de opvallende overeenkomsten tussen Van den vos Reynaerde

p. 34

en Reinhart Fuchs. In Reinhart Fuchs is in de slotverzen te lezen dat deze tekst een bewerking is van het verhaal van Heinrich der Glîchezâre. Om die reden speelt Hellinga met de gedachte dat oorspronkelijk in vers 6 gestaan heeft: ‘die Hendrik niet hevet vulscreven’.94 Hellinga ontleende deze gedachte aan het onderzoek van Muller, die erop wees dat de Vlaamse Reynaert opvallende overeenkomsten vertoonde met de Duitse Reinhart die niet terug te vinden waren in de Roman de Renart.95 Deze veelbelovende gedachtegang is nooit uitgewerkt. Integendeel, sinds Hellinga dit schreef is de Duitse connectie volledig uit beeld verdwenen.
In hetzelfde Jaarboek ventileert Hellinga ook de gedachte dat Arnout een spotnaam zou zijn, wat past binnen zijn visie dat de Reynaert een tekst vol dubbelzinnigheden en taboes is. De kopiist van Dyck zou het spelen met vormen in de proloog herkend hebben. Deze kopiist zou de naam van een eerdere dichter vervangen hebben door die van de patroon van de hoorndragers. Die verandering was functioneel want, zo meende Hellinga, de naam Arnout, bekend als patroon van de hoorndragers, zou suggereren dat iets seksueels niet verteld werd. In dit geval zou de voorganger van Willem de verkrachting van de wolvin in zijn verhaal verzwegen hebben.96 Het idee dat Arnout een insluipsel was, zal Hellinga wel van Buitenrust Hettema overgenomen hebben, de gedachte dat Arnout de patroon van de hoorndragers was, ontleende hij misschien aan Muller,hoewel de laatste er onmiddellijk aan toevoegde dat deze gedachte te ver gezocht was.97 Zijn redenering is een voorbeeld van hypothese op hypothese stapelen, geschraagd door zijn opvattingen over semiotiek. Voor Hellinga is in principe elk woord en elke naam meerduidig. Peeters en Van Daele vragen zich dan ook af of Hellinga niet doorschiet in zijn interpretaties. Zij gebruiken de termen ‘over-interpretation’ en zelfs ‘Hineininterpretierung’. Van Daele voegt daar echter aan toe dat meer onderzoek noodzakelijk is …98 In dezelfde geest heeft Hans Rijns zich uitgelaten. Hoewel hij onomstotelijk aangetoond heeft dat waar Hellinga dubbelzinnige betekenissen meende te ontwaren, er in de bronnen geen enkele aanwijzing voor dubbelzinnigheid terug te vinden is,schrijft hij toch: ‘Wellicht dat Hellinga na verder speurwerk ook voor wat de
door hem veronderstelde dubbelzinnigheden betreft alsnog gelijk krijgt.’99 Het prestige van Hellinga geeft ondanks alle kritiek tot op de dag van vandaag een vrijbrief om de Reynaert te lezen als een verborgen discours over seksuele en andere taboes.100
Al in de jaren zeventig vond Bosch, hoogleraar aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, de benadering van Hellinga, hoogleraar aan de Universiteit van

p. 35

Amsterdam, geen vooruitgang. Volgens Bosch was in Hellinga’s benadering‘een systematisch tekort (…) gelegen (door)dat het bepaald werd door een eng,linguaal bepaald perspectief.’ Bosch doelde daarmee op de door Hellinga omarmde benadering van De Saussure, die Hellinga wilde toepassen op de Reynaert bij het schrijven van een commentaar. De methode kwam hierboven al aan de orde bij de bespreking van Hellinga’s interpretatie van de naam Arnout.
Naar het oordeel van Bosch steeg deze benaderingswijze niet boven het niveau van details uit. Het voorbeeld van hoe het wel moest, was het proefschrift van Arendt, die wel de Reynaert als een geheel bestudeerde.101

6. Dichter en structuur in de visie van Arendt

Het valt te betwijfelen of Arendt en Hellinga elkaar gekend hebben. Ze lijken volledig langs elkaar te hebben gewerkt. Arendt promoveerde in Keulen, terwijl Hellinga op hetzelfde moment in Amsterdam een commentaardeel bij zijn editie voorbereidde. Voor zijn dissertatie Die satirische Struktur des mittelniederländischen
Tierepos “Van den vos Reynaerde” uit 1965 inspireerde Arendt
zich op de studie van Hans Robert Jauß uit 1959 over het middeleeuwse dierdicht102 en net als bij Jauß ging zijn aandacht dan ook uit naar de aard van satire in dierenverhalen. Daar is zijn onderzoek niet bekend mee geworden. In het Reynaertonderzoek is Arendts werk beroemd geworden door de aandacht voor de ruimtelijke structuur en de liststructuur. Het uitgangspunt voor zijn
studie was het dominante beeld van Muller. Na een uitvoerige bespreking van zijn opvattingen kwam hij uiteindelijk tot de conclusie dat de structuur van de Reynaert zo hecht is dat het wel het werk van één dichter moet zijn, alleen het slot zou later toegevoegd zijn. Na uitgebreid op de opvattingen van Muller te
zijn ingegaan, koos hij in de discussie over het auteurschap weloverwogen de zijde van Van Mierlo.
Net als Van Mierlo gelooft hij dat met Arnout de Franse dichter Perrot bedoeld wordt. Arendt begreep het omstreden vers 6 zo dat Perrot niet Le plaid,een branche uit de Roman de Renart, voltooid had, en Willem daarom begonnen was aan een ‘Umarbeitung’.103 Het is een gewrongen interpretatie, want het is onloochenbaar dat Le plaid een compleet verhaal is. Bouwman heeft deze visie van Arendt afdoende weersproken.104 Al is niet zo lang geleden in Tiecelijn
een vergelijkbare lezing voorgesteld door de romanist Paul Verhuyck.105 Arendt heeft, weliswaar aarzelend, een theoretisch gerichte benadering van de Reynaert in het onderzoek geïntroduceerd. Hij brak met de traditie om de

p. 36

Reynaert te lezen als een verhaal ontsproten aan ‘Vlaemsche bodem’. In zijn radicale nieuwe structuralistische benadering is de Reynaert voor alles literatuur.
De afkondiging van pays en vrede zijn, volgens Arendt, meer dan juridische termen. Het zijn magische woorden waarmee koning Nobel een utopische wereldorde afgekondigd heeft. De Reynaert is in zijn visie gestructureerd rond de confrontatie tussen de geordende wereld van het hof van koning Nobel en de vossenwereld van Reynaert. In de verschillende werelden heersen verschillende
wetten. De koningsvrede is voor Willem een metafoor voor de schijn die heerst in de menselijke samenleving.106 De ruimte is in de analyse van Arendt symbolisch geladen, de plaats van handeling is slechts nominaal Vlaanderen. Arendt zette zich daarmee af tegen een ‘nationalisering’, zoals Buitenrust Hettema dat noemt, van het landschap.107
Dat de benadering van Arendt zoveel weerklank gevonden heeft, moet vooral verklaard worden door de diepe behoefte in de jaren zestig om afstand te nemen van de vooroorlogse bewonderende manier om teksten te lezen binnen een nationaal kader. In de jaren zestig werd de auteur bovendien dood verklaard en daarmee ook ontheiligd.108 Voor de Reynaert betekende dit dat de vraag
wie Willem en Arnout waren naar de achtergrond verdween. Om begrijpelijke redenen was nationalisme na de Tweede Wereldoorlog in diskrediet geraakt.Arendts Reynaertvisie is dus mede ingegeven door het afstand nemen van het recente verleden door de Reynaert als een universeel verhaal te beschouwen,ontdaan van elke heroïek doordat het in Vlaanderen ‘beheimatet’ is.109 Arendt wilde de ridiculisering van het hondje Courtois juist niet als een uiting van
sympathie voor een ‘eine frühe “flämische Bewegung”’ zien.110
Hellinga heeft nooit gereageerd op Arendt, dat liet hij over aan zijn medewerker
Lulofs, die in 1967 zijn eerste artikel over de Reynaert gepubliceerd had.111 Lulofs liet weinig van Arendts werk heel en het was hem ook niet ontgaan dat Arendt het artikel ‘Het laatste woord is aan Firapeel’ van zijn chef niet kende.112 De ideeën van Hellinga, ook als ze nauwelijks uitgewerkt waren,moesten richting geven aan het Reynaertonderzoek, meende Lulofs. Zo vond Lulofs dat Arendt ook de hypothese van Hellinga dat met Arnout de schrijver
van de Ysengrimus bedoeld was bij het onderzoek had moeten betrekken, terwijl nota bene Hellinga alweer van mening veranderd was.113 Ondanks deze kritiek is de invloed van Arendt op de Reynaertstudie niet te onderschatten. Arendts ‘andere kijk gaf het Reynaertonderzoek een nieuwe adem’, schrijft zijn navolger Van Daele.114 Dat gold vanzelfsprekend alleen buiten de kringen van Hellinga en Lulofs.

p. 37

7. De vossenjager Lulofs

Het idee van Hellinga dat in de Reynaert met taboes wordt gespeeld, schiep de behoefte om de tekst in zijn cultuurhistorische context te plaatsen. Daarmee verschoof de context waarbinnen de Reynaert bestudeerd werd van de taalkunde naar de cultuurhistorie. Toen Hellinga de belangstelling voor de Reynaert verloor nam Lulofs zijn taak over om een commentaar te gaan schrijven. Lulofs boek Nu gaet Reynaerde al huten spele uit 1975 en zijn veelgeroemde commentaar bij de editie van de Reynaert spreken tot op de dag van vandaag aan door de prikkelende, cultuurhistorische beschouwingen.115
Anders dan veel onderzoekers vereenzelvigt Lulofs zich niet met de schrijver van de Reynaert. Een alwetend perspectief is hem vreemd. Lulofs vergelijkt zichzelf met een speurhond die schijnbaar doelloos rondloopt, terwijl hij het spoor van een vos probeert te volgen. Ironisch reageert hij op Bosch door op te merken dat zo’n beest maar weinig perspectief heeft zo laag bij de grond, maar door zijn fijne neus, zijn uithoudingsvermogen en zijn plezier in het zoeken,krijgt het beest uiteindelijk toch de vos in het vizier.116
In zijn boek Nu gaet Reynaerde al huten spele nam Lulofs de opvatting van Hellinga over. Ook Lulofs meende dat Arnout toegevoegd is door de kopiist van het Dyckse handschrift. Deze kopiist zou de parodistische functie van de proloog hebben onderkend.117 Lulofs ontworstelt zich echter aan de schaduw van zijn leermeester in zijn editie. Hij kon zich Willem niet voorstellen als een joculator die op markten zijn gedicht voordroeg en daarbij steeds op zijn hoede moest zijn voor de autoriteiten. De religieuze uitspraken van Willem hebben evenmin een ketterse strekking als de katholieke ezelsmis (het zottenfeest).Bovendien is het niveau van de tekst te hoog voor een voordracht op de
markt.118 Ook wat Arnout betreft gaat Lulofs minder ver dan Hellinga. Hier is niet meer te lezen dat de naam Arnout afkomstig zou zijn van de kopiist van het Dyckse handschrift. Voorzichtiger dan zijn leermeester stelt hij dat niet uitgesloten is, dat in de proloog niets letterlijk genomen mag worden, maar alles ironisch is bedoeld. Zo zou het noemen van twee auteurs een parodiëring kunnen zijn van het noemen van twee auteurs in ridderromans als de Roman van Walewein en met ‘vite’ zou bedoeld worden dat een heiligenleven geparodieerd ging worden, schrijft hij in het commentaar bij zijn editie.119

Lulofs

Frank Lulofs.
In de inleiding van zijn Reynaerteditie schrijft Lulofs echter dat het hem het meest waarschijnlijk lijkt dat Arnout de dichter van een ander Reynaertverhaalis.120 Volgens Van Oostrom was deze opvatting in de jaren tachtig vrijwel unaniem geaccepteerd, maar

p. 38

die mededeling moet berusten op informatie uit de wandelgangen. In de literatuur is ze niet terug te vinden. Rik van Daele schrijft dat de naam van Arnout met raadselen omgeven is en laat dat typografisch ook tot uiting komen in zijn commentaar in de Davidsfondseditie.121 Hij noemt verschillende mogelijkheden, waarvan de hypothese dat de naam Arnout dubbelzinnig begrepen moet worden er een is. Zo blijft deze mogelijkheid een rol spelen in het onderzoek. Naar mijn mening ten onrechte.
De verborgen mededeling dat een bedrogen echtgenoot Arnout een heiligenleven niet gecompleteerd zou hebben en dat dit verhaal nu, zoals gebruikelijk bij een klassieke ridderroman door een tweede schrijver is voltooid, komt op mij over als een volledig absurde mededeling die ook niet bedoeld kan zijn door de dichter. Als alle dubbelzinnigheden die Lulofs in zijn commentaar noemt122 serieus
worden genomen, is dit de ultieme consequentie van de leeswijze die Hellinga voorstond. Hellinga vond dat het nooit ver genoeg gezocht kon worden.Achter elke verborgen betekenis valt weer een ander, verborgen taboe te vermoeden.De opvatting dat Arnout de patroonheilige zou zijn van de bedrogen echtgenoten gaat waarschijnlijk terug op het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW). Het MNW verklaart ‘Sinte Aernouts broederscap’, als het gilde van de bedrogen echtgenoten, het hoorndragersgilde. Deze uitdrukking is echter alleen maar geattesteerd in Die rose. De uitdrukking zou verwant zijn aan het Franse ‘estre logé à l’hostel S. Hernoux’. Voor die kennis beroept het MNW zich op het Glossaire van Roquefort uit 1808!123 Verwijs geeft in zijn editie van Die rose overigens wel meer informatie over deze Franse uitdrukking,124 maar er is geen verder bewijs te vinden dat de naam Arnout in het Nederlandse taalgebied geassocieerd werd met overspel. In de dertiende eeuw kwam in Vlaanderen de naam Arnout frequent voor. Zo is in Brugge tijdens de dertiende eeuw de naam maar liefst 645 maal geattesteerd in Middelnederlandse ambtelijke teksten.125 Die Arnouts zullen zeker niet allemaal vanaf hun geboorte bekend hebben gestaan als hoorndragers. De mogelijkheid dat Arnout geïnterpreteerd moet worden als een scabreuze toespeling kan dus gevoeglijk geschrapt worden. Het probleem met de ironische interpretatie van de proloog is dat álles ironie en dubbelzinnigheid wordt, wat ten koste gaat van de eenheid van de tekst.
De werkwijze van Lulofs, het spoorzoeken, wordt niet geheel ten onrechte als voorbeeldig beschouwd. Lulofs staat bekend als de meester-filoloog die elk detail uitpluist, waarvan zijn twaalf pagina’s lange analyse van ‘cloesterbier’(vers 1955) het klassieke voorbeeld is.126 Het verwijt dat deze microscopische arbeid het zicht op de literaire tekst doet verliezen, beantwoordt hij door te

p. 39

zeggen dat in de wetenschap toch de opvatting gangbaar is dat kennis van details het inzicht in het geheel alleen ten goede kan komen.127 De methode van Lulofs is dat hij een zo’n groot mogelijk ‘feitenaanbod’ creëert door alle beschikbare teksten met elkaar te vergelijken.128 In colleges aan studenten zette Lulofs zich, net als zijn leermeester Hellinga129, dan ook af tegen het geklets over lijnen, verbanden, ontwikkelingen, genres en noem maar op. Maar aan tekstinterpretatie werd niet gedaan. Het was alsof een huis gebouwd werd zonder fundament, hield hij zijn studenten voor. Terugkijkend vergeleek een van die studenten de detaillistische filologie van Lulofs met filatelie. In het buitenland schreven ze boeken, hield deze briljante student Lulofs voor, maar Nederlanders doen dat niet. Dat is een natie van schriftgeleerden en dominees, tekstuitleggers en tekstverbeteraars.130 De editie met het commentaar kwam er uiteindelijk, niettegenstaande deze kritiek van zijn leerling Pleij.Ook in het commentaar houdt Lulofs vele interpretatiemogelijkheden open. Te veel naar mijn overtuiging. Wie speurt naar dubbelzinnigheden raakt snel het spoor bijster.

8. Gysselings vroege getuige van de taalstrijd

Niettegenstaande dat het hof van Nobel en het hol van Reynaert nergens expliciet gelokaliseerd worden in het verhaal, populariseerde Maurits Gysseling de opvatting dat de Reynaert zich zou afspelen tussen Gent en Hulst. Gysseling is een opmerkelijke verschijning in het Reynaertlandschap.131 Hij genoot een zeer hoog aanzien, onder meer door zijn dissertatie uit 1960 die handelt
over de noordwaartse verschuiving van de taalgrens sinds de vroege middeleeuwen, die dus verscheen kort voor de definitieve vastlegging van de taalgrens twee jaar later.132 Bijgevoegd was een dik toponymisch woordenboek, waarmee hij ook onder lokale historici in Vlaanderen een autoriteit werd. Gysseling is onsterfelijk geworden door alle voor 1300 in het Nederlands geschreven bescheiden
en handschriften, literair en ambtelijk, uit te geven in vijftien dikke delen, die in de wandeling het Corpus Gysseling wordt genoemd. In dit Corpus zijn ook het Rotterdamse fragment en het Darmstadtse fragment van de Reynaert uitgegeven. De belangstelling van Gysseling voor de Reynaert hangt samen met de arbeid aan het Corpus, waaraan hij begon in de jaren zestig.
Hoewel deze fragmenten afkomstig zijn uit het Limburgse en Gelderse dialectgebied,vertonen ze volgens Gysseling een substraat dat grote

p. 40

overeenkomsten vertoont met de taal zoals de Gentse klerken die omstreeks 1240 schreven.Vertrekkend vanuit deze observaties trekt Gysseling een heel bouwwerk op. In een eerste artikel uit 1967 dateert hij de Reynaert in de dertiende eeuw. Hij volgt de mening van Van Mierlo dat met Arnout de dichter van de Roman de
Renart bedoeld zou kunnen zijn: Perrot. Gysseling denkt dat het de bedoeling van de dichter was om ook in de proloog zijn Franse model te parodiëren.133 In volgende artikelen verlaat hij deze ideeën.
Op het Reynaertcongres dat in 1972 in Leuven werd gehouden hield Gysseling een lezing waarin hij het verhaal met de middeleeuwse topografie van Vlaanderen en de historische gebeurtenissen verbindt. Aanvankelijk situeert hij het verhaal in de dertiende eeuw, maar later komt hij tot de slotsom dat het verhaal zich moet afspelen in een periode dat Vlaanderen nog niet geheel verfranst was, dus ten tijde van Filips van den Elzas die regeerde van 1168
tot 1191. De voertaal op de hofdag zou toen nog het Nederlands zijn, hoewel de taal van de vorst het Frans was. Met het hondje Cortois, denkt Gysseling,maakt de dichter de franskiljons belachelijk. Het hondje staat volgens hem voor ‘de zoollikker, die waant hoofs te zijn’ door Frans te spreken. Gysseling leest de Reynaert als een sleutelroman. Het hof van koning Nobel zou in het
Gentse Gravensteen gelegen zijn. Op basis van de beschrijving van het landschap in de Reynaert meent Gysseling de route die Bruun volgt van Gent naar Maupertuus te kunnen reconstrueren. Reynaerts burcht Maupertuus zou bij Sint-Jansteen gelegen moeten zijn. Het dorp waar Bruun mishandeld wordt,zou in werkelijkheid Hulst geweest zijn. De Reynaert ziet Gysseling als een satire op de hoogste kringen, geschreven door een stadsklerk van Gent, die misschien zelf wel zijn leven op het spel zette. Deze stadsklerk zou de veel
voorkomende namen Willem en Arnout gebruiken om zijn identiteit te camoufleren.134
Gysselings opvattingen zijn duidelijk ingebed in zijn denkbeelden over de taalstrijd. In het onderzoek zijn ze lang als een serieuze wetenschappelijke hypothese beschouwd.135 Gysseling genoot in de wetenschap zoveel prestige dat hij niet snel tegengesproken werd, of misschien geldt hier dat hij zich niet liet weerspreken. Van Daele herinnerde zich hem als een man die er andere ideeën over de Reynaert op nahield. Als taalkundige zette hij zich af tegenover van zijn visie afwijkende opvattingen, zoals die van Arendt, die hij op zijn eigen terrein met grote eruditie kon weerleggen.136 Van Daele en Bouwman hebben echter met zijn opvattingen komaf gemaakt.137 Zij kozen voor een literaire benadering
van de Reynaert.

p. 41

9. De verleiding van intertekstualiteit bij Bouwman

In 1991 promoveerde A. Reinaert en Renart, waarin hij Van den vos Reynaerde met zijn Franse voorbeeld de Roman de Renart vergeleek. Zijn gedetailleerde werkwijze kan alleen vergeleken worden met die van Muller. In zijn uiterst nauwgezette analyse van afzonderlijke passages betrekt hij de opvattingen van alle voorgangers. Wie
Bouwman leest, krijgt licht de indruk dat er niets meer valt te onderzoeken.
Zijn dissertatie is de wetenschappelijke standaard voor het Reynaertonderzoek,waaraan nieuwe inzichten gerelateerd moeten worden. Bouwman leest de Reynaert als een literair werk dat functioneert in samenhang met andere literaire werken. Voor hem krijgt de Reynaert betekenis door intertekstualiteit.Zijn ideeën over intertekstualiteit werkte Bouwman verder uit in het artikel ‘Taaldaden’ dat gepubliceerd is in de bundel Op avontuur. Het artikel is vaak aanbevolen als richtinggevend.138 De opvattingen van Bouwman over intertekstualiteit
in de Reynaert hebben weliswaar ruime verspreiding gekregen,
tegelijkertijd zijn ze ook omstreden. In de inleiding zagen we al dat Herman Heyse er sceptisch tegenover stond. Ik beperk me hier tot de rol die Bouwman aan Arnout toebedeelt in een intertekstueel netwerk.
Arnout speelt een belangrijke rol in de opvatting van Bouwman over intertekstualiteit. In zijn dissertatie laat Bouwman de vraag of de Reynaert door een of twee dichters geschreven is niet onbesproken. In beide delen van het gedicht zijn dezelfde bronnen gebruikt en voor beide delen is dezelfde bewerkingstechniek te constateren. Zijn analyses worden nog eens bevestigd door een computeranalyse
van Willem Kuiper, waarvan Bouwman verslag doet in zijn dissertatie. Kuiper kon geen significante verschillen in taalgebruik tussen beide delen vinden. Bouwman heeft dit Reynaertprobleem definitief opgelost en er een ‘Schlußstrich’ onder
gezet.139 Dat wil overigens niet zeggen dat de interpretatie van de proloog nu onproblematisch is. Bouwman vergeleek niet zonder reden de proloog met een wiskundige vergelijking waarvoor geen ‘definitieve oplossing’ mogelijk is.140
Bouwman is een ijverige student geweest van het werk van Van Mierlo, getuige de (potlood)aantekeningen in het Leidse exemplaar van het boek waarin de verzamelde artikelen van Van Mierlo over de proloog staan.141 Daaruit blijkt dat hij de discussie over de proloog geanalyseerd heeft vanuit de relatie tussen de Franse Renart en de Vlaamse Reinaert. ‘Toch’, zo schrijft hij (mijn cursivering),‘blijft het verleidelijk om in de mysterieuze persoon (i.e. Arnout) een Franse Renart-dichter te zien.’ Hij vermoedt dat Van Mierlo en Arendt ten

p. 42

onrechte denken aan één Renartverhaal terwijl met ‘die avonture’ van Reynaert mogelijk tenminste één Frans verzamelhandschrift bedoeld zou kunnen zijn.
In zijn dissertatie stelt Bouwman het heel voorzichtig, maar in ‘Taaldaden’gaat hij een stap verder door te stellen dat het geïntendeerde publiek ook de Renartverhalen uit een Frans verzamelhandschrift zou kennen. Hij maakt daarbij gebruik van de definitie van intertekstualiteit zoals die voorgesteld
was door B. Besamusca. Het publiek zou beseft hebben dat het verhaal anders werd verteld dan in de Franse Roman de Renart.142 Er zou zich dus een ‘textual community’ gevormd hebben om de verhalen uit één of meer verzamelhandschriften van de Roman de Renart geregeld voor te dragen.143 Bouwman lijkt zich een Reynaertgenootschap avant la lettre voor te stellen. Dat is een
vergaande visie op intertekstualiteit. Bouwmans opvattingen over wie Arnout was, kunnen niet los gezien worden van zijn positieve waardering voor het verschijnsel intertekstualiteit, die misschien iets te maken heeft met de fascinatie van intellectuelen voor de Republiek der Letteren, een begrip verbonden met Leids onderzoek naar ‘men of letters’ en een Europees cultuurideaal.144
Ik vraag me af of Bouwman op de gedachte dat Arnout de schrijver van meerdere Franse branches was, gekomen zou zijn, als hij niet heel vertrouwd was geweest met het werk van Van Mierlo. In het Reynaertonderzoek zijn zijn opvattingen niet overgenomen. De enige die zijn opvatting overgenomen heeft is Posthuma in zijn recente vertaling.145 In de Davidsfondseditie noemt Van Daele in zijn uitvoerige opsomming waaraan men dacht bij de naam Arnout de
visie van Bouwman niet eens.
Volgens Van Oostrom circuleerden er al Reynaertverhalen in het Vlaams voor 1150.146 De overeenkomsten tussen Reinhart Fuchs en Van den vos Reynaerde die Muller in de jaren dertig signaleerde duiden op het bestaan van een Reynaertverhaal in het Diets voor 1200.147 Er is daar nog meer onderzoek naar nodig, maar ik kan alvast zeggen dat door de observaties van Muller de visie van Bouwman op de genese van de Reynaert ter discussie komt te staan. Willem en
Arnout werkten niet exclusief in een schriftelijke traditie maar bewogen zich op het grensvlak van oraliteit en schriftelijkheid. Het is een verleidelijke gedachte.

10. Het literaire landschap van Van Daele

Rik van Daele besteedt in zijn dissertatie ruim aandacht aan het historischgeografisch onderzoek naar de Reynaert, dat in de ‘serieuze’ wetenschap zo vaak veronachtzaamd wordt.148 In zijn proefschrift Ruimte en naamgeving

p. 43

constateert Van Daele, dat er een breuk ontstaan is tussen de wetenschappelijke studie en de bredere receptie van de Reynaert. De benadering van Arendt staat diametraal tegenover de historisch-geografische benadering van de Reynaert. Onder invloed van de moderne literatuurwetenschap zijn de traditionele vragen
naar auteur, datering en lokalisering van de Reynaert naar de achtergrond verdwenen, terwijl bij een breed publiek daar juist meer interesse voor is.149 Het valt Van Daele te prijzen dat hij ingaat op de vragen vanuit de samenleving.
Niemand is zo goed op de hoogte van de lokaalhistorische publicaties over de Reynaert als Van Daele. Vaak zijn de schrijvers lokale autoriteiten, pastoors en leraren, van wie het gezag in de eigen gemeenschap onomstreden is, zo blijkt uit Van Daeles studie. Mede door hun toedoen wordt sinds de jaren vijftig de Reynaert niet meer in de eerste plaats met Vlaanderen verbonden,maar met een welbepaalde regio binnen Vlaanderen, het Land van Waas.150 Die bevindingen zijn op lokaal niveau gecultiveerd door her en der in de streek Reynaertbeelden en -banken te plaatsen. Van Daele oordeelt streng over het historisch-geografisch onderzoek waarbij de eigen streek geprojecteerd wordt als het middelpunt van de Reynaertwereld. De meeste onderzoekers staan niet kritisch genoeg tegenover het eigen onderzoek en het ontbreekt hen aan dialoog
en synthese. Voor Van Daele is de Vlaamse Reynaert een verhaal dat deel uitmaakt van de Europese traditie en moet die traditie ook bij het onderzoek betrokken worden.151
Voortrekker van de Europese benadering van de Reynaertstof is Paul Wackers. In zijn in 1986 verdedigde proefschrift over Reynaerts historie en vele andere publicaties heeft hij de negatieve rol van taal in de Europese traditie van het dierenverhaal benadrukt.152 Van Daele sluit zich aan bij de visie van Wackers en verbindt die met de structuralistische benadering van Arendt. In zijn dissertatie,gepubliceerd in 1994, komt hij tot de slotsom dat door een aantal werkelijk bestaande plaatsnamen in het verhaal te noemen, het weliswaar een reëel landschap lijkt, maar in werkelijkheid om een literair landschap gaat. De taal van de
perfide vos bewerkstelligt dat de geordende hofwereld wordt getransformeerd in Reynaerts wildernis. De functie van de plaatsnamen is, zo stelt Van Daele, om de leugenachtige, ‘scone tale’ van de vos te benadrukken. Reynaerts leugens worden geloofwaardig door het gebruik van werkelijk bestaande plaatsnamen.
Door de menselijke taal en de bekende toponiemen als Hulsterloo en Gent betrekt het geïntendeerde publiek bovendien het verhaal op zichzelf: het universele verhaal gaat ook over de eigen, hoofse wereld van het Vlaamse gehoor. Het verhaal toont dat perfide taal ook hun (schijn)wereld in het verderf kan

p. 44

storten. Volgens Van Daele is deze pessimistische boodschap van het verhaal nog steeds relevant voor ons. De Reynaert is ook een spiegel voor de moderne mens,waarin hij zijn eigen onderbewuste ik kan herkennen. Reynaert ontmaskert de schone schijn en laat het beestachtige in de mens zien.153 Van Daeles inzichten
worden in het onderzoek breed gedeeld. Alleen de Gentse literatuurhistoricus Jo Reynaert is van mening dat deze moralistische lezing van het verhaal ‘de nodige eigen inbreng van de interpretant vereist’.154
Via de dichters Willem en Arnout brengt Van Daele, het lokale, het ‘oest hende van Vlaendren’ (A 2574) weer in het debat over de Reynaert. Zij zijn voor hem de scheppers van een literair Reynaertlandschap, waarin werkelijke bestaande plekken als het moer bij Hulsterloo een universele betekenis krijgen.De kracht van Van Daele’s benadering is dat hij de resultaten van lokaal onderzoek naar bijvoorbeeld Kriekeputte en de abdij van Boudelo verwerkt in
zijn analyse van het verhaal.Vanaf de jaren vijftig wordt in een reeks van lokale publicaties de gedachte dat de Reynaert verbonden is met de abdij van Boudelo in het Waasland breed uitgesponnen.155 Dit idee neemt Van Daele over als een serieuze optie uit het onderzoek van plaatselijke geschiedschrijvers. In de Davidsfondseditie stipt hij al de mogelijkheid aan dat de Reynaert wel eens geschreven zou kunnen zijn door een lekenbroeder van de abdij van Boudelo.Arnout is omgeven met raadsels, – het blijkt uit de vraagtekens die hij plaatst in zijn commentaar bij de naam Arnout –, maar tussen de vele mogelijkhedenwie Arnout wel eens zou kunnen zijn, hield hij nadrukkelijk de optie open dat
Arnout met Arnout van Elmare geïdentificeerd mag worden, een van de eerstemonniken van deze abdij. Van Daele speelt met de gedachte dat deze Arnoutvan Elmare mogelijk de vertaler was van een verhaal uit de Latijnse Ysengrimus of misschien heeft hij al voor Willem Le plaid in het Vlaams vertaald.156 Het idee dat Willem van Boudelo de schrijver van de Reynaert zou kunnen zijn, heeft hij uitgewerkt in zijn artikel ‘De robotfoto van de Reynaertdichter’,waarin we Willem van Boudelo leren kennen als een lekenbroeder in dienst van de gravin van Vlaanderen. Van Daele meent zelfs een cisterciënzer literaircircuit te kunnen ontwaren157 en aanvankelijk dacht hij dat ook Diederic van Assenede tot dit cisterciënzermilieu behoorde.158 Die hypothese heeft hij laten varen.159

rik van daele.jpg

Rik van Daele (links) in een kraampje van het Reynaertgenootschap.
Van Daeles compositiefoto maakt de dichter van de Reynaert een historisch figuur en plaatst hem in een welbepaalde context. Dat is een beeld dat weliswaar niet toetsbaar is, maar wel falsifieerbaar is. De reacties op Van Daeles voorstel zijn verdeeld. Bouwman en Besamusca vonden dat bewijs ontbrak.160

p. 45

Van Oostrom gaf toe dat deze Willem qua profiel alles mee heeft, maar hij vond dat de hypothese iets gratuits heeft.161 Jef Janssens staat positiever tegenover de gedachte om Willem te verbinden met Boudelo.162
Ook mijn interpretatie van het slot verzet zich niet tegen de hypothese van Van Daele. Een verzoening (‘pays’ A 3469) aan het eind van het verhaal en de kritiek op geestelijken die het niet zo nauw namen met de moraal, lijken te wijzen op een profiel dat goed past bij dat van een cisterciënzerconvers aan het Vlaamse hof. Van Daeles opvatting heb ik dan ook onderschreven.163 Toch kan
Van Daele mij uiteindelijk niet overtuigen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de aanduiding ‘broeder’ onlosmakelijk verbonden is met de identiteit van de persoon die aan een klooster verbonden is. Mocht Willem van Boudelo de dichter zijn, dan mag verwacht worden dat de dichter als ‘broeder Willem’ wordt geïntroduceerd. R. Malfliet heeft in publicaties van historici naar vermeldingen
van Willem van Boudelo gezocht. In de door Malfliet verzamelde
referenties naar oorkonden waarin Willem van Boudelo vermeld wordt, wordt hij bijna altijd broeder genoemd. De enkele vermeldingen waar dat niet het geval is, zijn afkomstig uit een zeer summiere tabel in een historische studie over de financiën van de Vlaamse gravin.164 Als deze vermeldingen buiten beschouwing gelaten worden, wordt Willem van Boudelo altijd aangeduid als broeder.
Op zijn zegel noemt Willem van Boudelo zichzelf nadrukkelijk ‘frere’.165 Ook uit het MNW blijkt dat het gebruikelijk was een convers aan te spreken met broeder.166 Uit de literatuurgeschiedenis zijn een aantal voorbeelden bekend
van dichters en vertellers die met broeder aangesproken worden. Broeder Geraert is de schrijver van een leven van Lutgard en een leven van Christina de Wonderbare, terwijl broeder Ghijsbrecht, een Wilhelmiet, de bron voor het verhaal over Beatrijs zou zijn geweest.167
Aangezien in de Reynaert Willem geen broeder wordt genoemd, mogen we
veilig aannemen dat Willem die Madocke maakte, niet gelijkgesteld mag worden met Willem, de lekenbroeder uit Boudelo. Er zijn te veel contra-indicaties om een literair circuit rond Boudelo waar Willem en Arnout deel van uitmaakten te veronderstellen. In ieder geval meet de dichter Willem zich geen religieuze autoriteit aan, noch kent hij die aan Arnout toe. Na een eeuw Reynaertonderzoek weten we nog steeds niet wie de dichters Arnout en Willem zijn.

p. 46

Conclusie: Arnout als spiegel

Na meer dan een eeuw Reynaertstudie is het punt bereikt dat een te veel aan interpretatiemogelijkheden tot overinterpretatie leidt. Op de vraag wie Arnout is, zijn veel verschillende antwoorden gegeven. Ze vallen te onderscheiden in vijf groepen. Ik geef ze hier in min of meer chronologische volgorde weer:

1) Arnout heeft niet bestaan, maar is een Hollands insluipsel. Dat is de mening van Buitenrust Hettema.
2) Arnout heeft echt bestaan. Daar vallen de volgende oplossingen te
onderscheiden:
a) Arnout heeft het deel van Van den vos Reynaerde geschreven, dat
romaans van karakter is. Het standpunt van Muller.
b) Arnout is de schrijver van branche I van de Roman de Renart. Uiteindelijk kwam Van Mierlo tot deze opvatting. In deze opvatting ziet men Willem als de geniale bewerker.
c) Arnout heeft een proto-Reynaert geschreven, waarop het tweede deel van de Reynaert gebaseerd is. Dat is het idee van Leonard Willems.
d) De schrijver wiens naam later veranderd is in Arnout heeft een verhaal geschreven dat lijkt op Reinhart Fuchs, zo beweert Hellinga.
e) Arnout is de schrijver van een verloren gegaan Reynaertverhaal. Demening is courant in de wandelgangen, maar is eigenlijk alleen met argumenten verdedigd door Delbouille.
f) Arnout is de schrijver aan wie meerdere verhalen uit de Roman de
Renart werden toegeschreven door het primaire publiek. Bouwman is
deze mening toegedaan.
3) Arnout is een schertsnaam. Dit is voorgesteld door Hellinga. Dit
zegt iets over hoe Hellinga de middeleeuwen zag, als een in moderne
ogen onbeschaafde tijd waar seksuele taboes nog niet volledig onderdrukt werden.
4) Arnout is een naam die de identiteit van de ware schrijver verhult. Zo kan de echte schrijver de Franstalige elite in Vlaanderen aanvallen. Gysseling kwam met dit voorstel.
5) Arnout is omgeven met raadsels, maar misschien afkomstig uit het
Waasland. Deze opvatting is te vinden in het werk van Van Daele. Samen met Willem maakt Arnout deel uit van een cisterciënzer literair netwerk. Zij zijn de scheppers van een literair landschap.
Zich een beeld vormen van Arnout betekent ook een oordeel vormen over zijn invloed op Willem. De opvattingen over wie Arnout is, zijn echter niet

p. 47

waardenvrij. Ze zeggen evenveel over degene die ze uit. Over de opvattingen van Van Mierlo is dat vaak gezegd, zijn flamingantisme is manifest, maar het gaat eigenlijk op voor alle onderzoekers. Buitenrust Hettema’s opvatting lijkt ingegeven door een afkeer van hollandocentrisme. Achter Mullers schijnbaar objectieve houding schuilt het wereldbeeld van de Nederlandse elite die Nederland
zag als een smeltkroes van de Europese beschaving, waar het beste van de Romaanse en Germaanse cultuur samenkwam.
Na de oorlog rekent Hellinga met deze opvattingen af door Arnout een
schertsfiguur te noemen. Bouwman ziet Arnout als een lidmaat van de Europese republiek van letteren. Het vermoeden dat Arnout wellicht een Waaslanderis, draagt bij tot het regionaal bewustzijn dat het Waasland het middelpunt is van het ‘Land van Reynaert’. De Reynaert integreert het Waasland cultureel in Europa, is de visie van Van Daele. Het mysterie rond Arnout maakt Van den vos Reynaerde alleen nog maar een meer intrigerend literair werk. Misschien vertaalde Arnout wel een verhaal uit de Latijnse wereldliteratuur?
De geschiedenis van het onderzoek leert dat onderzoekers zich niet kunnen onttrekken aan de normen en waarden van hun eigen tijd en omgeving. Zij proberen de Reynaert deel uit te laten maken van hun eigen wereld: te claimen als erfgoed door de tekst een betekenis te geven voor een modern publiek.De middeleeuwse tekst geeft betekenis aan onze moderne identiteit. Er is een opvallende verschuiving in wat de Reynaert zegt over onze identiteit. Voor de oorlog zagen Muller en Van Mierlo het Reynaertverhaal als een humoristisch
verhaal dat iets zei over de specifieke volksaard van Vlamingen en Nederlanders. Willem (en Arnout) staan aan het begin van de genese van de natie. Na de oorlog veranderde het beeld van de Reynaert radicaal. Literair-historici gingen in de jaren na de oorlog de Reynaert cultiveren als een tekst die iets zegt over de
existentiële angsten van dé mens. Hellinga liep daarbij voorop en zijn gitzwarte interpretatie van de Reynaert werkt tot op de dag van vandaag door. Dat hangt samen met het veranderende beeld van de middeleeuwen. Het is niet meer de tijd van kathedralen, maar een tijd van kettervervolging, pest en ontwrichtende oorlogen. De veronderstelde boodschap van de dichter Willem dat ‘pays’ een
onmogelijkheid is, is tegen de achtergrond van de recente geschiedenis relevant voor een gedeelde Europese identiteit, waar het katholicisme (met zijn visioenen van een eindtijd) een belangrijk deel van uit maakt.
Umberto Eco houdt ons voor dat de manier waarop we met ‘secular sacred texts’ als de Reynaert omgaan, leidt tot overinterpretatie. In 1992 was dat het onderwerp van de door hem gehouden Tanner lectures. Niemand zal willen betwisten

p. 48

dat een tekst open is voor een oneindig aantal interpretaties. Er is echter wel een wildgroei die volgens Eco verklaard kan worden door de hermetische traditie, die zich onderscheidt van een meer rationele benadering van een tekst. In de hermetische traditie wordt het onderscheid in de logische opeenvolging van tijd niet
meer gemaakt, waardoor identiteiten in elkaar kunnen opgaan en tegenstellingen oplossen. In een rationele leeswijze is de interpretatie zinnig, afgewogen (‘moderate’), doordat er grenzen aan gesteld worden.168 Buiten de Reynaertwereld worden sommige opvattingen van specialisten in de wandelgangen als vergezocht
afgedaan. Wanneer een speculatief idee de fantasie prikkelt, blijft het echter het onderzoek en de beeldvorming beïnvloeden. Soms tegen beter weten in.
Doordat de Reynaert wordt verbonden met onze eigen identiteit is overinterpretatie inherent aan het Reynaertonderzoek. Teksten die van alle tijden zijn,zijn niet meer gebonden aan een welomschreven context doordat ze beroofd zijn van hun eigen door de tijd bepaalde karakter. Bepalend voor het Reynaertonderzoek is het idee dat de vos ongrijpbaar is. Juist vanwege die ongrijpbaarheid fascineert het verhaal. Bij klassieke teksten als de Reynaert is daarom het
gevaar groot dat commentaar op commentaar gestapeld wordt. Steeds worden nieuwe dimensies aan de tekst toegevoegd. Het commentaar rond de tekst is als een sneeuwbal die steeds groter wordt en alleen maar begrijpelijk is voor connaisseurs die een geheimtaal uitwisselen die onverstaanbaar is voor buitenstaanders. Zij moeten de ‘scone tale’ van de kenners maar geloven. Ongetwijfeld
zal in de toekomst een onderzoeker opstaan die dit discours nog verder zal ontwikkelen om zo een nog diepere betekenis in de Reynaert te ontwaren dan zijn voorgangers al deden.
Vooral sinds Hellinga geldt als premisse van het onderzoek dat er verborgen boodschappen in het verhaal te vinden zijn. Het is typerend voor de stand van het huidige Reynaertonderzoek dat Arnout zowel een schertsfiguur als een inwoner van het Waasland kan zijn. Een deel van de aantrekkingskracht van het Reynaertverhaal schuilt voor de moderne lezer erin dat de wildste interpretaties niet uitgesloten worden. ‘Lees maar, het betekent niet wat er staat’,
heeft Janssens dat treffend met een knipoog naar Nijhoff omschreven.169 Het verhaal zou alleen begrepen kunnen worden, wanneer het op zijn kop en binnenstebuiten wordt gelezen: als een omkering en parodiëring van motieven en thema’s uit andere genres, met tal van knipoogjes voor de goede verstaander. Het is interpretatieve hoogmoed van moderne exegeten om te denken dat zij
de goede verstaanders zijn: waarschijnlijk begrijpen wij nu minder van de Reynaert dan het keukenpersoneel onder het primaire publiek.

p. 49

Op deze plaats wil ik graag mijn redacteuren Jacqueline Wessel en Guus Boone bedanken.Jacqueline voor het killen van mijn darlings, Guus omdat hij er nog een gered heeft.

NOTEN
Opmerking: de meeste artikelen zijn te raadplegen via de website http://www.dbnl.nl.
1 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949: Een studie over het probleem van de Reinaert-proloog sedert Jan Frans Willems’, in: Verslagen en mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, (1951), p. 269-276. Een speurtocht door de medewerkers van de Academie leverde op dat het typoscript bewaard wordt in het archief van KANTL te Gent onder de signaturen F1/A en F1/B. De studie is geschreven door E. Léonard, die er in 1949 de doctorsgraad mee behaalde aan de Universiteit van Luik.
2 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, in: Jaarboek van de Oudheidkundige Kring de Vier Ambachten te Hulst, 1957, p. 14-15.
3 Everardus A. Overgaauw, ‘Die Dycksche Handschrift. Ihre Entdeckung, Herkunft, Datierung und früheren Besitzer’, in: Bertram Haller en Hans Mühl (red.), Westfälische Wilhems-Universität. Die Dycksche Handschrift, Berlijn/Münster, 1992, p. 40-42.
4 W.Gs Hellinga (ed.), Van den vos Reynaerde. I Teksten. Diplomatisch uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500, Zwolle, 1952, p. 2-3.
5 Th. Frings, [Recensie van:] ‘J.W. Muller, Van den vos Reinaerde, critisch uitgegeven, Leiden,1939’, in: Anzeiger für deutsches Altertum und deutsche Literatur, 60 (1941), p. 97. Overigens
valt deze recensie op door de vergelijkingen met de middeleeuwse Duitse literatuur.
6 F.P. van Oostrom, ‘Benaderingswijzen van de Reinaert’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom ende menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw, Hilversum, 1999, p. 219. Oorspronkelijk gepubliceerd in: M. Spies (red.), Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening, Groningen, 1984, p. 18.
7 A.Th. Bouwman, de Oudfranse Roman de Renart, Amsterdam, 1991, p. 42, p. 46 en p. 386. A.Th. Bouwman, ‘Taaldaden. Over intertekstualiteit in Van den vos Reynaerde’, in: Jozef D. Janssens e.a., Op avontuur. Middeleeuwse epiek in de Lage Landen, Amsterdam, 1998, p. 142.
8 Herman Heyse, ‘Uit boek en tijdschrift’ [recensie van A. Renart], in: Tiecelijn, 5 (1992), p. 29. Ook gepubliceerd in: Rik van Daele, Marcel Ryssen en Erwin Verzandvoort (red.), Reynaert bloemleest Tiecelijn. Een selectie uit vijf jaar Tiecelijn, Sint-Niklaas, 1983, p. 191-92.
9 R. van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den vos Reynaerde, Gent 1994, p. xvii en p. 178.

p. 50

10 Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen. Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs, Amsterdam, 2000, p. 38-42.
11 Hans Rijns, ‘Buitenrust Hettema, F.’, in: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf (red.), Het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek,
(2006): http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/buit003.php (Geraadpleegd 22-4-2015).
12 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert. Bijdrage tot de critiek der beide Reinaert-gedichten, Amsterdam, 1884.
13 Te oordelen naar de stijl is de zin waarschijnlijk afkomstig van J.W. Muller. F. Buitenrust Hettema en J.W. Muller (eds), Van den vos Reynaerde. Opnieuw naar het Comburgsche handschrift uitgegeven, Tekst, Zwolle, [1903], p. vii.
14 J.W. Muller, Critische commentaar op Van den vos Reinaerde naar de thans bekende handschriften en drukken, Utrecht, 1917, p. 1 (noot 1).
15 Leonard Willems, ‘Reinaerdiana’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 16 (1897), p. 266-267.
16 J. Vercoullie, De diersage en Reinaert de vos, Brugge, 1925, p. 72.
17 In zijn diplomatische editie schrijft Degering dat de conjectuur van Willems “auf das glänzendste bestätigt” wordt. Degering problematiseert wel onmiddellijk zijn observatie door op te merken dat in de tekst van de Reynaert in het Dyckse handschrift geen verschil in taal en stijl tussen het deel van Arnout en dat van Willem valt te constateren. Deze editie heeft nauwelijks een rol gespeeld in het Reynaertonderzoek. Hermann Degering (ed.), Van
den vos Reynaerde. Nach einer Handschrift des XIV. Jahrhunderts im Besitze des Fürsten Salm-Reiferscheidt auf Dyck, Münster, 1910, p. XVIII. De woorden van Degering zijn overgenomen door Joh. Franck in zijn bespreking van de uitgave van Degering: Joh. Franck, ‘Zur Überlieferung und Composition des Reinaert’, in: Zeitschrift für deutsches Alterthum und deutsche Litteratur, 52 (1910), p. 322. Ook overgenomen door Rob Roemans, ‘Nécrologie. Leonard Willems (1864-1938)’, in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 839.
18 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium.Zwolle [1910], p. lxxx-lxxxi (voetnoot over Arnout), p. xcvii en p. cxxxvii (een andere gissing).
Buitenrust Hettema had deze laatste verklaring eerder gepubliceerd in: F. Buitenrust Hettema, ‘Over Reynaert I’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 12 (1893), p. 6-7.
19 F. Buitenrust Hettema en H. Degering (eds), Van den vos Reynaerde, uitgegeven naar het Comburgse en Darmstadse Handschrift door dr. F. Buitenrust Hettema naar het Dycksche handschrift
door dr. H. Degering, Zwolle, 1921 2.
20 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde, II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium,p. cxlv-cxlvi (citaat p. cxlvi).
21 Joh. Franck, ‘Zur Überlieferung und Composition des Reinaert’, p. 285- 338 m.n. p. 285 (noot 2).

p. 51

22 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde. Naar de thans bekende handschriften en bewerkingen critisch uitgegeven met eene inleiding, Gent/Utrecht, 1914.
23 J.W. Muller, Critische commentaar op Van den vos Reinaerde, p, i, p. 1-13 en 41-53 (citaten p. 3 en p. 6). Jaap Grave, ‘Johannes Franck (1854-1914): de eerste hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde in het Duitse taalgebied’, in: Studium: Tijdschrift voor wetenschaps- en universiteits-geschiedenis, 5 (2013), p. 208.
24 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën. III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 164-165. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde. Inleiding
met aanteekeningen. Lijst van eigennamen. Tekst, Leiden, 19443, p. 23-24.
25 L.M. van Dis (ed.), Van den vos Reynaerde, Groningen, 197220, p. 5 (verhouding tot Muller).
26 Stephanus Axters O.P, ‘Josef van Mierlo’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1960, p. 139. De spelling Josef in de titel is fout, elders staat Jozef.
27 Over de ontwikkeling van Van Mierlo’s opvattingen zie: Rob Roemans, ‘Het Reinaertprobleem en Prof. Dr. J. van Mierlo, S.J.’ in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 640-647.
28 J. van Mierlo, ‘Voor Arnout’s Oorspronkelijkheid’, in: Verslagen en mededeelingen van de Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1927, p. 1071-1118 (m.n. p. 1118 voor zijn visie
op Willem). Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert. Huldegave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en
bewonderaars, Zwolle, 1953, p. 9-58 (m.n. p. 58 voor zijn visie op Willem).
29 Jacob Grimm, Reinhart Fuchs, Berlin, 1834, p. xii-xvi.
30 Jan Frans Willems, Reinaert de Vos: episch fabeldicht van de twaelfde en dertiende eeuw met aenmerkingen en ophelderingen, Gent, 1836, p. xvi-xvii en p. xxvii-xxviii.
31 Jozef Janssens, ‘Een vos op perkament’ in: Jozef Janssens, Rik van Daele, Veerle Uyttersprot,Jo de Vos, Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, Leuven, 19912, p. 167-168.
32 M. Delbouille, ‘La composition du ‘Reinaert I’, Arnout, Willem et le ‘Roman de Renart’français’, in: Revue belge de philologie et d’histoire, 8 (1929), p. 19-52 m.n. p. 46.
33 J. van Mierlo, ‘Voor Willem als enig dichter van Reinaert I’, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1929, p. 422-430. Dit deel van het artikel is niet opgenomen in Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert.
34 A. 35 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën, III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 40.
36 J. van Mierlo, ‘Arnout?’, in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 116.Eerder gepubliceerd in: F.V. Toussaint van Boelaere e.a. (red.), Gedenkboek A. Vermeylen:

p. 52

aangeboden aan August Vermeylen ter gelegenheid van zijn zestigsten verjaardag 12 Mei 1932,Brugge, 1932, p. 514-515.
37 J. van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1942, p. 563-595. Ook in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 176-208.
38 F.P. van Oostrom, ‘Benaderingswijzen van de Reinaert’, in: Hans van Dijk en PaulWackers (red.), Pade crom ende menichfoude, p. 227. Oorspronkelijk gepubliceerd in: M. Spies (red.), Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening, Groningen, 1984, p. 28.
39 C.A. Zaalberg (ed.), Van den vos Reinaerde, ’s-Hertogenbosch, 197310, p. 8. Vgl. ook Hubert Slings die zich verbaast over de gretigheid waarmee schoolboekauteurs soms kwestieuze
bevindingen doorsluizen naar leerlingen. Als voorbeeld noemt hij dat in de literatuurgeschiedenis voor het onderwijs van W. van Schothorst uit 1911 Arnout als coauteur van de Reinaert al de schoolboekjes bereikt, een opvatting die nu door vrijwel niemand meer wordt onderschreven. Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen, p. 19. Ter verdediging van Schothorst kan ik aanvoeren dat er een didactisch verhaal bij hoort, dat nog steeds wordt verteld aan studenten: filologen kunnen zo briljant zijn dat hun gissingen soms later bevestigd worden door de ontdekking van een nieuw handschrift. Dit lijkt mij een voorbeeld van hoe spannend de filologische leeswijze in het onderwijs kan zijn. H. Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen, p. 48. Vergelijk ook in deze studie noot 17.
40 P. de Keyser (ed.), Van den vos Reynaerde, Antwerpen, 19655, p. v., p. vii-ix, p. xix. en p. 1. Voor de vergelijking van de Reynaert met de Roman de Renart door Van Mierlo zie: J. van
Mierlo, ‘Voor Willem als enig dichter van Reinaert I’, p. 403-422. Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 59-79.
41 Frank Baur en Jozef van Mierlo, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, I, ‘s-Hertogenbosch/Brussel, z.j. [1939], p. 211: ‘Maar men moet even Le Plaid, dat toch als het beste der Renart-branches geldt, er naast lezen, om aan te voelen, hoe onvergelijkelijk hooger als kunstwerk onze Reinaert staat.’
42 André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, in: Wim van Anrooij,Dini Hogenelst en Geert Warnar (red.), Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse
letterkunde, Amsterdam, 2003, p. 141-142.
43 Leonard Willems, ‘De Reinaert-proloog of adhuc sub judice lis est’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1938, p. 675-692 m.n. p. 684.
44 J. Van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert-proloog’, p. 574-575. Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 187.
45 K. Heeroma, ‘Willem die reinaerde makede’, in: Maatstaf, 16 (1968-1969), p. 645-646 (citaat 646).
46 K. Heeroma, De andere Reinaert, Den Haag, 1970, p. 10-11.
47 L. Peeters, ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 29 (1970), kol. 266 (noot 9).

p. 53

48 L. Peeters, ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’, kol. 265-272, m.n. kol. 267 (citaat).
49 Sinds Gerritsen is het gebruikelijk een onderscheid te maken tussen versie en redactie.In een versie (uit het Latijn versio = verdraaiing, verandering) is de tekst door een bewerker aangepast, in een redactie heeft hij slechts de bedoeling een kopie te vervaardigen. Volgens Willem Kuiper kan Reynaerts historie als een versie van het overeenkomende deel van Van den vos Reynaerde beschouwd worden, terwijl het Comburgse en Dyckse handschrift
beschouwd mogen worden als verschillende redacties. Naar mijn mening is de tekst in het Dyckse handschrift bewust veranderd, zodat beter gesproken kan worden van een versie.P.J. Verkruijsse, H. Struik, G.J. van Bork en G.J. Vis (red.), Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek (2002) s.v. versie [W. Kuiper]. http://www.dbnl.org/tekst/bork001lett01_01/bork001lett01_
01_0023.php#v052 (geraadpleegd 14 mei 2015). W.P. Gerritsen, Die Wrake van Ragisel. Onderzoekingen over de Middelnederlandse bewerkingen van de Vengeance Raguidel,gevolgd door een uitgave van de Wrake-teksten, I, Assen, 1963, p. 60. In de opvolger G.J. van
Bork, D. Delabastita, H. van Gorp, P.J. Verkruijsse en G.J. Vis, Algemeen letterkundig lexicon 2012-2014) s.v. versie is de naam van de schrijver W. Kuiper niet vermeld. http://www.dbnl.
org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02189.php (geraadpleegd 25 juli 2015).
50 A.M. Duinhoven, ‘De diachrone studie van Middelnederlandse teksten’, in: F.P. van Oostrom en Frank Willaert (red.), De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst, Hilversum, 1989, p. 114-115.
51 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 324. In de lopende tekst vond ik geen verwijzing.
52 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, Antwerpen/Apeldoorn, 2010, p. 219-231. Volgens Pooth is de kanunnik Arnold van Deventer de schrijver van het eerste deel. Richard
Philipp Pooth, Der unsterbliche Fuchs. Texte vom dietschen zum deutschen Epos. Bocholt,z.j. [2011], p. 34 en p. 38.
53 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde, II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium,p. lxi.
54 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 5.
55 André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, p. 139; Jaap Grave,‘Johannes Franck (1854-1914)’, p. 208.
56 ‘Vergadering van 19 Februari 1908’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908 p. 95-100. De uitgewerkte lezing: J.W.
Muller, ‘Een nieuw handschrift van den Reinaert’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908, p. 109-188.
57 J.H. van Lessen, ‘Levensbericht. Jacob Wijbrand Muller (Amsterdam, 14 Juni 1858 -Leiden, 18 Maart 1945)’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1945-1946, p. 37.
58 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert, p. 195 (laatste woorden proefschrift). J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Gent/Utrecht, 1914, p. xxxiii, p. xliv en p. xlv. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 29.

p. 54

59 volkskarakters, Kampen, 1938, p. 7-8.
60 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Gent/Utrecht, 1914, p. xliv en p. xlv. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 19-20.
61 J. Huizinga, ‘Nederland’s Geestesmerk’, in: Verzameld werk VII, Haarlem, 1950 (eerste druk 1934), p. 291-292.
62 Anton van der Lem, Het eeuwige verbeeld in een afgehaald bed. Huizinga en de Nederlandse beschaving, Amsterdam, 1997, p. 176, p. 179 en p. 188-192 (over ‘Nederland’s Geestesmerk’). Ook de Leidse historicus P.J. Blok benadrukte als een van de eersten in 1891 dat hetkleine Nederland door zijn kosmopolitisch gevormde volksaard een belangrijke bemiddelende rol in de wereld kon spelen. P.B.M. Blaas, Geschiedenis en nostalgie. De historiografie van een kleine natie met een prikkelbaar verleden. Verspreide historiografische opstellen, Hilversum,2000, p. 33 en p. 158.
63 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 59 (1935), p. 34.
64 Zie Frank Willaert, ‘Van Mierlo. De voordelen van vooroordelen’, in: Literatuur, 6 (1989), p. 346 (‘influisteringen van flamingantisch chauvinisme’).
65 Ten onrechte suggereert Van Oostrom dat Muller Reynaert zag als de ‘verpersoonlijking was van den Vlaamschen democratischen strijd’. Muller keerde zich juist fel tegen het misbruik van de vos voor de Vlaamse zaak. Vgl. Frits van Oostrom, Stemmen op schrift.
Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam, 2006, p. 465 met J.W. Muller(ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 33.
66 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert, p. 207: ‘De Reinaert (het oude gedicht) heeft geene bepaalde politieke strekking’ (stelling XVII).
67 Jozef Janssens en Rik van Daele, Reinaerts streken. Van 2000 voor tot 2000 na Christus, Leuven, 2001, p. 253-256.
68 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 33 en p. 74 (noot 43).
69 Jaap Grave, ‘Johannes Franck (1854-1914)’, p. 207-224. Zie ook J.H. van Lessen, ‘Levensbericht. Jacob Wijbrand Muller (Amsterdam, 14 Juni 1858 – Leiden, 18 Maart 1945)’, p. 31-32. In het artikel van Bouwman is de invloed van Franck onvoldoende over het voetlicht
gekomen. André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, p. 137-149.
70 Over Mullers verwarring in de oorlog: J.H. van Lessen, ‘Levensbericht’, p. 45. Mullers zoon Frederik was in mei 1940 rector van de Leidse Universiteit en was anders dan de hoogleraar Cleveringa geen voorbeeld van verzet. Tijdens de oorlog werd Frederik Muller lid van de ‘Nederlandsche Kultuurraad’ en stierf kort voor zijn vader, volgens sommigen door
zelfmoord. J.H. Waszink, ‘Muller Jzn., Frederik (1883-1944)’, in: Biografisch woordenboek van Nederland, 1, Den Haag, 1979. Ook via http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn1/mullerjzn (Geraadpleegd 29-4-2015). Zie ook het wat minder omzichtig geformuleerde wikipedia-artikel: ‘Frederik Muller Jzn’, in: Wikipedia. https://nl.wikipedia.org/
wiki/Frederik_Muller_Jzn (geraadpleegd 3 augustus 2015).

p. 55

71 Frank Baur en Jozef van Mierlo, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, I,p. 211 en p. 215 (citaat). Over van Mierlo’s Vlaamsgezindheid: J. Reynaert, ‘Mierlo, J. van’,in: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf
(red.), Het bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek. (2003): http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/mier004.php (geraadpleegd 26 juli 2015).
72 Cam. Huysmans, ‘Over ‘Reinaert’ en ‘Ulenspiegel’’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1935, p. 555-570. In de Vlaamse verhoudingen voor 1960 is Nederlandstalig bijna per definitie volks.
73 J. van Mierlo, Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert. Huldegave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en bewonderaars,
Zwolle, 1953. Axters schrijft dat de voorkeur van de Noord-Nederlandse neerlandici naar de opvatting van Van Mierlo uitging, wat ook zou blijken uit deze publicatie. Stephanus Axters O.P, Josef van Mierlo, p. 141.
74 Het exemplaar in de UB Leiden van J. Vercoullie, De diersage en Reinaert de vos, Brugge, 1925 (UBL 1218 F 51) bevat een opdracht: ‘Den bedreven vossenjager Prof. J.W. Muller, v.d.S. [getekend] JVercoullie.’ Muller heeft het gelezen blijkens onder meer de aantekeningen in de marge van Vercoullies bespreking van de proloog op p. 69-74. Op Vercoullies opvattingen komt hij terug in zijn artikel ‘Aernout en Willem’: J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 59 (1935), p. 130-132.
75 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 482-485 (citaat p. 482-483).
76 Algemeen letterkundig lexicon s.v. commentaar, ttp://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03330.php (geraadpleegd 12 mei 2015).
77 W.Gs Hellinga (uitgever), Van den vos Reynaerde. I Teksten.
78 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in:Maatstaf. Maandblad voor letteren,6 (1958-59), p. 353-373. Ook gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 37-50.
79 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 11-23.
80 F. Lulofs, ‘Over het gebruik van du in de Reynaert’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 77: ‘Hoe anders die samenleving was, vertelt Hellinga […]’. Oorspronkelijk gepubliceerd als: F. Lulofs, ‘Over het gebruik van du in de Reynaert’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 83 (1967), p. 250.
81 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 38. Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf. Maandblad voor letteren 6 1958-59), p. 354.
82 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 50.Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf,p. 372.

p. 56

83 Jan de Putter, ‘Vrede en pays in Van den vos Reynaerde’, in: Millennium. Tijdschrift voor middeleeuwse studies (2000), p. 86-103. Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert.
Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: Een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn 21 (2008), p. 84-86. Jan de Putter, ‘De val van een onwaardige priester. Belijn en het slot
van Van den vos Reynaerde’, in: Tiecelijn 22, (2009), p. 290-313 m.n. 291. De discussie gaat nu over de vraag of het publiek de laatste verzen ironisch begreep.
84 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 41 en p. 50. Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’,in: Maatstaf, p. 359 en p. 373.
85 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 491.
86 De uitspraak is van de BBC-radiomaker Aneirin Talfan Davies. William Christie,Dylan $omas: A Literary Life, Londen, 2014, p. 10.
87 W.Gs Hellinga, ‘Inleiding’, in: Reinaert de vos naar de oudste berijming uit de twaalfde eeuw en opnieuw in 1834 berijmd door Jan Frans Willems, Den Haag, 19745 (eerste druk 1958), p. 5. Hetzelfde beeld al in W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 13. Hellinga schrijft in ‘Het laatste woord is aan Firapeel’ dat Willem het niet had op Franstalige Vlamingen. W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 41. Oorspronkelijk gepubliceerd als W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf, p. 360.
88 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 500.
89 Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’,in: G. Alberts en H.J. Zuidervaart (red.), De KNAW en de Nederlandse wetenschap tussen 1930 en 1960, Amsterdam, 2009, p. 125-127 en p. 132.
90 W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 33-34 (noot 25). Oorspronkelijk gepubliceerd als W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Handelingen van het vierentwintigste Nederlands filologencongres, 1956, p. 126-127 (noot 25).
91 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 13.
92 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, Amsterdam, 1952, p. 20: ‘Men kan dan tot het inzicht komen dat het vormenspel altijd nog iets ingewikkelder is en de humor altijd nog iets scabreuzer dan men bij de voorlaatste interpretatie meende. Het is in methodologisch opzicht dan ook nuttig, er van uit te gaan dat wij, geremd door onze andere, twintigste-eeuwse, geestesstructuur en ons onvermijdelijk tekort aan kennis van taal en tijd,
het nooit te vèr kunnen zoeken.’
93 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, p. 17.
94 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 15-16.
95 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 43-54 m.n. , p. 52. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde,
Leiden, 1944, p. 12-13.

p. 57

96 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 18-20. Zie ook J. Goossenaerts,‘Het was in eenen tsinxendaghe’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 15 (1955), kol. 155 (Hellinga verklaart in een interview dat hij Arnout als een jongere variant beschouwt.).
97 J.W. Muller, ‘Een nieuw handschrift van den Reinaert’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908, p. 174 (noot 1). Een veel interessanter spoor voor Arnoutsbroeders bespreekt Muller in een artikel uit 1920. Hij meldt daar dat met de Arnoutsbroeders in Frankrijk goliarden werden aangeduid: J.W. Muller,‘Aernouts en Everaerts broeders’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 39
(1920), p. 135-138.
98 L. Peeters, ‘Historiciteit en chronologie in Van den vos Reynaerde’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom ende menichfoude, p. 148 (noot 50: ‘over-interpretation’). Eerder
gepubliceerd in: Spektator. Tijdschrift voor neerlandistiek 3, 1973-1974, p. 364 (noot 50). N.b. de noten lopen niet gelijk in Spektator en Pade crom! R. van Daele, Ruimte en naamgeving,
p. 192 (‘Hineininterpretierung’). Overigens heeft Van Daele verder onderzoek gedaan naar de dubbelzinnigheden in de Reynaert: Rik Van Daele, ‘Die burse al sonder naet. Scabreuze elementen in Van den vos Reynaerde’, in: R. van Daele et al., Literatuur en erotiek, Leuven, 1993, p. 9-64. De werkwijze van Hellinga karakteriseert hij in dit artikel als ‘rabiaat gissen’(p. 22). Vergelijkbare kritiek op Hellinga bij het verklaren van varianten tussen de drukken
van de Reynaert in: Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’, p. 143-144.
99 Hans Rijns, ‘Of hi den credo niet en wel las’, in: Tiecelijn 12 (1999), p. 166-167 (citaat p. 167).
100 Zo citeert Astrid Houthuys Hellinga’s opvatting dat men het nooit te vèr kan zoeken als motto van een artikel waarin zij stelt dat de naam Cuwaert kontwaarts betekent. Astrid Houthuys, ‘What’s in a name? Waarom Cuwaert meer is dan een bange haas’, in: Remco
Sleidering, Veerle Uyttersport, Bart Besamusca (red.), Maar er is meer. Avontuurlijk lezen in de epiek van de Lage Landen. Studies voor Jozef. D. Janssens, Amsterdam, 2005, p. 172-192 m.n. p. 173 (motto Hellinga). De opvatting van Houthuys is weerlegd door Hans Rijns: Hans Rijns, ‘Het Cuwaertmotief. Sodomie in de Reynaert?’, in: Tiecelijn, 19 (2006), p. 363.
101 J. Bosch, Reinaert-perspectief, Kampen, 1972, p. 31. Bosch verwijst hier naar het artikel ‘De commentaar’ van Hellinga. Hellinga pleit er m.i. ook voor om juist het eng linguaal bepaald
perspectief te verbreden. ‘Het feitenaanbod door middel van taalvormen in een gegeven context’ moet ook binnen het kader van de ‘geestesstructuur’ en ‘cultuur en beschaving’ tot voorwerp van commentaar gemaakt worden. Overigens verdient de zin waarin Hellinga dit verwoordde de prijs voor de slechtste zin ooit in het Reynaertonderzoek geschreven. Het is alleszins begrijpelijk dat Bosch deze zin van 73 woorden reduceerde tot ‘een eng, linguaal
bepaald perspectief.’ W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, p. 119. Ook gepubliceerd in: W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 33.
102 H.R. Jauß. Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung. Beihefte zur Zeitschrift für romanische Philologie 100, Tübingen, 1959.

p. 58

103 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos ‘Van den vos Reynaerde’, Keulen, 1965, p. 3-25, m.n. p. 5-6 en p. 20 (citaat ‘umarbeitung’ op p. 5).
104 A. 105 Paul Verhuyck, ‘Twee tekstkritische notities Renart II v. 5 en Reynaert v. 6’, in: Tiecelijn 20, (2007), p. 313-314. Ook Verhuyck leest: ‘Die Pernout niet hevet vulscreven’. Hij beschouwt
Arnout als een foutieve lezing van Perrot. Het afgekorte Perrot (Pnot) zou verlezen zijn door een kopiist als Arnout, die de P als een A las. Het is de vraag of deze naam afgekort
was. Bovendien geeft Verhuyck geen antwoord op de vraag welke voorstelling het Vlaamse publiek zich maakte van het onvoltooide gedicht van Perrot.
106 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 84-87, m.n. p. 87.
107 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 73.
108 Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, p. 237-240.
109 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 74.
110 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 25.
111 Willem Kuiper, ‘In memoriam Francis Lulofs, filoloog en Reynaertonderzoeker’, in: Tiecelijn, 16 (2003).
112 F. Lulofs, ‘Boekbeoordelingen. G.-H. Arendt, Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos ‘Van den Vos Reynaerde’, Köln 1965 (diss. Köln 1964)’ in: Tijdschrift
voor Nederlandse taal- en letterkunde, 85 (1969), p. 32-47, m.n. p. 33-34.
113 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, p. 17. F. Lulofs neemt de hypothese serieus in: F. Lulofs, Boekbeoordelingen. G.-H. Arendt’, p. 34.
114 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 193.
115 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele. Over commentaar en interpretatie, Amsterdam,1975. F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde. De tekst kritisch uitgegeven, met woordverklaring,
commentaar en tekstkritische aantekeningen. (Tweede verbeterde druk), Groningen, 1985 [eerste druk 1983].
116 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele, p. 252-253.
117 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele, p. 235.
118 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 58.
119 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 200.
120 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 44.
121 Jozef Janssens, Veerle Uyttersprot en Rik van Daele, ‘Verklarende commentaar’, in:Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 212-213.
122 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 200.

p. 59

123 MNW s.v. Arnout. Het MNW is beschikbaar via de Geïntegreerde Taalbank: http://gtb.inl.nl.
124 Eelco Verwijs (ed.), Hein van Aken, Die rose met de fragmenten der tweede vertaling, ’s Gravenhage, 1868, [facsimile Utrecht, 1976], p. 147.
125 VMNW s.v. Arnout (zie ook de bijgevoegde verspreidingskaart). Het Vroegmiddelnederlands Woordenboek is ook via de site van de Geïntegreerde Taalbank te raadplegen: http://gtb.inl.nl.
126 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 125-136. F. Lulofs, ‘Cloesterbier of cliesteerkoek?Reynaert A 1955. Een vies verhaaltje’, in: Lekr, 6 (juni 1981), p. 2-8. F. Lulofs (ed.),
Van den vos Reynaerde, p. 248.
127 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 10.
128 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 15 (feitenaanbod) en p. 16. De term ‘feitenaanbod’is van Hellinga, zie noot 101.
129 Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’,p.135.
130 Herman Pleij, ‘Waar blijft het mooie Reynaert-boek’, in: M.M.H. Bax, K. Iwema,J.M.J. Sicking, Wie veel leest heeft veel te verantwoorden. Opstellen over filologie en historische letterkunde aangeboden aan prof. dr F. Lulofs, Groningen, 1980, p. 264 en p. 265.
131 Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 109-129, m.n. p. 126 over zijn invloed.
132 L. van Durme, ‘Maurits Gysseling, 7 september 1919-24 november 1997’, in: Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1998, p. 118-125.
133 M. Gysseling, ‘Speurtocht naar de Reinaert-dichter (1)’, in: Jaarboek van de Oudheidkundige Kring de Vier Ambachten te Hulst, 1966/67, p. 14 en p. 19.
134 M. Gysseling, ‘Datering en localisering van Reinaert I’, in: E. Rombauts en A. Welkenhuysen (red.), Aspects of the Medieval Animal Epic. Proceedings of the International Conference May 15-17, Leuven, 1974, p. 171 (citaat) en p. 179-185.
135 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 51.
136 Rik van Daele, ‘Portret Maurits Gysseling (1919-1997)’, in: Tiecelijn, 11 (1998), p. 25.
In zijn dissertatie citeert Rik van Daele ook uit een cursiee waarin Gysseling de spot dreef
met iedereen die er geen Vlaams landschap in zag. De ‘Hollander’ Arendt die verkondigde dat de Reynaert ‘ruimte en tijdloos’ was, regionale historici die bakkeleiden of de Reynaert nu Waas was of Gents. Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 122-123.
137 A.Th. Bouwman, Reinaert en Renart, p. 127-129.
138 Zie de website De Middeleeuwen in honderd artikelen, http://www.dbnl.org/letterkunde/middeleeuwen/artikelen/alfabetisch.php Paul Wackers, ‘ and its Links with the German Fox Stories’, in: Bernd Bastert, Helmut Tervooren en

p. 60

Frank Willaert (red.) Dialog mit dem Nachbarn. Mittelniederländische Literatur zwischen dem 12. und 16.
Jahrhundert [Sonderhefte der Zeitschrift für deutsche Philologie, 130, 2011], p. 148-150.
139 Bouwman, Reinaert en Renart, p. 418 en p. 593 (noot 161). Het woord ‘Schlußstrich’ is gebruikt door Frings. Hij schreef dat Muller een Schlußstrich gezet had onder het ‘philologische
Gezänk’. uitgegeven. Leiden 1939’, p. 97.
140 A. 141 Prof. Dr. J van Mierlo S.J. en de proloog van de Reynaert. Huldeuitgave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en bewonderaars, Zwolle,1953. Het gaat om het exemplaar UBL 1005 F 38. Het verdient overigens aanbeveling de door Bouwman geraadpleegde boeken met zijn aantekeningen op te nemen in de bijzondere collecties van Universiteitsbibliotheek Leiden.
142 A. dierenverhalen kende, en dus ook de voorbeeldtekst van de Reinaert, dan zou tevens duidelijk worden waarom Willem zich niet heeft beperkt tot het eenvoudig vertalen van Le Jugement (=Le plaid JdP).’
143 De term ‘textual community’ is geïntroduceerd door Brian Stock in zijn studie The Implications of Literacy en heeft vooral betrekking op ketterse groepen. B. Stock, $e Implications
of Literacy. Written Language and Models of Interpretation in the Eleventh and Twelfth Centuries, Princeton, 1983, p. 88.
144 Bart Besamusca, Remco Sleiderink, Geert Warnar, ‘Ter Inleiding’, in: De boeken van Velthem. Auteur, oeuvre en overlevering, Hilversum, 2009, p. 10. Het idee van ‘men of letters’ is verbonden met het idee van de Republiek van de Letteren uit de late zeventiende eeuw.
145 Ard Posthuma (vertaler), Willem. Reynaert de vos, Amsterdam, 2008, p. 110.
146 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 469.
147 Zie noot 95.
148 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 175-187.
149 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 173-174.
150 J. Goossenaerts, ‘Het was in eenen tsinxendaghe’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 15 (1955), kol. 145. De interviewer J. Goossenaerts daagde pastoor De Wilde uit door te vragen of onze Reynaert veel meer uit het Gentse dan uit het Land van Waas is. Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 176-177.
151 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 134 en p. 183.
152 P.W.M. Wackers, De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie,Utrecht, 1986. Paul Wackers, ‘Reynaert de vos’, in: W.P. Gerritsen en A.G. van Melle, Van Aiol tot Zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst, Nijmegen, 1993, p. 269-279, m.n. p. 274-275.

p. 61

153 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 533-542.
154 Jo Reynaert, ‘Botsaerts verbijstering. Over de interpretatie van “van den Vos Reynaerde”’, in: Spiegel der letteren, 38 (1996), p. 48. Ook gepubliceerd in: Hans van Dijk en Paul Wackers
(red.), Pade crom en menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hilversum, 1999, p. 270. Voor de discussie naar aanleiding van dit artikel, zie: Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert. Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn, 21 (2008), p. 79-95.
155 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 130-134.
156 R. van Daele, ‘Van Elmare naar Hulsterlo en Kriekeputte. Op bedevaart door de Reinaerttoponymie’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 208. Jozef Janssens, Veerle Uyttersprot en Rik van Daele, ‘Verklarende commentaar’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 213.
157 R. van Daele, ‘De robotfoto van de Reynaertdichter. Bricoleren met de overgeleverde wrakstukken: ‘cisterciënzers’, ‘grafelijke hof’ en ‘Reynaertmaterie’, in: Tiecelijn, 18 (2005), 179-204, m.n. p. 181, p. 193 en p. 199.
158 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 150-151.
159 In ‘De robotfoto’ wordt deze hypothese verworpen. Rik van Daele, ‘De robotfoto’,p. 194.
160 André Bouwman en Bart Besamusca (eds), Of Reynaert the Fox, p. 15 (noot 17).
161 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 585.
162 Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert. Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn, 21 (2008), p. 88.
163 Jan de Putter, Firapeel helpt!, in: Tiecelijn, 19 (2006), p. 218. Jan de Putter, ‘De val van een onwaardige priester’, p. 304 en p. 312 (noot 63).
164 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, p. 309-318 (Tabel II, oorkonden met Willem van Boudelo). Malfliet heeft regesten van 37 oorkonden verzameld. In vier regesten
wordt Willem van Boudelo niet aangeduid als broeder, de nrs. 21, 22, 26 en 27. Malfliet heeft juist deze vermeldingen ontleend aan een summiere tabel in het boek van Luykx. Luyckx vermeldt
dat het gaat om de ‘clericus’ Willem. Mogelijk heeft Luykx de aanspreektitel niet altijd overgenomen in de tabel. Aan nr. 21 is wel het zegel van ‘frere Willaume’ bevestigd. Theeo Luyckx, De grafelijke financiële bestuursinstellingen en het grafelijk patrimonium in Vlaanderen tijdens de regering van Margareta van Constantinopel (1244-1278), Brussel, 1961, p. 224-226.
165 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, p. 256-261. Over Malfliets interpretatievan het zegel, zie de recensie van J.W.J. Burgers, ‘Reynaert blijft ongrijpbaar [n.a.v. Rudi
Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten]’, in: Queeste, 18 (2011), p. 77-78.
166 VMNW s.v. convers. MNW s.v. convers.

p. 62

167 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 397. (vertaler), Beatrijs. Een middeleeuws Maria-mirakel, Amsterdam, 1995, p. 46-47.
168 Stefan Collini (red.), Interpretation and Overinterpretation, Cambridge, 1992, m.n. p. 26 (‘moderate’) en p. 53 (‘sacred text’). Kritische introductie op Eco en overinterpretatie: Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, p. 21-23.
169 Jozef Janssens, ‘Een meesterwerk van dubbelzinnigheid’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, Leuven, 1991, p. 178.

p. 63

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen