‘De Lotushouding heeft hij onder de knie’ Jan de Putter

Eerder gepubliceerd in Tiecelijn 30. Jaarboek 10 van het Reynaertgenootschap, p. 341-342.
Tussen 13 mei en 5 augustus 2016 werden de lezers van NRC Handelsblad op de achterpagina van hun lijfblad verblijd met het feuilleton Van den
vos, geschreven door het enfant terrible van de Nederlandse literatuur, Anton
Dautzenberg. ‘Elke tijd krijgt de Reynaert die het verdient, vandaar dat A.H.J.
Dautzenberg met zijn 21ste-eeuwse versie van Van den vos Reynaerde komt’,
zo werd elke aflevering ingeleid. In dit verhaal is de vos de oude niet meer. De
tijd dat hij met zijn wapenbroeder De Wolf de Wildernis onveilig maakte is al
lang voorbij. Hij droomt ervan om zijn kinderen te laten zien hoe je met list en
bedrog de anderen de baas kan zijn en zo de Wildernis onveilig maken. De Vos
is in een scheiding geraakt en leeft nu in de Stad in een Vinex-wijk: gelijksoortige
gevels, uniforme huisdeuren, keurig aangeharkte voortuintjes. ‘De Vinex
wijk kent u natuurlijk als geen ander, dus u begrijpt de verstopzucht van De
Vos’, spreekt Dautzenberg de lezers van de NRC aan.
Ook in De Leeuw kan de lezer van de NRC zich inleven: ‘U kunt vast begrip
opbrengen voor De Leeuw, u leeft immers voorzichtig, ook u loopt in uw
leven liever geen onnodige risico’s.’ De Leeuw heeft problemen, de Wildernis
is op drift geraakt. Zijn raadgevers verschillen van mening over het waarom.
De Hond heeft opiniepeilingen gehouden. Zou hij de voornaam Maurice hebben?
De resultaten van zijn enquêtes zijn in ieder geval weinig eenduidig. De
Leeuw houdt hem voor: ‘Vorige week beweerde je met grote stelligheid dat de
kloof tussen dit en dat, tussen zus en zo, dat onevenwichtigheid de oorzaak
was van de groeiende onrust. En nu zijn het weer vreemde invloeden?’ Later in
het verhaal blijken de vreemde invloeden rode oogjes in de Wildernis te zijn,
weerspiegelingen van de angsten van de brave burger.
De Leeuw wil De Vos inschakelen om de problemen in de Wildernis op te
lossen. De Vos is weinig genegen om zijn medewerking te verlenen, want De
Leeuws medewerker De Wolf is er met zijn vrouw vandoor gegaan en woont
nu in Maupertuus. ‘Ook hij had de vrouw van zijn partner weleens bepoteld,
maar dat was slechts een libertaire handeling, een anarchistische daad, zo ging
dat indertijd.’ Door de scheiding is zijn leven ontregeld. De Vos reageert niet
op mailtjes en telefoontjes van De Beer en De Kat, gegrepen door angst, bang
om afgewezen te worden en bevreesd voor de confrontatie met De Wolf. Uiteindelijk
besluit De Leeuw zelf te gaan.
De Vos heeft zich opgesloten in zijn huis en verdoet zijn tijd met meditatie.
Hij is op zoek naar de hunkering van het niet-bestaan. De Vos heeft al ‘de
Lotushouding […] onder de knie, maar de deur naar het onderbewustzijn blijft
dicht.’ Het bezoek van De Leeuw gaat dat veranderen …
Dautzenberg heeft een fabel geschreven over het moderne leven in een Vinex-
wijk. ‘Laten we nog even meeluisteren, misschien kunnen we lessen trekken
uit de gebeurtenissen.’ In een moderne samenleving worden conflicten niet
meer opgelost als in de middeleeuwen. Brute kracht, list en bedrog als in het
middeleeuwse voorbeeld hebben afgedaan, tegenwoordig worden conflicten
opgelost met mindfulness. Het levert een hilarisch en een onheilspellend slot
op. Dautzenberg heeft namelijk twee versies van het slot geschreven, een dystopisch
slot voor de pessimisten en een homo-erotisch slot voor de gelovigen in
licht en liefde.
Het lijkt alsof het verhaal geen expliciete moraal heeft, maar in aflevering
zes schrijft Dautzenberg wel iets dat er dicht bij komt. In uitermate fraai geformuleerde
zinnen zegt de verteller het volgende:
Ja, ook ik zie in de Wildernis onrust ontstaan, maar wat precies de
oorzaak is, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ik ben geen journalist,
complottist of wetenschapper. En nu terug naar het verhaal, want metaverhandelingen
zijn uit de mode, het leven moet klein en knus blijven.
Het zal duidelijk zijn: Dautzenberg richt zijn pijlen op wollige, psychoprietpraat
en de theemutsmentaliteit. Het is een satire op het burgerlijke leven
van de NRC-lezer voor wie loslaten belangijker is dan de confrontatie zoeken.
Dautzenbergs feuilleton is tenenkrommende humor, heerlijk!

Anton Dautzenberg, Van den vos, in: NRC Handelsblad, 13 mei-5 augustus
2016.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie, Boeken | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

EEN JONGE DOCTOR IN DE SCHADUW VAN EEN GROOT VLAAMS GELEERDE N.a.v. Edouard Léonard, Een studie over het probleem van de Reinaert-proloog (onuitgegeven proefschrift, Luik, 1949),

eerder gepubliceerd in: Tiecelijn 29, [Jaarboek 29 van het Reynaertgenootschap], p. 119-131.

 

Een pdf van dit artikel is te vinden op: https://www.academia.edu/30247691/Een_jonge_doctor_in_de_schaduw_van_een_groot_Vlaams_geleerde

Weet iemand meer over Edouard Léonard. In 1949 woonde hij in Verviers. Was hij daar leraar?

Est-ce qu’il y a quelqu’un qui sait plus de Edouard Léonard?  En 1949 il habitait à Verviers. Etait-il là professeur?

 

 

 

 

In het vorige jaarboek van Tiecelijn heeft Joep Leerssen uiteengezet hoezeer filologen in de negentiende eeuw door hun onderzoek naar de bronnen van de Reynaert een claim konden leggen op het verhaal als nationaal erfgoed: Frans, Vlaams, Duits of Nederlands.(1) Zelf heb ik in hetzelfde jaarboek summier beschreven hoe onderzoekers als F. Buitenrust Hettema, J.W. Muller en pater J. van Mierlo S.J. zich elk op hun eigen manier het werk toe-eigenden, waardoor in de eerste helft van de twintigste eeuw de discussie tussen deze wetenschappers hoog kon oplopen.(2) Daarmee is zeker nog niet alles gezegd. Onbelicht zijn de vak-interne aspecten gebleven. Er bestaat geen goed inzicht in welk opzicht het debat over de proloog bijgedragen heeft tot de filologische methode. Deze filologische discussie is echter al in 1949 op een voorbeeldige, maar partijdige wijze in kaart gebracht in een Luiks proefschrift dat nooit in de openbaarheid is gekomen. Dat het proefschrift van Edouard Léonard niet verspreid is, valt te betreuren, want zijn dissertatie is nog steeds van waarde voor onderzoekers. Dit werk wil ik hier voorstellen.

De discussie over de proloog heeft grote invloed gehad op de Reynaertfilologie en bleef niet zonder gevolgen voor het vak. Een belangrijk deel van de Reynaertpublicaties voor 1950 ging over de juiste lezing van de proloog. Vanaf de jaren dertig van de negentiende eeuw tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was de interpretatie van de Reynaertproloog een van de kernproblemen van de neerlandistiek. De filologische methodologie werd aan de hand van de proloog van de Reynaert

onderwezen. Zo werden in de veelgebruikte Nederlandse schooleditie van Zaalberg de eerste 10 verzen van de proloog parallel uitgegeven naar het Comburgse en Dyckse handschrift, met daaronder de reconstructies van Muller en Van Mierlo. (3)Ook in de twee andere, veelgebruikte edities van Van den vos Reynaerde werd de opvatting van Van Mierlo tegenover die van Muller geplaatst. De Nederlandse uitgave koos voor de lezing van Muller, de Vlaamse volgde de interpretatie van Van Mierlo. (4)

Al in de jaren dertig van de twintigste eeuw werd de klacht gehoord, dat de literatuur over de

Reynaert en in het bijzonder de discussie over de proloog schier onoverzichtelijk was. In 1933 constateerde Rob. Roemans dat het Reynaertprobleem nog niet opgehelderd was en de reeds uitgebreide literatuur nog steeds aangroeide.(5) Kort na elkaar, in 1938 en 1939 verschenen artikelen van Leonard Willems en Rob. Roemans waarin voor niet-ingewijden de discussie werd verhelderd.(6) Tien jaar later promoveerde Eduard Léonard ‘avec distinction’ (7) in Luik tot doctor in de Germaanse filologie op een zeer uitvoerige studie over ‘het probleem van de Reinaert-proloog’ waarin hij een uitputtend overzicht geeft van de discussie over de Reynaertproloog tussen de eerste publicatie van Jan Frans Willems in 1836 en de ‘definitieve oplossing’ door pater Van Mierlo in 1942.(8) De Luikse hoogleraar R. Verdeyen had al voor Léonards promotie de wenk gegeven dat over dit onderwerp een prijsvraag uitgeschreven kon worden door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. In 1950 kon deze studie worden bekroond door de Academie en voorgedragen worden voor publicatie. Van Mierlo schreef wel in zijn verslag: ‘Ik vreesde dat, blijvende bij de gestelde vraag, een uitvoerige behandeling de wetenschap eerder zou kunnen schaden, ja belachelijk maken, door het belang dat er door aan enkele verzen zou worden gehecht. En ik moet bekennen, dat ik door het ingezonden werk niet geheel van die vrees ben verlost.’ (9)In deze opmerking is een echo te horen van eerdere kritiek op de Reynaertonderzoekers. Er was vossenjagers verweten dat zij zich blind tuurden op de proloog in de waan daar de oplossing te vinden van het Reynaertraadsel. (10)Niettegenstaande deze bedenking was zijn verslag uitermate lovend en als het werk voor publicatie bekort zou worden, dan zou het werk een uitermate belangrijke bijdrage aan de Reynaertstudie zijn.

Tot een publicatie van Een studie naar het probleem van de Reinaert-proloog is het nooit gekomen. De Academie had een achterstand bij het publiceren van bekroonde werken. Proefschriften die het oordeel ‘met de grootste onderscheiding’ ontvangen hadden, kregen prioriteit. Zo kon het gebeuren dat van deze dissertatie niets meer vernomen is tot vorig jaar weer een getypt exemplaar werd ontdekt in de archieven van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde (KANTL) – inmiddels is het ‘Vlaamse’ uit de naam van de Academie verdwenen – in Gent.(11) Voor zover ik weet, zijn er slechts twee kopieën van de dissertatie bewaard. Daarvan is het exemplaar in de Luikse universiteitsbibliotheek niet beschikbaar wegens schimmelvorming. (12) Het proefschrift is nu nog alleen maar raadpleegbaar in de KANTL, waar het in het archief bewaard wordt onder de signatuur F1/A en F1/B.

 

De dissertatie van Léonard

 

Het  typoscript  van  Léonards  dissertatie  is  een  van  de  verborgen  schatten  van de KANTL. De studie omvat maar liefst 457 dicht betypte pagina’s tekst en nog eens 283 pagina’s bibliografie en voetnoten. Het werk bestaat uit vier delen:

 

Deel I Inleiding tot de proloog-studie                                   p. 1- 23

Deel II Tekstkritiek                                                                        p. 24-157

Deel III Het proloog-probleem: de hypothesen                               p. 158-438

Deel IV Besluit                                                                          p. 439-457

Deel  II  met  het  filologische  commentaar  op  de  proloog  wilde  Van  Mierlo  grotendeels  schrappen,  maar  voor  het  hoofdstuk  over  de Madoc  had  hij  veel lof. Het is een uitvoerige bespreking van de verschillende hypothesen die naar voren gebracht zijn over wat voor werk de

Madoc  zou kunnen zijn. Zijn werkwijze is vergelijkbaar met die van de bibliograaf Rob. Roemans, die in die jaren veel opgang maakte. Moderne onderzoekers als Frits van Oostrom en Alexia Lagast  hadden  er  hun  voordeel  mee  kunnen  doen  bij  hun  bespreking  van  de  verschillende theorieën over de Madoc. (13)  Léonard concludeerde na zijn exhaustief overzicht dat ‘al de pogingen (om de Madoc te identificeren) tenslotte niet doeltreffend’  zijn.  ‘De  resultaten  waartoe  de  naspeuringen  hebben  geleid  zijn  niet  zelden  onevenredig  aan  de  aanhoudende  inspanning,  die  zij  vereist  hebben’ (p. 157). De manier waarop hij de Madoc  benadert is ook typerend voor zijn werkwijze in deel III, de kern van zijn proefschrift.

Deel III is een bibliografisch overzicht van de studie naar de Reynaertproloog,  waarbij  hij  verschillende  hypothesen  met  elkaar  confronteert.  Zijn  methodologische richtlijn daarbij was het adagium: ‘du choc des opinions jaillit la vérité’ (p. 403). Daarvoor moet men afzien van ‘ideologie of stelsel’ (= theorie, JdP).  Léonard  staat  duidelijk  een  positivistische  wetenschapsinstelling  voor: als de feiten maar op een rijtje worden gezet, volgt vanzelf de juiste conclusie. Deze  insteek  vinden  we  tegenwoordig  wellicht  naïef,  maar  het  heeft  wel  een  zeer systematisch opgezette studie opgeleverd, waarin het verloop van de discussie helder weergegeven is.

Het  is  typerend  voor  Léonards  grondigheid  dat  hij  nagenoeg  alles  heeft geraadpleegd  wat  ooit  is  geschreven  over  de  Reynaertproloog  vanaf  Jan  Frans  Willems tot zijn eigen tijd, meer dan 400 publicaties. Voor mij stonden er veel onbekende publicaties in de literatuurlijst. Aan Léonards aandacht was alleen een publicatie van Rob. Roemans in een vaktijdschrift voor middelbare scholen ontsnapt.(14)  Steeds  geeft  hij  de  opvattingen  van  de  verschillende  onderzoekers weer met de kritiek die daarop geuit is. Doordat hij gebruikmaakt van treffende citaten,  komt  de  discussie  tot  leven.  Zijn  eigen  oordeel  steekt  hij  daarbij  niet  onder stoelen of banken. Er valt dan ook goed te volgen hoe de discussie zich ontwikkelde en wat de invloed van de ene wetenschapper op de andere was.

De  studie  vangt  aan  met  de  editie  van  J.F.  Willems  uit  1836.  Léonard  laat daarbij niet onbesproken wat de invloed van J. Grimm op de vader van de Vlaamse  beweging  was.  Volgens Léonard  heeft  Willems  zijn  theorie  over  de  Reynaert gebouwd  op  de  idee  van  Grimm  dat  een  der  bekende  branches  van  de  Roman de Renart  het voorbeeld kan zijn van de Vlaamse Reynaert. Willems was de opvatting  toegedaan  dat Reinaerts  historie geschreven  is  door  Willem  Utenhove, een  priester  uit  Aardenburg,  in  het  midden  van  de  dertiende  eeuw.  Deze  Willem schreef een vervolg op Van den vos Reynaerde dat omstreeks 1170 geschreven zou  zijn.  Het  oudste  deel  van  Willem  Utenhoves  werk  zou  een  oorspronkelijk  Vlaams verhaal zijn. Ook het eerste verhaal uit de Roman de Renart, Le Plaid, zou erop gebaseerd zijn. De opvattingen van Willems zijn niet onbesproken gebleven.

Het is volgens Léonard diep te betreuren dat de kritiek van de Luikse hoogleraar J.H. Bormans op Willems nooit gehoor heeft gevonden. Bormans maakte er onder meer bezwaar tegen dat de Reynaertproloog door Willems niet aan de  oorspronkelijke  dichter  Willem  toegeschreven  werd.  Volgens  Van  Mierlo  moet dat deels aan hem zelf te wijten zijn: Bormans heette excentriek en ouderwets  zodat  de  wetenschappelijke  wereld  enigszins  wantrouwig  tegenover  zijn  ideeën stond.(15)  Léonard suggereert dat twintig jaar later W.J.A. Jonckbloet de kritiek van Bormans zonder bronvermelding overgenomen heeft. De paragraaf waarin hij dat beweert, heeft zelfs het motto meegekregen ‘Geef den keizer wat des keizers is… Matth. XII/21’. Jonckbloet ging echter verder en betoogde dat Willems  het  fout  had  door  te  stellen  dat  onze Reynaert  de  bron  was  voor  de Franse Renart. Het omgekeerde is het geval: Van den vos Reynaerde  gaat terug op een Frans voorbeeld. De invloed van Jonckbloet was niet te onderschatten. Léonard schrijft: ‘naar zijn (ten dele) nieuwe theorie richten zich allen’ (p. 203).

W.L.  van  Helten  en  F.  Buitenrust  Hettema  kwamen  tot  een  verschillende  interpretatie  van  de  proloog.  Van  Helten  was  enthousiast  beoefenaar  van  tekstreconstructie en herschreef de eerste 10 verzen. Vers 6 uit Comburg, ‘Die Willem  niet  hevet  vulscreven’,  werd  bij  hem  ‘Die  wel  nutte  ware  bescreven’!  Geheel  tegengesteld  aan  de  werkwijze  van  Van  Helten  is  die  van  Buitenrust  Hettema. Léonard plaatst als motto boven de paragraaf over Buitenrust Hettema ‘manum de tabula’, vrij vertaald ‘handen af van het kunstwerk ’. Volgens Buitenrust  Hettema  moest  men  de  handschriften  respecteren:  emendaties moeten  vermeden  worden.  Wel  meende  hij  dat  de  verzen  1-10  niet  van  Willem af komstig waren, maar toegevoegd zijn door een editeur. Als Léonard de opvattingen van Van Helten met die van Buitenrust Hettema vergelijkt dan ‘is het of ons een emmer kilkoud water over de rug gegoten wordt, dan blijven wij met de handen in het haar zitten. En wij beginnen allengs te wanhopen aan de mogelijkheid zelf van één oplossing die algemene goedkeuring zou wegdragen.’ In  de  jaren  na  Van  Helten  en  Buitenrust  Hettema  zal  volgens  Léonard  het  onderzoek op een dwaalspoor geraken.

Leonard Willems’ bijdrage aan de discussie over de proloog noemt Léonard de  meest  opzienbarende  van  de  negentiende  eeuw.  In  zijn  bijdrage  uit  1897 volgde L. Willems de opvatting van Buitenrust Hettema. Ook hij is van mening dat er zo weinig mogelijk veranderd mag worden aan de tekst. Hij maakte ook bezwaar tegen de emendaties van Van Helten en geestverwanten, die volgens hem de woorden van de proloog slechts veranderen ‘om door den tekst te doen zeggen… het tegendeel van hetgeen er in staat’ (p. 226). Toch stelde hij zelf ook een hoogst opmerkelijke emendatie voor. Hij merkte op dat in de eerste 9 verzen van de proloog tweemaal de naam Willem staat, in het vers 1 en in vers 6. Hij vermoedde dat wanneer de naam een tweede keer genoemd wordt, er oorspronkelijk een andere naam zou hebben gestaan. De gedachte van zijn naamgenoot J.F. Willems dat de Reynaert  het werk van twee auteurs zou zijn, was volgens Leonard Willems dan ook zo gek nog niet. Léonard Willems dacht dat een Willem het eerste gedeelte tot ongeveer vers 1750 geschreven had naar zijn  Franse  bron.  Het  tweede  gedeelte  zou  een  omwerking  zijn  van  de  tekst  van een tweede dichter. Deze ‘vernuftige hypothese’ van Willems was volgens Léonard ‘de bron van alle kwaad’ (p. 228). Willems’ idee dat er twee schrijvers waren, heeft een grote invloed op de Leidse hoogleraar J.W. Muller gehad.

Leonard  Willems’  emendatie  werd  echter  wel  bevestigd  door  de  ontdekking  van  het  Dyckse  handschrift  in  1907.  In  plaats  van  dat  de  ontdekking  van  een  tweede handschrift de oplossing van het Reynaertprobleem dichterbij bracht, was het omgekeerde het geval. Tijdens het interbellum ontstond een verhitte discussie tussen heren op leeftijd. De belangrijkste protagonisten waren J.W. Muller (1868-1945), Leonard Willems (1878-1938) en pater J. van Mierlo s.j. (1888-1958). Het verslag van deze filologenstrijd beslaat de meeste pagina’s in het proefschrift. Verrassend was voor mij dat Leonard Willems een nog belangrijker aandeel had in de discussie dan ik me al realiseerde. Hij probeerde een matigende rol te spelen in de strijd tussen de kemphanen Muller en Van Mierlo.

Alle  drie  wijzigden  ze  hun  opvatting  tijdens  de  discussie.  Hoewel  Muller altijd is blijven vasthouden dat de Reynaert geschreven was door twee dichters, dacht hij eerst dat Willem de schrijver van het eerste deel was en kwam later tot  het  inzicht  dat  hij  de  schrijver  van  het  tweede  deel  moest  zijn.  Leonard  Willems  verliet  in  1920  het  idee  dat  de  Reynaert  geschreven  was  door  twee  auteurs  en  meende  nu  dat  Arnout  de  schrijver  was  van  een  verloren  gegane proto-Reynaert.  Pater  Van  Mierlo  heeft  altijd  vastgehouden  aan  het  idee  dat de Reynaert  van  de  hand  van  één  dichter  was.  Eerst  meende  hij  nog  dat  Arnout  een  Vlaamse  schrijver  was  waarop  branche  I  van  de  Franse  Roman  de  Renart terug  zou  gaan,  maar  ook  hij  veranderde  van  gedachte  en  meende  later  dat  met  Arnout  de  schrijver  van  de Roman  de  Renart  bedoeld  werd.  De  discussie liep hoog op tijdens de jaren dertig. In 1938 verschenen er artikelen van  de  hand  van  Muller,  Willems  en  Van  Mierlo  over  de  proloog.  Een  paar  jaar  later  herhaalde  Muller  zijn  opvattingen  in  zijn  Reynaerteditie.  Toen  de  Duitse  hoogleraar  Frings  in  1941  in  een  lange  recensie  beweerde  dat  Muller  een ‘Schlußstrich’ onder het ‘philologische Gezänk ’ had gezet, reageerde Van Mierlo  daarop  in  1942  met  een  artikel  dat  hij  de  titel  meegaf  ‘De  definitieve  oplossing  inzake  den  Reinaert-proloog’,  waarin  hij  eerst  de  methodologische regels uitlegde en vervolgens afrekende met de opvattingen van J.W. Muller en de inmiddels overleden L. Willems.(16)

Een verdienste van Léonards proefschrift is dat hij de argumenten pro en contra de verschillende opvattingen uiterst consciëntieus weergeeft. Ik beperk me hier tot zijn weergave van de redenering van Van Mierlo, die door zijn polemische  stijl  de  filologische  strijd  nog  hoger  deed  oplaaien.  Allereerst  vond  Van Mierlo dat L. Willems te veel emendeerde. Van Mierlo kan zich ook niet vinden in de opvatting van Willems dat er al verhalen in het Diets zouden circuleren, omdat de dichter Willem volgens hem benadrukt dat hij de eerste is die de Roman de Renart  uit het Frans vertaald heeft. Léonard neemt dat argument over. Naar mijn mening heeft Willems wel degelijk een punt wanneer hij wijst op het belang van een orale traditie. Willems heeft vaak hoogst interessante ideeën, die niet altijd even overtuigend gepresenteerd worden, maar dit terzijde.

De behandeling van de discussie tussen Muller en Van Mierlo was voor mij een eye-opener door de manier waarop Léonard helder uiteenzet hoe verschillend  Muller  en  Van  Mierlo  de  proloog  lezen.  Cruciaal  voor  de  interpretatie  van vers 6, ‘die Arnout/Willem niet hevet vulscreven’, is het voorgaande vers 5, ‘in Dietsche onghemaket bleven’. Muller begrijpt ‘onghemaket’ als nog niet voltooid, wat zou impliceren dat er twee auteurs waren, terwijl Van Mierlo dat leest  als  ‘onbehandeld’,  wat  zou  betekenen  dat  er  maar  één  auteur  was:  Willem.  Arnout  moest  dus  wel  verwijzen  naar  een  Franse  dichter.  Paleografisch  lagen  de  namen  Arnout  en  Perrout  volgens  Van  Mierlo  dicht  bij  elkaar.  Om  zijn interpretatie kloppend te maken, behoefde Van Mierlo de tekst maar op één plaats te emenderen, enkel de ontkenning ‘niet’ schrappen in vers 6. Volgens Van Mierlo drong deze emendatie zich op; het behoud van ‘Arnout’ was gewaagd!  Middeleeuwse  kopiisten  hadden  volgens  de  geleerde  niet  begrepen  dat het om de Franse dichter ging en hadden de ontkenning toegevoegd. Vanzelfsprekend  vond  Van  Mierlo  ook  dat  Muller  te  veel  emendeerde.  Het  laatste  woord  over  het  Reynaert-probleem  komt  in  Léonards  studie  toe  aan  Van  Mierlo. Zijn argumenten worden niet weersproken.

In zijn slotbeschouwing probeert Léonard de discussie over de Reynaertproloog  te  overstijgen  door  de  methodologische  uitgangspunten  te  overdenken.  Zo  maakt hij de interessante observatie dat naargelang de visie van de onderzoeker op de genese en compositie van de Reynaert anders is, de interpretatie van de proloog en met name het beruchte vers 6 ‘Die Willem/Aernout niet en hevet vulscreven’ verschilt. Hij pleit voor een onderzoek naar de relatie van de Reynaert  met de Franse Roman de Renart en de Duitse Reinhart Fuchs. In bedekte termen suggereert hij dat de opvatting van Van Mierlo getoetst moet worden, waarmee ook detwee-auteurshypothese  naar  het  rijk  der  fabelen  verwezen  zou  kunnen  worden.  Dat zou Van Mierlo’s oplossing echt definitief maken. Die uitlating kwam hem op een kleine reprimande in het juryrapport van Van Mierlo te staan! (17)

Niettegenstaande een kritische noot heeft Van Mierlo toch volgens Léonard ‘in zijn nauwkeurig onderzoek de proloogtekst als een samenhangend en organisch geheel beschouwd en een scherpzinnige analyse gegeven van alle versregels afzonderlijk en in hun onderling verband’ (p. 446). Léonard is er dan ook oprecht verbaasd over dat anderen niet het gelijk van Van Mierlo inzagen. De oorzaken  daarvoor  ziet  hij  onder  meer  in  het  onvoldoende  kennisnemen  van de literatuur en in de bevooroordeelde blik waarmee de onderzoekers hun onderwerp benaderden. Hij hekelt het ‘apriorisme’, de ‘subjectieve voorkeuren’, de ‘inlegkunde’ en zelfs de ‘autosuggestie’ bij verschillende onderzoekers (p. 450).

Onvermeld liet hij ook niet dat er sprake was van partijdigheid tussen Waalse, Vlaamse en Nederlandse geleerden, meningsverschillen die tot talloze incidenten geleid hebben.De formulering van de conclusie verraadt echter dat ook hij het filologische onderzoek naar de Reynaert  zag in het licht van de rivaliteit tussen Nederland en België. Een Hollander als Muller kon het verhaal niet in de juiste context plaatsen. De laatste zin van Léonards dissertatie luidt: ‘Uiteindelijk komt een landgenoot  van  Willem  de  eer  toe  minstens  één  der  neteligste  Reinaert-problemen te hebben opgelost: en dit is voorwaar een heuglijk feit.’ De gretigheid waarmee  Van  Mierlo  deze  dissertatie  wilde  bekronen,  wordt  er  alleszins  begrijpelijk door.

 

Léonards partijdige blik

 

Léonards eindoordeel, waarin hij Van Mierlo overlaadt met lof, riekt naar de door hem zo verfoeide partijdigheid. Hij slaagde er niet in om zich te ontworstelen aan de autoriteit van Van Mierlo. Misschien durfde hij niet, omdat hij voor publicatie van zijn proefschrift niet om Van Mierlo heen kon, die immers in de jury van de prijsvraag van de Academie zat. De Luikse hoogleraar R. Verdeyen (hij zat samen met A. van Loey ook in de jury) had al jaren voor voltooiing van het werk een wenk gegeven dat het in aanmerking zou kunnen komen  voor  bekroning.  Er  mag  dus  aangenomen  worden  dat  Léonard  voortdurend rekening hield met Van Mierlo en dat hij zijn doctoraat naar de grote geleerde  toe  schreef.  Maar  misschien  werd  wetenschappelijke  onaf hankelijkheid toen ook niet verwacht van een doctorerende.

Eenzelfde partijdigheid valt namelijk ook te bespeuren in de beschouwingen  van  andere  wetenschappers  over  de  Reynaertproloog.  De  Duitse  hoogleraar Frings koos de kant van zijn vriend Muller, terwijl de bibliograaf en leraar bij het openbaar onderwijs Roemans liet blijken dat hij meer waardering kon opbrengen voor de voorzichtige benadering van L. Willems.(18) In de Revue belge deed een anonieme bibliograaf – we kunnen daarin Roemans vermoeden – een beetje smalend over Van Mierlo’s definitieve oplossing.(19)

Na de dood van Leonard Willems werd de discussie verengd tot een wedstrijd  Holland-België,  zoals  blijkt  uit  de  Reynaertedities  die  tussen  1950  en  1974 verschenen, waarin de opvatting van Willems niet meer vermeld wordt. Partijdigheid lijkt mij een typerende trek voor de samenleving tijdens het interbellum en de tijd kort daarna. Karakteristiek voor deze periode was dat men zich als vanzelfsprekend richtte naar de opvattingen van de ‘voorman’ van de partij waar men zich toe rekende. Deze persoonlijkheidscultus was niet alleen in  de  politiek,  maar  eveneens  in  de  wetenschap  aanwezig.  Van  Mierlo  werd  overladen met eerbewijzen. Hij was de grote man van de Vlaamse literatuurwetenschap,  die  geen  tegenspraak  duldde.(20)  Zijn  strijdbare  persoonlijkheid  maakte dat hij geen inmenging op zijn terrein van de Middelnederlandse letterkunde  verdroeg,  behalve  dan  van  een  enkele  collega-jezuïet  uit  het  Ruusbroecgenootschap.  Een  biograaf  constateerde  ironisch  dat  ‘Van  Mierlo  en  de  anderen’ tot op de dag van vandaag een probleem blijft.(21) De relatie tussen Van Mierlo en andere wetenschappers kon een probleem worden door de institutionele kaders waarbinnen de medioneerlandistiek functioneerde.

Uit het proefschrift valt te achterhalen hoe zich partijschappen gingen vormmen in het Reynaertonderzoek, waarbij vooral de scheidslijn tussen Nederland en Vlaanderen niet geheel onbelangrijk was. Van Mierlo had zich verzet tegen de  dominantie  van  protestantse,  Nederlandse  wetenschappers  bij  het  onderzoek  naar  de  Vlaamse,  katholieke  Middelnederlandse  literatuur.(22)  De  meer Europees  georiënteerde  Muller  vond  Van  Mierlo’s  flamingantisme  maar  een  ‘bedenkelijke vorm van nationalisme’.(23) De roep om een objectieve benadering zonder  ‘apriorisme’  en  ‘stelsel’  is  in  een  dergelijke  context  goed  verklaarbaar,  maar ondertussen voegden Vlaamse en Nederlandse geleerden zich wel naar het alfamannetje van de eigen groep, dat de waarheid in pacht zou hebben. Zo kon de discussie over de proloog ontaarden in een strijd over wie het ongelijk aan zijn zijde had, en bleef de vraag welke argumenten valide waren op de achtergrond. Het lijkt erop alsof er onvoldoende methodologisch bewustzijn was om de argumenten van de persoon te scheiden. Toch heeft de discussie over de proloog  ongetwijfeld  bijgedragen  tot  het  aanscherpen  van  de  filologische  methodologie. De regel dat een handschrift als basis genomen moest worden en niet willekeurig een woord veranderd mocht worden was al rond 1900 geformuleerd door Leonard Willems en in 1942 benadrukte Van Mierlo dat men zo weinig mogelijk moet emenderen.

Vooral na de ontdekking van een tweede handschrift (het Dyckse) was er nog de hoop dat, wanneer op de juiste manier de originele tekst gereconstrueerd werd, er een antwoord gevonden zou kunnen worden voor het Reynaertprobleem.  Maar  gaandeweg  werd  de  verwarring  alleen  maar  groter.  De  door  Van Mierlo in het verslag over Léonards werk geuite vrees dat de wetenschap zich belachelijk zou kunnen maken door zo lang stil te staan bij wat velen als een  futiel  probleem  beschouwden,  was  dan  ook  niet  geheel  onterecht.  In  de  jaren vijftig en zestig ontstond er een algemeen gevoelen dat er geen definitieve oplossing mogelijk was. Het was duidelijk dat de waarheid over de proloog niet te  achterhalen  viel.  Ook  Léonard  wist  dat  tegen  elke  interpretatie  methodologische  bezwaren  waren  in  te  brengen.  Hij  was  echter  blind  voor  de  kritiek  op Van Mierlo. Zijn eerbied voor de autoriteit van Van Mierlo stond een kritische distantie in de weg. Het was pas na de universitaire revolte van de jaren zestig dat het gezag van de hoogleraar begon te tanen, maar nog steeds speelt het prestige van vooraanstaande Reynaertgeleerden een grote, soms belemmerende rol in het onderzoek.

 

Conclusie: tussen autoriteit en argument

 

Wetenschapsbeoefening speelt zich af tussen autoriteit en argument. Léonard was zich er terdege van bewust hoe richtinggevend autoriteiten voor het onderzoek  konden  zijn,  zoals  uit  verschillende  plaatsen  in  zijn  proefschrift  blijkt. Voor de huidige onderzoeker ligt het belang van Léonards proefschrift er niet in dat een oplossing voor het Reynaertprobleem wordt gegeven, maar wel  dat  eruit  valt  te  reconstrueren  hoe  het  wetenschappelijke  bedrijf,  afdeling Middelnederlands, functioneerde tussen 1830 en 1950. Zonder al te veel moeite valt uit dit doctoraat te achterhalen hoe de opvattingen over met name de eerste 10 verzen van Van den vos Reynaerde in de loop der tijden zich vormden, zich veranderden en zich verspreidden en welke rol autoriteit en argument daarbij speelden. Om die reden is Léonards proefschrift vooral voor de beoefenaars van de wetenschapsgeschiedenis een ware goudmijn.

 

Het proefschrift van Edouard Léonard is binnenkort te raadplegen op de site van de KANTL.

 

Naschrift   

Nog een Luiks doctoraat

 

Bij  pogingen meer informatie te vinden over E. Léonard, bleek dat er nog een tweede Luiks proefschrift geschreven is.  Dr. Kris Steyaert mailde me het volgende:

 

 

Die Léonard lijkt inderdaad een ongrijpbare figuur: ik vind zijn naam

niet  terug  in  de  officiële  jubileumuitgaven  (liber  memorialis)  van  de

universiteit.  Zijn  parcours  lijkt  wel  sterk  op  dat  van  (mede?)student

Herbert Boucq. Boucq schreef in 1941-1942 zijn licentiaatsverhandeling  getiteld

Morphologie  van  het  substantief  in  Reinaert  I  en  promoveerde vervolgens in 1947-1948 op het proefschrift Morphologie van het substantief en van het adjectief in Reynaert I. De

Reynaert  was in de jaren 1940 blijkbaar erg in trek in Luik.

 

In de catalogus van de Luikse universititeitsbibliotheek is deze dissertatie niet opgenomen. Het doctoraat van Herbert Boucq is tot nu toe onvindbaar …

 

 

Bijlage

 

De Reynaertstudie aan de Belgische universiteiten tussen 1934 en 1964

 

Blijkens de lijst opgesteld door Ada Deprez werden aan Belgische universiteiten tussen 1934 en 1964  vijf licentiaatsverhandelingen en twee doctoraten voorgelegd. Het gaat om de volgende werken.

 

  1. Levoz, Reinaert und Reinke de Vos, Luik, 1936.

Edouard Léonard, De Reinaert-Proloog. Stand van zaken, Luik, 1941.

Herbert  Boucq,  Morphologie  van  het  substantief  in  Reinaert  I,  Luik, 1942.

Theo  Maes,  Koning  Ermerics  wonderbare  schat  in  Reinaerts  historie,Gent, 1943.

Herbert  Boucq,  Morphologie  van  het  substantief  en  van  het  adjectief  in Reynaert I, Luik, 1948. (doctoraat)

Edouard  Léonard,  Studie  over  het  probleem  van  de  Reinaert-proloog,Luik, 1949. (doctoraat)

Dirk Tieleman, Reinaert de vos. Een status questionis, Gent, 1963.

Bron: Ada Deprez, ‘Licentiaatswerken en doctoraten in verband met de literatuurwetenschap of de Nederlandse literatuurstudie. Systematisch overzicht van de aan de Belgische universiteiten voorgelegde werken’, in:  Studia Germanica Gandensia, 7 (1965), p. 158.

 

Noten

1   Joep  Leerssen,  ‘De  vos  op  het  spoor.  De  herontdekking  van  Reynaert  in  de  eeuw  van  het  nationalisme’,  in: Tiecelijn  28.  Jaarboek  8  van  het  Reynaertgenootschap,  (2015),  p.  11-17.  Uitvoeriger in: Joep Leerssen, De bronnen van het vaderland. Taal, literatuur en de af bakening

van Nederland 1806-1890, Nijmegen, 2006, m.n. hoofdstuk 4: ‘De nationaliteit van Reinaert (1834-1870)’, p. 75-95.

2  Jan de Putter, ‘Op zoek naar Arnout. Over interpretatie van Buitenrust Hettema tot Van

Daele’, in: Tiecelijn 28. Jaarboek 8 van het Reynaertgenootschap, (2015), p. 18-63.

3  C.A. Zaalberg (ed.), Van den vos Reinaerde, ’s-Hertogenbosch, 197310, p. 8.

4 L.M. van Dis (ed.), Van den vos Reynaerde, Groningen, 197220, p. 35-37. P. de Keyser (ed.),

Van den vos Reynaerde, Antwerpen, 19727, p. xix en p. 1.

5  Rob.  Roemans,  ‘Analytische  Bibliographie  van  Dr.  Leonard  Willems’,  in:  Verslagen  en 

mededeelingen  der  Koninklijke  Vlaamse  Academie  voor  Taal-  en  Letterkunde,  (1933),  p.  699-701, m.n. p. 701. Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard Willems en het Reinaertprobleem’, in: O.M.O. Maandblad van den Vlaamschen Leeraarsbond van het Officieel Middelbaar Onderwijs, 13 (1933), p. 221-227, m.n. p. 222-223.

6  Leonard  Willems,  ‘De  Reinaert-proloog  of  adhuc  sub  judice  lis  est’,  in:  Verslagen  en

mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1938, p. 675-692, m.n. p. 684. Rob. Roemans, ‘Het Reinaertprobleem en Prof. Dr. J. van Mierlo, S.J.’ in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 640-647.

7   ‘Rapport  sur  la  situation  de  l’université  pendant  l’année  academique’,  in: Ouverture

solennelle des cours, le 24 septembre 1949, Luik, 1949, p. 212.

8 Het proefschrift is aangekondigd in de Revue belge, 28 (1950), p. 772. In 1942 behaalde

Léonard  zijn  licentiaat  aan  de  Université  de  Liège  met  een  licentiaatsverhandeling  De

Reinaert-Proloog, Stand van zaken. Ook deze verhandeling is aangekondigd in: Revue belge, 21

(1942), p. 534. Zie ook: I. Simon, ‘Soixante années de Philologie germanique à l’Université de Liège’, in : Bulletin de l’Association des Amis de l’Université de Liège,2/4 (1950), p. 37.

9  J.  van  Mierlo,  ‘Verslag  over  een  prijsantwoord  voor  het  jaar  1949:  Een  studie  over  het  probleem  van  de  Reinaert-proloog  sedert  Jan  Frans  Willems’,  in: Verslagen  en  mededelingen  der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, (1951), p. 269-276, citaat p. 275.

10  Leonard  Willems,  ‘De  Reinaert-proloog  of  adhuc  sub  judice  lis  est’,  p.  689.  Willems

legt  deze  woorden  in  de  mond  van  G.G.  Kloeke.  Kloeke  drukte  zich  beslist  minder  sterk  uit: G.G. Kloeke, ‘Het aandeel van Willem en Aernout in den Reinaert I’, in: Tijdschrift voorNederlandse taal- en letterkunde, 38 (1919) p. 35-36.

11 Over de ontdekking door de medewerkers van KANTL, Jan de Putter, ‘Op zoek naar

Arnout’, p. 18 en 50.

12 Een exemplaar van het proefschrift bevindt zich in de Luikse universiteitsbibliotheek

onder  signatuur  ALPHA-Bibliothèque  principale  Réserve  distante  –  Section  B  (007620M  en  007621M ). De Luikse UB liet weten: ‘We cannot unfortunately supply you the desired books. These  are  located  in  a  inaccessible  section  of  the  library  because  of  a  fungal  contamination  (processing). We don’t know when these will be again available.’ (mail d.d. 20-1-2016).

13 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf

het  begin  tot  1300,  Amsterdam,  2006,  p.  496-498,  p.  585  (verwijzing  naar  rapport  over  de  Madoc  door  Nolanda  Klunder);  Alexia  Lagast,  ‘A  la  recherche  de  l’œuvre  perdue:  kritische

status  quaestionis  van  het  onderzoek  naar  de Madoc’,  in: Millennium.  Tijdschrift  voor  middeleeuwse studies, 24 (2010), p. 19-33.

14 Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard

Willems en het Reinaertprobleem’, p. 221-227.

15 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949: Een studie over het

probleem van de Reinaert-proloog sedert Jan Frans Willems’, p. 273.

16 J. van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert-proloog’, in: Verslagen en

mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1942, p. 563-595.

17 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949’, p. 273-275.

18  Rob. Roemans, ‘Over de studie der middeleeuwsche literatuurgeschiedenis. Dr. Leonard

Willems en het Reinaertprobleem’, p. 222-223. Rob. Roemans, ‘Nécrologie. Leonard Willems (1864-1938)’, in: Revue belge de philologie et d’histoire 18 (1939), p. 838-840.

19‘Chronique’, in: Revue belge de philologie et d’histoire 23,1944, p. 572-573. Ik citeer hier

het berichtje: ‘van Mierlo: De definitieve oplossing inzake den Reinaert-proloog (563-595): een bescheiden opstel waaruit moet blijken dat èn J.W. Muller, èn L. Willems, èn G.G. Kloeke allen ongelijk hebben, dat vs. 6 – het is de “klaarblijkelijkheid zelf ”, p. 568 – moet geluid hebben: Die Perrout hevet vulscreven, welk opstel eig. geschreven werd om Th. Frings’ uitspraak (…) over de proloog: “philologisches Gezänk ” waaraan Muller’s jongste uitgave een einde heeft gemaakt, in het ongelijk te stellen.’ Waarschijnlijk is de tekst van Rob. Roemans, hij schreef vaker bijdragen voor de ‘Chronique’ in de Revue belge. Van zijn hand is ook eensignalering van Van Mierlo’s studie ‘Sporen van den Reinaert-roman’ in de Chronique van de Revue belge, 24 (1945), p. 556-557.

20  F.  Willaert,  ‘Jozef  van  Mierlo  (1878-1958):  Vlaams  en  katholiek ’,  in:

Millennium, tijdschrift voor middeleeuwse studies, 25 (2011), p. 121.

21 G. Warnar, ‘Van Mierlo (1878-1958) en de anderen. De studie van geestelijke letterkunde

tussen  1900  en  1950’,  in:  Wim  van  Anrooij,  Dini  Hogenelst  en  Geert  Warnar  (red.),

Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde,Amsterdam, 2003, p. 179-193, m.n. 193.

22 J. van Mierlo, Geschiedenis van de Oud- en Middelnederlandse letterkunde, Antwerpen,

1928, p. vi. Vgl. Frank Willaert, ‘Van Mierlo. De voordelen van vooroordelen’, in: Literatuur, 6 (1989), p. 345 en F. Willaert, ‘Jozef van Mierlo (1878-1958): Vlaams en katholiek ’, p. 124.

23 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën, III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse

taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 34. Vgl. ook Jan de Putter, ‘Op zoek naar Arnout’, p. 30.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Op zoek naar Arnout. OVER INTERPRETATIE VAN BUITENRUST HETTEMA TOT VAN DAELE

Op zoek naar Arnout
OVER INTERPRETATIE VAN BUITENRUST HETTEMA TOT VAN DAELE

Eerder gepubliceerd in Tiecelijn. Jaarboek 8 van het Reynaertgenootschap, p. 18-63.
Het oorspronkelijke artikel is als pdf te raadplegen via: https://www.academia.edu/19153282/Op_zoek_naar_Arnout._OVER_INTERPRETATIE_VAN_BUITENRUST_HETTEMA_TOT_VAN_DAELE

Inleiding

Over de geschiedenis van het Reynaertonderzoek is veel geschreven en gezegd. Ergens in de archieven van de Koninklijke Vlaamse Academie moet zich een ongepubliceerd, maar bekroond typoscript uit 1950 van maar liefst 700 pagina’s bevinden dat handelt over ‘het probleem van de Reinaert-proloog’ van Jan Frans Willems tot Van Mierlo.1 De bekroning geeft een indicatie van hoe belangrijk dit thema toen gevonden werd en de omvang hoeveel inkt er al over de interpretatie van de proloog was gevloeid. W.Gs Hellinga omschreef de geschiedenis van deze filologische strijd als:

een boeiend verhaal van scherpzinnigheid en stupiditeit, van ontdekkerstriomfen en leed om tegenstand: van moed om nieuwe wegen in te slaan, nieuwe technieken en methoden te beproeven, en van onkunde,onbegrip en onwil; van vriendschap die tot partijschap werd en vriendschap die in vijandschap verkeerde: van plezier, spot, hoon, haat: kortom een hoofdstuk uit de wetenschapsgeschiedenis.2

Wat er allemaal gebeurde wil Hellinga niet vertellen. Hij had de wetenschap aan zich verplicht als hij dit verhaal wel in geuren en kleuren verteld had. Een hoofdstuk uit de wetenschapsgeschiedenis is dit artikel zeker, maar alleen heel zelden kunnen we op deze afstand nog de heftige emoties horen doorklinken waarmee het debat gevoerd werd. Dat neemt niet weg dat het verhaal over het onderzoek van de proloog allesbehalve saai is en zeker niet van enig belang ontbloot.
Aanzetten voor het debat waren er al in de negentiende eeuw. Toen warenslechts twee Reynaerthandschriften bekend: het Comburgse handschrift met daarin de tekst Van den vos Reynaerde (A) en het Brusselse handschrift waarin de tekst Reynaerts historie (B) te vinden is. Het eerste gedeelte van Reynaerts historie volgt bijna woordelijk Van den vos Reynaerde en voegt aan dat verhaal nog een vrijwel even lang vervolg toe. De discussie over de proloog barstte even-

p.18

wel eerst goed los toen een tweede handschrift van Van den vos Reynaerde, het Dyckse (F), werd ontdekt in 1907,3 waar in de proloog de naam van een tweede dichter, Arnout, na Willem stond vermeld. Ik geef hieronder de verzen 1-9 van de proloog naar de overgeleverde handschriften weer:4

Van den vos Reynaerde, verzen A 1-9
(Comburgse handschrift)

Vvillem, die vele bouke maecte
Daer hi dicken omme waecte
Hem vernoyde so haerde
Dat die auonture van reynaerde
Jn dietsche onghemaket bleuen
Die willem niet hevet vulscreuen
Dat hi die vijte van reynaerde soucken
Ende hise na den walschen boucken
In dietsche dus heuet begonnen

Van den vos Reynaerde, verzen F 1-9
(Dyckse handschrift)

Vvillam die madocke makede
Daer hi dicke omme wakede
Hem vernoyde so harde
Dat er ene auenture van reynaerde
Jn dietsche was onvolmaket bleuen
Die arnout niet en hadde bescreuen
Dat hi die vite dede soeken
Ende hise vten walschen boeken
Jn dietsche heuet begonnen

Reynaerts historie, verzen B 1-9
Brusselse handschrift)
WIllam die madock maecte
Dair hi dicke om waecte
Hem iamerde zeer haerde
Dat die geeste van reynaerde
Niet te recht en is gescreuen
Een deel is dair after gebleuen
Daer om dede hy die vite zoeken
Ende heeftse wtten walschen boeken
Jn duutsche aldus begonnen

p. 19

Inzet van de discussie werd de vraag welke rol aan deze Arnout toegedicht moest worden. Daarbij kwam aan de orde wat de verhouding van de Reynaert was tot zijn Franse bron, want Arnout kon worden gezien als de verbindingsschakel tussen de Roman de Renart en Van den vos Reynaerde. J.W. Muller verdedigde vanaf de ontdekking van het Dyckse handschrift het idee dat de Reynaert het werk was van twee dichters. Hoewel de discussie over het dubbele auteurschap van de Reynaert voor een groot deel door het moderne onderzoek is achterhaald, speelde op de achtergrond van deze discussie een aantal tot op de dag van vandaag fundamentele vragen mee over de manier waarop uitgevers van teksten met hun tekstgetuigen moeten omgaan. Dan gaat het om vragen zoals: Kan vastgesteld worden wat het beste handschrift of de beste lezing is of zijn alle overgeleverde tekstgetuigen gelijkwaardig? Kan het verloren origineel van een tekst gereconstrueerd worden? Moet de tekst diplomatisch of kritisch uitgegeven worden? Hoewel de discussie implicaties had voor de grondslagen van het vak, met name voor de vraag hoe teksten moesten worden uitgegeven,verwerd de discussie al snel tot ‘ein Musterfall unfruchtbaren philologischen Gezänkes’.5
De voornaamste reden waarom de discussie na de Tweede Wereldoorlog verstomde, was het overlijden van Muller in 1945. Een nieuwe generatie onderzoekers,waarvan G.-H. Arendt en W.Gs Hellinga de belangrijkste waren,wees resoluut het idee af dat de Reynaert het werk zou kunnen zijn van twee auteurs. Zij zagen de tekst als het werk van één geniaal dichter. Bovendien verschoven de vragen binnen het onderzoek van productiegericht naar werkimmanent:niet meer de auteur stond centraal maar de tekst zelf.6 Toch bleef de discussie over Arnout uit de voorgaande decennia op de achtergrond sluimeren om weer op te duiken in het werk van de gezaghebbende reynaerdist André Bouwman, die hem wil zien als de spil van een intertekstueel netwerk.
Volgens Bouwman zou de in de proloog genoemde Arnout door de dichter Willem en het publiek beschouwd zijn als de auteur van meerdere verhalen uit de Roman de Renart. Verschillende branches kenden zij uit een Oudfranse codex en die zouden ze toeschrijven aan Arnout.7 Deze visie van Bouwman komt niet uit de lucht vallen. Ze staat in een lange traditie van onderzoek naar de proloog en kan daar dus ook niet los van gezien worden. De opvattingen van Bouwman stuitten echter op verbazing van Herman Heyse, één van de oprichters
van Tiecelijn. Ze kwamen op hem ‘iets te perfectionistisch, te technisch, te bibliotheekachtig, te modern intertextueel over.’8 Ook die mening staat in een lange traditie.

p.20

Over wie Arnout was, verschillen onderzoekers van mening. Binnen het
Reynaertonderzoek lijkt dit een thema van ondergeschikt belang, maar niets is minder waar. De visie op wie Arnout was, zegt veel over hoe men zich de genese van de Reynaert voorstelt. Vooraanstaande onderzoekers hebben zich een idee gevormd over zijn invloed op Willem en de Reynaert. In dit artikel wil ik onderzoeken welke betekenis wetenschappers toekennen aan de raadselachtigeArnout, van wie niet meer bekend is dan zijn naam. Het beeld dat wetenschappers zich gevormd hebben van deze dichter is dus een constructie die vooral veel onthult over de culturele achtergrond van de onderzoekers. Ik zal daarom een voorzichtige poging wagen het werk van mijn voorgangers te deconstrueren door de achterliggende normen en waarden bloot te leggen. Dat leidt als vanzelf tot een methodologische reflectie op de stand van het Reynaertonderzoek.
Mede door toedoen van de wetenschap is de Reynaert een ijkpunt geworden voor de culturele identiteit van Nederland en Vlaanderen. Van Daele heeft eerdergewezen op de ‘identificatiestrategieën’ die een rol spelen in het onderzoek.Hij merkte op dat heemkundigen de Reynaert claimen als ‘van bij ons’ vanwege de lokaal gekleurde plaatsnamen.9 Maar ook afstandelijke academische onderzoekershebben Willem en Arnout hun eigen wereld binnengetrokken.

1. De titanenstrijd tussen Muller en Buitenrust Hettema

F. Buitenrust Hettema en J. W. Muller zijn door hun commentaren op de Reynaert de grondleggers van het moderne Reynaertonderzoek. Tot op de dag van vandaag zijn alle onderzoekers van de tekst aan hen schatplichtig. De mislukte samenwerking tussen Buitenrust Hettema en Muller aan een Reynaerteditie is een cause célèbre uit de geschiedenis van de neerlandistiek. Hun ruzie klinkt nog steeds na door de principiële stellingname van beide onderzoekers.Zij staan model voor twee geheel verschillende wijzen van uitgeven: de diplomatische en de kritische.
Het Reynaertonderzoek werd in de tweede helft van de negentiende eeuw sterk gestimuleerd door veranderingen in het onderwijs. Nadat Nederlandse taal- en letterkunde een academische studie geworden was, werd van iedere docent Nederlands aan het gymnasium het universitaire kandidaatsexamen geëist. Deze docenten brachten hun wetenschappelijke bagage mee naar het onderwijs. Zij vonden het noodzakelijk klassieke teksten te bespreken.10 Aan

p. 21

deze behoefte voldeed Buitenrust Hettema als instigator van de reeks Zwolsche Herdrukken, historisch letterkundige schooluitgaven ten behoeve van het voortgezet onderwijs. In 1890 verscheen de eerste uitgave van zijn hand, het Spaens Heydinnetje van Jacob Cats en in 1896 verzorgde hij een uitgave van de liederen van Brederode. Het lag dan ook voor de hand dat in deze reeks een uitgave van de Reynaert zou gaan verschijnen.11 Dat Mullers pad hier dat van Buitenrust Hettema kruiste was niet verwonderlijk. In zijn dissertatie had Muller minutieus de varianten tussen Van den vos Reynaerde en Reynaerts historie vergeleken vanuit een taalkundig perspectief.12 Zijn kennis en expertise waren onomstreden. Het leek Muller dan ook een goed idee om de samenwerking aan te gaan met Buitenrust Hettema.

buit003_p01

Buitenrust Hettema
Een eerste resultaat was een uitgave van Van den vos Reynaerde in 1903, in de reeks Zwolsche herdrukken. Toen al waren de verschillen van inzicht duidelijk.Het boek opent met de volgende verklaring van de uitgevers:

Hiertoe hebben wij ons, nu de omstandigheden ertoe leidden, vereenigd,ofschoon verschil van opvatting, als gevolg van verschillend standpunt en karakter, ook bij onderdeelen dezer gemeenschappelijkaanvaarde taak meer dan eens bleek en zal blijken.13

Buitenrust Hettema en Muller waren van plan om nog een band met een
wetenschappelijke inleiding en aantekeningen bij de tekst te doen verschijnen.De samenwerking kwam echter onder grote spanning te staan na de ontdekking van het Dyckse handschrift. Twistpunt was of het pas ontdekte Dyckse handschrift nog verwerkt kon worden. Op de achtergrond speelde de vraag of het te verkiezen was om een gereconstrueerde tekst uit te geven of een synoptische editie, waarbij Comburg en Dyck naast elkaar geplaatst zouden worden. Buitenrust Hettema’s houding was van dien aard dat het ‘de deur toedeed’ voor Muller. Hoewel hij schrijft dat ze in vrede en vriendschap uit elkaar gegaan zijn, horen wij nog steeds de knallende deuren.14 Mullers irritatie over Buitenrust Hettema’s houding is alleszins begrijpelijk. Buitenrust Hettema bleef zich verzetten tegen het idee dat de Reynaert het werk van twee auteurs zou zijn. In Comburg wordt de naam Willem tweemaal vermeld, ook in vers 6 waar in Dyck ‘Arnout’ staat. De conjectuur dat hier een andere naam moest staan was al in 1897 voorgesteld door Leonard Willems,15 maar werd toen onthaald op een ‘schaterlach onder alle beroepsphilologen’.16 Toen die tweede auteur inderdaad gevonden werd in het Dyckse handschrift17 verdedigde

p. 22

Buitenrust Hettema hardnekkig het idee dat Arnout wel een corrupt insluipsel moest zijn. Hij bleef geloven dat hier moest staan dat Willem de mondelinge circulerende avonturen niet allemaal had opgeschreven.18 Daarmee ignoreerde hij aldus Muller een filologisch feit en hun wegen scheidden zich.
Het geplande deel met inleiding en aantekeningen bij de editie van 1903 werd door Buitenrust Hettema in 1910 alleen uitgegeven. Op de synoptische editie van het Dyckse en Comburgse handschrift moest gewacht worden tot 1921, een jaar voor zijn dood.19 Het is goed mogelijk dat Buitenrust Hettema een synoptische uitgave niet echt een prioriteit vond. In het deel dat verscheen in 1910 liet hij zich namelijk nogal laatdunkend uit over het belang van het Dyckse handschrift. Het was niet meer dan een Hollandse omwerking, terwijl de kopiist van het Comburgse handschrift zijn grondtekst trouw gevolgd had. De Friese Flamingant – tijdens de Eerste Wereldoorlog bekleedde hij een leerstoel aan de vernederlandste Gentse universiteit – beviel het idee niet dat een Hollandse kopie dichter bij het origineel zou kunnen staan dan de in vloeiend Vlaams afgeschreven tekst in het Comburgse handschrift. ‘Tot dus nader ’t tegendeel bewezen –niet beweerd – wordt, vinden we in het R-hs a ’t werk van Willem.’20 Daar moest Muller het mee doen. Dat kwam Buitenrust Hettema op kritiek te staan van Mullers leermeester Joh. Franck. Die drong aan op een kritische uitgave en noemde het commentaardeel uit 1910 van Buitenrust Hettema een ‘unverständliches Versuch’.21
Muller deed in 1914 een kritische editie het licht zien.22 Zijn kennis van het Middelnederlands zou het mogelijk maken de tekst te zuiveren van corrupties en zo een kritische editie te maken. Om de oudste, oorspronkelijke gedaante van de tekst te reconstrueren, onderwierp hij de overgeleverde teksten aan een grammaticale en lexicologische tekstkritiek. Muller ging uit van de niet onjuiste gedachte dat kennis van de ontwikkeling van het Nederlands hem in staat stelde na te gaan welke variant het dichtst bij het origineel stond. Hij vergeleek alle bekende Middelnederlandse handschriften, betrok in zijn analyse de Latijnse vertaling van de Reynaert, maar liet daarbij opvallend genoeg het origineel, de Roman de Renart, buiten beschouwing. Deze ‘Duitsche’ methode,de naam Lachmann valt niet, zo schreef hij als verdediging tegen critici, week af van de ‘Hollandsche’ traditie. Er was bij ‘vrije nuchtere Hollanders’ een afkeer van ‘Duitsche (“mofsche”) stelselzucht.’ Dat is typerend voor de leidende rol die de Duitse wetenschap had ondanks de weerstand in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw.23 Muller is steeds blijven sleutelen, een
p.23

ander woord is er niet voor, aan zijn kritische editie. In zijn editie uit 1944 onderscheidde hij zelfs vier verschillende schrijvers die verantwoordelijk zouden zijn voor de uiteindelijke tekst van de Reynaert. Arnout, zo dacht hij, had aan het einde van de twaalfde eeuw het eerste deel (vers A 41-1900) geschreven en Willem het tweede deel. Een derde hand zou dit gedicht omgewerkt hebben,wellicht voegde hij de proloog (vers A 1-10) en de pudenfabel (A 2298-2325)toe en daarna zou nog vóór 1272 een vierde hand het einde vervangen hebben door een nieuw slot.24 Zijn methode leidde ertoe dat hij steeds meer verschillen zag, die hij ook benoemde. Wanneer het geloof in de eenheid van de tekst opgegeven wordt dan worden ook de interpretatiemogelijkheden substantieel verruimd. Dat maakte het voor hem mogelijk de Reynaert als typisch Nederlands te zien (zie par. 4).
Het eindresultaat van Mullers werk was een kritische editie met een in plechtig, gedragen proza geschreven inleiding. De kritische editie van Muller is de basis geworden voor de tot in de jaren tachtig veel gebruikte editie van Van Dis. De editie Van Dis mag dan in veel opzichten verouderd zijn, maar niet wat het nauwkeurige taalkundig commentaar betreft, dat voor een belangrijk deel teruggaat op het werk van Muller.25

2. De estheet Van Mierlo tegen de rest van de wereld

De strijdbare pater Jozef van Mierlo S.J. werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een wetenschapper met een ‘niets ontziende durf ’, die ‘met het dictaat van een gevestigde traditie’ nooit vrede nam.26 Zijn eerste artikel over de proloog van de Reynaert schreef hij in 1929, zijn laatste ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’ in 1942. Hoewel hij in die jaren van opvatting veranderde, is in al zijn artikelen de polemiek met de Noord-Nederlandse collega Muller aanwezig.27
In 1929 verdedigde Van Mierlo het idee dat Arnout wellicht de schrijver van een Vlaams Reynaertverhaal was, dat in het Frans vertaald was door Perrout. Willem zou alleen maar beweerd hebben het verhaal uit het Frans vertaald te hebben om de mode van de Franse ridderromans te parodiëren.28 De gedachte is minder vreemd dan zij op het eerste gezicht lijkt. Jacob Grimm had in de negentiende eeuw de Reynaertverhalen als oeroud Germaans bestempeld29 en Jan Frans Willems zocht de oorsprong in Vlaanderen.30 Een echo van die opvattingen is in het hedendaagse onderzoek nog te vinden in de opvatting dat de
p. 24

de bron voor de Franse verhalen uit de Roman de Renart te vinden is in Vlaanderen.31 Dit is ook de achterliggende opvatting bij de kritiek van Heyse op Bouwman,waarmee we dit artikel begonnen. De invloed van Van Mierlo werkt nog lang door.

van Mierlo
De gedachte dat de Reynaert ouder was dan de Roman de Renart lokte al binnen twee jaar een reactie uit van M. Delbouille. Door gebruik te maken van de methode Lachmann, het zoeken naar gemeenschappelijke fouten in de Franse en Nederlandse teksten, probeerde hij te tonen dat Willems tekst juist terugging op een Frans origineel. Delbouille suggereerde, dat het de in de proloog genoemde dichter Arnout was die deze branches in het Diets vertaalde.32 Een opvatting die een vernietigende reactie uitlokte van Van Mierlo.33 In de daarop volgende decennia werden daardoor de opvattingen van Delbouille buiten de discussie geplaatst. Niemand wilde zich beroepen op de onderzoeksresultaten van Delbouille. Pas decennia later sloot Bouwman in zijn dissertatie wel weer aan bij Delbouilles pioniersarbeid.34
Zoals gezegd, Van Mierlo schroomde niet om zijn eigen opvatting radicaal te veranderen, ook wat zijn ideeën over Arnout betreft. Muller gebruikte er vilein het woord ‘palinodie’ voor.35 In 1932 was Arnout geen Vlaams schrijver meer, maar beschouwde Van Mierlo de naam Arnout als niets anders dan een corrupte overlevering van de naam van Perrout, de dichter van branche I van de Roman de Renart. Om zijn lezing kloppend te maken, moest hij nog wel een kunstgreep uithalen. Voor ‘Die Arnout niet hevet vulscreven’ las hij ‘Die Perrout hevet vulscreven’.36 De ingreep om de ontkenning ‘niet’ te schrappen, maakte de opvatting van Van Mierlo niet overtuigender. Tegen zijn critici verweerde hij zich met het al genoemde artikel dat hij vol zelfvertrouwen de titel meegaf: ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’.37 Over de titel is wel eens smalend gedaan.38 Zijn autoriteit zorgde er echter voor dat deze opvatting de weg heeft gevonden naar de schoolboekjes, zowel in Nederland als in Vlaanderen.
De Noord-Nederlandse editie van Zaalberg geeft de eerste tien verzen van de proloog volgens zowel het Comburgse als het Dyckse handschrift weer, gevolgd door de reconstructies van Van Mierlo en van Muller. Zo werden in de jaren zestig en zeventig Nederlandse scholieren ermee geconfronteerd dat de geleerden er ook niet altijd uitkwamen.39 In de Vlaamse editie van De Keyser wordt de voorkeur gegeven aan ‘de definitieve oplossing’ van Van Mierlo. Ook de Keyser kiest voor de opvatting dat Willem de enige dichter van het verhaal is. Persoonlijk gelooft De Keyser ook dat het meest waarschijnlijk is dat in vers 6 verwezen
p. 25

werd naar de Franse dichter Perrout, maar hij voegt eraan toe dat deze stelling niet bewezen is. Uit deze editie leerden Vlaamse scholieren bovenal in navolging van Van Mierlo dat de Reynaert een superieure bewerking van de Franse Roman de Renart is, die in alle opzichten door en door Vlaams is. De vergelijking met die andere literaire held, Tijl Uilenspiegel, was ook in deze editie aanwezig.40
Voor Van Mierlo geven de literaire kwaliteiten de doorslag om de Reynaert als het werk van één auteur te lezen, omdat de Vlaamse versie superieur is aan de Franse tekst. In wezen gaat het verschil van inzicht tussen Muller en Van Mierlo terug op de vraag welke rol de Oudfranse tekst bij de bestudering van de Reynaert speelt. Muller vergeleek verzen in twee handschriften,het Comburgse met het Dyckse handschrift. Van Mierlo vergeleek twee complete teksten, de Franse Renart met de Vlaamse Reinaert.41 Vanuit zijn positie
in Vlaanderen was het alleszins begrijpelijk dat de verhouding met de Franse Roman de Renart hoog op zijn agenda stond. Met nog meer recht kan echter gezegd worden dat de verhouding van de Reynaert tot de Roman de Renart een thema was waar Muller onvoldoende aandacht aan besteedde.42

3. De Reynaertstudie in de ban van de proloog

Van Mierlo en Muller waren niet de enigen die betrokken waren bij de discussie over de interpretatie van de proloog. Ik wil hier ook nog L. Willems en L. Peeters vermelden. Met grote schroom uitte Willems in 1938 zijn kritiek op de interpretatie van zijn vriend Van Mierlo dat in Arnout een Franse dichter gezien moet worden. Willems merkte scherpzinnig op dat de interpretatie van de proloog wisselt naargelang een onderzoeker een ander handschrift als leidend neemt. De interpretatie van Muller neemt voor de proloog het Dyckse handschrift als uitgangspunt, Van Mierlo gaat net als Buitenrust Hettema uit van het Comburgse handschrift, Willems zelf koos ervoor uit te gaan van de proloog van Reynaerts historie. Willems betoogde dat Arnout de schrijver van een proto-Reynaert was. Met een proto-Reynaert bedoelde Willems dat Arnout al een reeks Reynaertavonturen zou hebben geschreven. Willem heeft daaraan zijn vertaling van Le plaid toegevoegd.43 Met de interpretatie van Willems heeft Van Mierlo, natuurlijk, komaf gemaakt. Hij verweet Willems dat hij net als Muller willekeurig elementen uit verschillende prologen combineerde,zodat elke interpretatie mogelijk was.44 En dat terwijl hij zelf naar believen een woord uit de proloog schrapte!

p.25

Misschien was de meest interessante reactie op Van Mierlo’s opvattingen afkomstig van K. Heeroma. Heeroma wilde niets weten van het voorstel van Van Mierlo om de naam van de Franse dichter in de proloog te lezen: ‘De grotere dichterlijke kracht van de F-tekst hangt ook samen met de omstandigheid dat daarin ene Arnout als een voorganger van Willem wordt genoemd.’ De naam Arnout heeft volgens hem zin, want daaruit concludeerde het publiek dat Willem zijn voorganger gaat overtreffen. Heeroma’s argument is interessant, want hij wijst erop dat de naam Arnout ook deel uitmaakt van de retoriek van de proloog. Heeroma heeft weinig op met ‘filologische boekhouders’. De aandacht voor filologische problemen wil wel eens het zicht op de retoriek ontnemen,is zijn mening.45 Voor Heeroma is van weinig belang wat nu het aandeel van Arnout in de Reynaert is. Hij wil wel aannemen dat het eerste deel van de Reynaert door Arnout vertaald zou zijn uit de Roman de Renart, maar voor een ‘gedichtlezer’ als Heeroma is het aandeel van Arnout niet herkenbaar in de tekst.46 Voor Heeroma was De Reynaert hoogstpersoonlijke poëzie, waarin hij zich kon herkennen. De observatie van Heeroma dat Willem zich in een literaire verhouding met zijn voorganger Arnout plaatst, is ontegenzeggelijk juist,maar Heeroma overspeelt zijn hand als hij erin leest dat Willem bedoelde dat hij zijn voorbeeld wilde overtreffen.
Peeters noemde Heeroma’s tekstinterpretatie van de proloog een ‘staaltje van geraffineerd, subliem en subtiel defense of poetry’, dat echter niet ‘het stempel der wetenschappelijkheid draagt’.47 Peeters benaderde de proloog op een heel andere wijze. Dat deed hij in het opmerkenswaardig artikel ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’. Uitgangspunt voor Peeters is een door De Vreese voorgestane ‘tot het uiterste gedreven eerbied’ voor de handschriften. Hij kwam dan ook tot de conclusie dat alle prologen van de Middelnederlandse Reynaert integraal gehandhaafd dienden te worden. Elk van de prologen drukt iets individueels uit van de schrijver-kopiist-bewerker. De kopiisten van de Reynaert
bekeken de proloog met eigen ogen en gaven dan ook allemaal hun eigen interpretatie van de ontstaansgeschiedenis van het verhaal. Het was niet ongebruikelijk dat de schrijver of kopiist van een tekst rekening hield met zijn publiek en de tekst daarom aanpaste. Peeters vindt tekstreconstructie van de proloog dan ook tot mislukken gedoemd, maar deze conclusie trekt hij niet door naar heel de Reynaert.48 Het is een vruchtbare gedachte om de verschillen tussen het Comburgse en het Dyckse handschrift niet te beschouwen als kopiistenfouten,maar net als de tekst in Reynaerts historie als het resultaat van een bewerking.
De teksten in het Comburgse en Dyckse handschrift zijn net als Reynaerts historie

p. 27

geen verschillende redacties, maar verschillende versies van het verhaal.49 Peeters bepleit dus een synchrone tekstinterpretatie waarbij diachrone tekstveranderingen buiten beschouwing gelaten worden.50 Zonder echter een beeld te hebben van wat er in het origineel stond, kunnen de varianten niet worden verklaard. Het artikel van Peeters mag beschouwd worden als het eindpunt in de discussie over de proloog die in de eerste helft van de twintigste eeuw de Reynaertonderzoekers in de ban hield. Ten onrechte is het artikel verdwenen uit het onderzoek. Lulofs was de laatste die het opnam in de literatuurlijst van zijn editie uit 1983.51
Toen Peeters zijn artikel schreef was al lang duidelijk dat de discussie tussen Muller en Van Mierlo over de reconstructie van de proloog nergens toe leidde. De verdienste van Van Mierlo is in de eerste plaats dat hij de moed had gevestigde opvattingen en vooral die van Muller ter discussie te stellen. De dwarsigheid van de Vlaming ontregelde het debat. Hij dwong andere wetenschappers hun opvattingen te beargumenteren, als ze dat nog durfden.
Het ‘philologische Gezänk’ tussen Muller en Van Mierlo is nu grotendeels achterhaald door het onderzoek van met name Bouwman. Het belang van de discussie ligt nu vooral in de aanscherping van de methodologische criteria binnen het vak. Wie in de eenentwintigste eeuw beweert dat de Reynaert het werk is van twee auteurs plaatst zich buiten de wetenschappelijke discussie over de Reynaert.52 De kleine bibliotheek die gevuld kan worden met verspreide bijdragen over de proloog van de Reynaert heeft vooral een culturele betekenis gekregen.

4. Bij Reynaert thuis in Leiden

De opvatting dat Van den vos Reynaerde een Vlaamse tekst is, is onomstreden.Buitenrust Hettema, Muller en Van Mierlo verbinden echter verschillende consequenties aan het Vlaamse karakter van de tekst. Op de ideeën van de Leidse hoogleraar Muller wil ik dieper ingaan, want het illustreert hoezeer de beoefening van de filologie het zich toe-eigenen van klassieke teksten betekent en daardoor verbonden is met natievorming. Niet zelden betekent dat ook het afwijzen van andere claims, zoals Muller deed met de opvattingen van
Buitenrust Hettema en Van Mierlo.

p. 28

Volgens Buitenrust Hettema komt de humor van de Reynaert ‘uit ’t al-dietse volk van ‘de lage landen bi der see’. Die humor vindt men terug bij Nederlandse schrijvers (Vlaamse ontbreken) als bijvoorbeeld Haverschmidt, Beets en Multatuli. Deze humor heeft de Reynaert gemeen met ‘Oudgermanië’, in de oude Noorse literatuur is ze ook terug te vinden. Buitenrust Hettema plaatste dus de Reynaert binnen een Germaans cultuurgebied en volgde daarmee indirect
de lijn van Jacob Grimm.53 De Reynaert is volgens Buitenrust Hettema ontsproten aan de Germaanse stam en heeft wortels in een ver verleden.
Muller heeft in heel zijn wetenschappelijke carrière een andere opvatting dan Buitenrust Hettema gehad. Muller geloofde beslist niet in het idee dat de ouderdom van de Reynaert terugging tot oeroude tijden. Grimms idee van een ‘overoude, Germaansche, naïeve volkssage’ bestempelde hij als een ‘romantisch droombeeld’.54 Mullers filologische arbeid was ingebed in een typische vorm van Noord-Nederlands zelfbewustzijn. Zijn ideeën ontwikkelden zich gedurende een halve eeuw van nationaal gericht naar meer Europees, mede onder invloed van de ontdekking van de naam Arnout in het Dyckse handschrift. Tot in het eerste decennium van de twintigste eeuw beschouwde hij taal nog als het bindend element van de natie.

mull010_p01

J.W. Muller.
Zoals veel Nederlanders was Muller gericht op Duitsland. Hij voelde zichermee verbonden doordat zijn grootvader uit Duitsland afkomstig was. Bovendienhad hij er een belangrijk deel van zijn wetenschappelijke vorming ontvangen.55 Muller voelde zich als Groot-Nederlander ook verbonden met hetlot van Vlaanderen. Hij keurde de verfransing af en verafschuwde de Duitse oorlogsagressie in de Eerste Wereldoorlog. Die tragedie heeft echter zijn visie op de Reynaert niet veranderd. Al voor de oorlog had hij contacten in Vlaanderenmet de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen te Gent. Zogaf het ‘buitenlandsche eerelid’ Muller op 19 februari 1908 een lezing voor de Academie over het pas ontdekte Dyckse handschrift.56 Die Vlaamse contactenzullen mede van invloed geweest zijn voor zijn visie op de Reynaert.
Muller heeft Leiden tot het centrum van de Reynaertstudie gemaakt. Hij promoveerde er op de Reynaert. Wel vervulde hij van 1902 tot 1915 een professoraat in Utrecht, maar daarna keerde hij terug naar Leiden om Verdam op te volgen.57 In zijn Leidse dissertatie uit 1884 schreef Muller dat de geest van de dichter van de Reynaert terug te vinden is in de werken van de stroming waar Bredero toe behoorde. Willem ziet hij als ‘een echt nationaal Nederlands kunstenaar’.58 Hij verandert in de loop der jaren zijn opvatting. In zijn edities uit 1914 en 1944 blijft hij weliswaar de geest van Willem herkennen in Brederode,

p. 29

maar het oordeel dat Willem ‘een echt nationaal Nederlands kunstenaar’ was, laat hij vallen. Bovendien voegt hij toe dat de geest van de Zuid-Nederlander Breugel ook in de Reynaert terug te vinden is. Die wijziging in opvatting valt deels te verklaren doordat de editie zowel in Gent als in Utrecht verscheen,maar deels ook doordat andere opvattingen over de volksaard de boventoon gingen voeren.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw kreeg in Nederland het idee dat de volksaard historisch gegroeid was de overhand.59 Muller suggereert heel sterk dat de Reynaert aan het begin van de vorming van het Nederlands karakter staat. In de Reynaert kwamen volgens Muller de Germaanse en Romaanse traditie samen. Het deel van Arnout kenmerkt zich door Franse zwier, maar hij is ‘geen Fransquillon’, en dat van Willem sluit bij de diepzinnige Germaanse traditie aan.60 Die visie past binnen het zelfbeeld van de burgerlijke elite in Nederland die zichzelf een plaats toebedeelde op de plek waar Europese cultuurstromen samenvloeien. De Leidse hoogleraar J. Huizinga (1872-1945) beschouwde de openheid van de Nederlandse samenleving naar het buitenland als ‘Nederland’s geestesmerk’. Van oudsher zouden de Nederlanders vertrouwd zijn met de Duitse, Engelse en Franse geest. De zeewind en de landwind laten
de Nederlanders vrij door de openstaande vensters van hun huis blazen. De Nederlandse cultuur werd steeds weer verrijkt door de buitenlandse invloeden.61 Voor Nederland zag Huizinga een middelaarsrol tussen West- en Midden-Europa weggelegd.62 Huizinga deelde dan wel niet de Groot-Nederlandse opvattingen van zijn collega Muller, maar algemeen was en is onder intellectuelen de opvatting dat het kenmerk van een handelsnatie als Nederland haar openheid naar de wereld is.
In 1934 sprak Muller zich expliciet uit tegen een nationalistische lezing van het verhaal. Hij oordeelde dat de opvattingen van sommige Zuid-Nederlandse vakgenoten – bedoeld is Van Mierlo – ‘misschien niet geheel buiten invloedvan zekere verklaarbare en verleidelijke, maar toch niet onbedenkelijke “Dietsche” (een enkele maal zelfs bijzonder Brabantsche of Vlaamsche), in “nationalisme” ontaardende vaderlandsliefde’ stonden.63 Die kritiek op Van Mierlo is later vaak herhaald,64 maar nooit eloquenter geformuleerd dan door Muller.
Hij noemde ‘het eene miskenning van ons voortreffelijke gedicht, wanneer men het dergelijke bedoelingen toeschrijft en het verlaagt tot een pamflet.’ Muller verzette er zich tegen dat de Reynaert geclaimd werd door om het even welke ideologische strekking of natie.65 Dat de Reynaert geen bepaalde politieke strekking heeft, was al in 1884 stelling XVII bij zijn dissertatie.66

p. 30

In 1944, in volle oorlogstijd, keerde Muller zich zelfs, zij het in een voetnoot,tegen het misbruik dat Robert van Genechten maakte van de Reynaert. Van Genechten had in 1941 een vervolg op de Reynaert geschreven, Van den Vos Reynaerde, ruwaard Boudewijn en Jodocus. In dit verhaal neemt de neushoorn Jodocus, die staat voor de joden, de macht over in het dierenrijk, waarna de democratie wordt ingevoerd en het komt tot rasvermenging waardoor de dieren hun ware aard verliezen. Uiteindelijk wordt de neushoorn verdreven door
Reynaert en herstelt hij de verdreven leeuw, de zoon van Nobel in zijn macht.Het antisemitische werkje kende het nodige succes tijdens de oorlog,67 maar Muller moest er weinig van weten. Voor Muller heeft dit werk ‘met den eigenlijken Reinaert’ niets te maken. Het is ‘een politiek, een anti- joodsch (spat. Muller), pamflet: Jodocus is hier de naam van een monsterachtig (krom-)neushoornig dier, dat overal kwaad sticht. Enz!’68
Muller zal waarschijnlijk ook persoonlijke redenen gehad hebben voor deze opmerking. Hij had gestudeerd in Bonn bij Joh. Franck, wiens carrière erg geleden had onder het toen ook virulente antisemitisme in Duitsland.69 De opmerking komt in een ander licht te staan als men weet dat Mullers zoon Frederik tijdens de oorlog ‘deutschfreundlich’ was. Frederik Muller, die hoogleraar klassieke talen in Leiden was, had als rector de Duitsers verwelkomd aan de Leidse universiteit, wat hem niet in dank afgenomen was door zijn collega’s. Uit het levensbericht van Muller senior is bekend dat hij de politieke keuze van zijn zoon verdedigde wanneer hij erop aangesproken werd, maar dat het hem tegelijk erg in verwarring bracht.70 Achter een voetnoot kan veel leed schuilen.
Net als zijn leermeester Franck stond Muller een afstandelijke, positivistische benadering van middeleeuwse teksten voor, die naadloos aansloot bij die van de liberale elite in Nederland. Voor Muller belichaamden de twee auteurs,Willem en Arnout, Nederlands geestesmerk.
Van Mierlo’s bijdrage aan de vorming van een Vlaamse literaire identiteit is misschien zijn meest blijvende erfenis: met zijn deel in de literatuurgeschiedenis ’Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden’ schiep hij een Vlaamse canon. De Reynaert neemt daar een ereplaats in. ‘Van den Vos Reinaerde is een echt, zuiver Vlaamsch kunstwerk’ voor Van Mierlo. Hij zag het verhaal over de vos als een uiting van breugeliaans realisme, ruwe scherts bestemd voor geschoolden.71 Daarmee zette hij zich wel af tegen een Vlaamse traditie om de Reynaert als volks te beschouwen: als de evenknie van Tijl Uilenspiegel.72 Deze in zijn werk aanwezige kiem om de Reynaert vanuit een theoretisch perspectief te analyseren, werkte hij niet uit in een grotere studie. Zijn werk is vooral een

p. 31

contrapunt bij het werk van Muller, die tussen de wereldoorlogen het onderzoek domineerde. Het is dan ook veelzeggend dat Van Mierlo een huldegave van Nederlandse vrienden en bewonderaars kreeg bestaande uit een bundeling van zijn Reynaertartikelen waar zijn kritiek op Muller in verwoord was.73 De bundel werd uitgegeven in de door Buitenrust Hettema gestarte reeks Zwolse Drukken en Herdrukken en een van de redactieleden was Hellinga, die juist zijn
Reynaerteditie het licht had doen zien.

5. De dubbelzinnigheden van Hellinga

In de Leidse Universiteitsbibliotheek zijn de commentaren en edities geschreven door Muller van de studiezaal Nederlandse Letterkunde onlangs verbannen naar het gesloten magazijn, waardoor de band met de onderzoekstraditie fysiek verbroken is. Een enkele maal kan de afstand met hem nog worden overbrugd wanneer per verrassing een boek uit het magazijn naar boven komt dat in het bezit geweest is van Muller.74 De eerlijkheid gebiedt echter ook te zeggen dat de werken van de generatie onderzoekers van voor de oorlog niet meer op de studeertafel van huidige Reynaertonderzoekers liggen. In plaats van de commentaren van Muller en de artikelen van Van Mierlo zijn de belangrijkste referentiepunten voor de Reynaertstudent van nu de edities van W.Gs Hellinga en F. Lulofs, de dissertaties van P. Wackers, A. Daele en de Davidsfondsuitgave van het Comburgse handschrift. Er is niet alleen de aflossing van de ene generatie onderzoekers door de andere, maar er is ook daadwerkelijk een breuk met het verleden ontstaan. Een nieuwe generatie had de belangstelling voor Willem en Arnout verloren en richtte zich op de tekst. Dat wil niet zeggen dat ze de opvattingen van een vroegere generatie niet verdisconteerden. De generatie onderzoekers na Muller en Van Mierlo moest zich echter wel lósmaken van hun werk. Hellinga en Arendt hebben dat op eenradicale manier gedaan.
Hellinga en Lulofs hebben de aandacht gericht op Willems taalspel en de vele al dan niet vermeende dubbelzinnigheden in de tekst. Ze hebben sterk de fantasie geprikkeld van de onderzoekers die na hen kwamen. In zijn literatuurgeschiedenis Stemmen op schrift wijdt Van Oostrom een hele paragraaf aan ‘taal en taboe’ in de Reynaert. De interpretatie van de dubbelzinnigheden behoort volgens hem tot de lastigste Reynaertkwesties en ‘varieert al naargelang persoonlijke appreciatie en waarschijnlijk ook wel dirty mind.’75 Die aandacht

p. 32

voor dubbelzinnigheden vloeit voort uit Hellinga’s theorie over taalgebruik van middeleeuwse dichters. Van Oostrom roept de vraag op of de proloog van de Reynaert wel als een dubbelzinnig meesterwerk geïnterpreteerd dient te worden.
Hellinga en zijn leerlingen, daaronder was ook Lulofs, beschouwden de commentaar als het middel om de tekst te interpreteren. Door deze benadering van de filologie is Hellinga wel beschouwd als de grondlegger van de Amsterdamse school.76 In 1952 verschenen de eerste twee Reynaertstudies van Hellinga. Als opvolger van de synoptische editie van Buitenrust Hettema verscheen de monumentale Reynaerteditie, waarin alle bronnen van vóór 1500 parallel naast elkaar waren afgedrukt.77 Als voorstudie voor een commentaar schreef Hellinga een kleine bijdrage over de namen in de Reynaert. Daarna publiceerde hij nog twee essays: één in het literaire tijdschrift Maatstaf78 en één in het wat moeilijker bereikbare Jaarboek van de Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’.79

hell014_p01

W.Gs Hellinga
In zijn werk benadrukt Hellinga dat het verleden radicaal anders is dan het heden.80 Het was de taak van de vakman om een brug te slaan tussen hedenen verleden.81 Vooral aan Hellinga hebben we te danken dat we de Reynaert niet meer zien als de belichaming van de Vlaamse volksaard, maar als een cynisch portret van mens en samenleving. In ‘Het laatste woord’ interpreteert hij het slot als het huiveringwekkende einde van het rijk van koning Nobel. De pays aan het slot is in werkelijkheid de machtsovername door het Boze.82 Deze these is bepalend geworden voor de interpretatie van de Reynaert door Lulofs,Bouwman en Van Daele, waar het zelfs de vorm heeft aangenomen van eenapocalyptisch einde. In het recente onderzoek is deze visie onder vuur komen te liggen. Er lijkt mij geen enkele reden om het slotvers van de Reynaert ‘Ende maecten pays van allen dinghen’ (A 3469) als de triomf van het kwaad te interpreteren,integendeel, door zijn ingrijpen voorkomt Firapeel dat de vos het rijk van koning Nobel ten onder brengt.83 Hellinga’s interpretatie van de Reynaert zegt meer over zijn wereldbeeld dan over het middeleeuwse.Hellinga trekt in ‘Het laatste woord’ de Reynaert in de belevingswereld van een modern publiek door als eerste het gedicht te vergelijken met Under Milk Wood van Dylan zijn voordrachten op de radio dachten zijn tijdgenoten dat hij de attitude had van een middeleeuwse bard.86 In die visie van Hellinga was Willem een verzetsstrijder tegen kerk en (Franstalige) overheid die illegaal op de Gentse markt een gedicht voordroeg.87 De woorden van Reynaert hebben volgens Hellinga een subversief, ontregelend karakter.

p. 33

Het cynisme van Hellinga en Dylan denken dan aan het nihilisme van W.F. Hermans, zoals dat bijvoorbeeld blijkt uit zijn oorlogsnovelle Het behouden huis. Van Oostrom refereert niet zonder reden aan Hermans in zijn bespreking van de Reynaert.88 Eigenlijk slaat
Hellinga’s nihilisme een brug tussen zijn oorlogsverleden en de middeleeuwse Reynaert. Als uitgever van een verzetskrant kende Hellinga de ontwrichtende kracht van woorden.
Als docent haalde professor ‘Springvloed’ het bloed onder de nagels van zijn studenten door een vilein spel met woorden te spelen.89 Inspiratie voor zijn colleges en zijn interpretatie van de Reynaert haalde Hellinga uit de structuralistische linguïstiek van De Saussure, die leerde dat er een verschil was tussen vorm (betekenaar) en betekenis.90 Hellinga’s premisse was dat een twaalfde-eeuwse dichter er altijd op uit is door middel van één vorm meer mededelingen te doen. Willem stond in de traditie van de troubadourspoëzie, die gekenmerkt kan worden als gecompliceerde ‘duistere poëzie’.91 In methodologisch opzicht,geloofde Hellinga, is het daarom nuttig ervan uit te gaan dat ‘we het nooit te vèr kunnen zoeken’. Lezing van Curtius’ Europäische literatur und lateinisches Mittelalter had hem geleerd dat in de periode dat de Reynaert geschreven zou zijn, grote geleerden genoten van een gecompliceerd en streng gereglementeerd vormenspel. Door een spel met namen konden de grofste, scabreuste grappen gemaakt worden. De middeleeuwse mens had immers een andere ‘geestesstructuur’ die minder inhibities kende dan de onze.92
In het eerste artikel dat Hellinga publiceerde, stelde hij, zonder enige verdere uitleg, dat de Reynaert beschouwd moet worden als het werk van één dichter. Plompverloren brengt hij als hypothese naar voren dat in plaats van Arnout de dichter van de Ysengrimus Nivardus gelezen moet worden.93 In het Jaarboek van de Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’ ontvouwt hij een heel andere theorie over het ontstaan van de Reynaert. In dit artikel gaat Hellinga ervanuit dat beroepsvertellers op Vlaamse markten Reynaertverhalen vertelden. Veel van die jongleurs zullen ook de Franse verhalen gekend hebben, maar waren niet in staat die te bewerken voor een Nederlandstalig publiek: dat was het werk van een dichter. De voorganger van Willem heeft die tekst wel uit het Frans omgewerkt, maar kennelijk niet volledig.
Die tekst moet veel succes gekend hebben. Hellinga veronderstelde dat jongleurs die de tekst voordroegen er wel een passend einde aan geflanst hebben.Uiteindelijk moet die Vlaamse tekst zelfs in Duitsland beland zijn. Hijleidt dat af uit de opvallende overeenkomsten tussen Van den vos Reynaerde

p. 34

en Reinhart Fuchs. In Reinhart Fuchs is in de slotverzen te lezen dat deze tekst een bewerking is van het verhaal van Heinrich der Glîchezâre. Om die reden speelt Hellinga met de gedachte dat oorspronkelijk in vers 6 gestaan heeft: ‘die Hendrik niet hevet vulscreven’.94 Hellinga ontleende deze gedachte aan het onderzoek van Muller, die erop wees dat de Vlaamse Reynaert opvallende overeenkomsten vertoonde met de Duitse Reinhart die niet terug te vinden waren in de Roman de Renart.95 Deze veelbelovende gedachtegang is nooit uitgewerkt. Integendeel, sinds Hellinga dit schreef is de Duitse connectie volledig uit beeld verdwenen.
In hetzelfde Jaarboek ventileert Hellinga ook de gedachte dat Arnout een spotnaam zou zijn, wat past binnen zijn visie dat de Reynaert een tekst vol dubbelzinnigheden en taboes is. De kopiist van Dyck zou het spelen met vormen in de proloog herkend hebben. Deze kopiist zou de naam van een eerdere dichter vervangen hebben door die van de patroon van de hoorndragers. Die verandering was functioneel want, zo meende Hellinga, de naam Arnout, bekend als patroon van de hoorndragers, zou suggereren dat iets seksueels niet verteld werd. In dit geval zou de voorganger van Willem de verkrachting van de wolvin in zijn verhaal verzwegen hebben.96 Het idee dat Arnout een insluipsel was, zal Hellinga wel van Buitenrust Hettema overgenomen hebben, de gedachte dat Arnout de patroon van de hoorndragers was, ontleende hij misschien aan Muller,hoewel de laatste er onmiddellijk aan toevoegde dat deze gedachte te ver gezocht was.97 Zijn redenering is een voorbeeld van hypothese op hypothese stapelen, geschraagd door zijn opvattingen over semiotiek. Voor Hellinga is in principe elk woord en elke naam meerduidig. Peeters en Van Daele vragen zich dan ook af of Hellinga niet doorschiet in zijn interpretaties. Zij gebruiken de termen ‘over-interpretation’ en zelfs ‘Hineininterpretierung’. Van Daele voegt daar echter aan toe dat meer onderzoek noodzakelijk is …98 In dezelfde geest heeft Hans Rijns zich uitgelaten. Hoewel hij onomstotelijk aangetoond heeft dat waar Hellinga dubbelzinnige betekenissen meende te ontwaren, er in de bronnen geen enkele aanwijzing voor dubbelzinnigheid terug te vinden is,schrijft hij toch: ‘Wellicht dat Hellinga na verder speurwerk ook voor wat de
door hem veronderstelde dubbelzinnigheden betreft alsnog gelijk krijgt.’99 Het prestige van Hellinga geeft ondanks alle kritiek tot op de dag van vandaag een vrijbrief om de Reynaert te lezen als een verborgen discours over seksuele en andere taboes.100
Al in de jaren zeventig vond Bosch, hoogleraar aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, de benadering van Hellinga, hoogleraar aan de Universiteit van

p. 35

Amsterdam, geen vooruitgang. Volgens Bosch was in Hellinga’s benadering‘een systematisch tekort (…) gelegen (door)dat het bepaald werd door een eng,linguaal bepaald perspectief.’ Bosch doelde daarmee op de door Hellinga omarmde benadering van De Saussure, die Hellinga wilde toepassen op de Reynaert bij het schrijven van een commentaar. De methode kwam hierboven al aan de orde bij de bespreking van Hellinga’s interpretatie van de naam Arnout.
Naar het oordeel van Bosch steeg deze benaderingswijze niet boven het niveau van details uit. Het voorbeeld van hoe het wel moest, was het proefschrift van Arendt, die wel de Reynaert als een geheel bestudeerde.101

6. Dichter en structuur in de visie van Arendt

Het valt te betwijfelen of Arendt en Hellinga elkaar gekend hebben. Ze lijken volledig langs elkaar te hebben gewerkt. Arendt promoveerde in Keulen, terwijl Hellinga op hetzelfde moment in Amsterdam een commentaardeel bij zijn editie voorbereidde. Voor zijn dissertatie Die satirische Struktur des mittelniederländischen
Tierepos “Van den vos Reynaerde” uit 1965 inspireerde Arendt
zich op de studie van Hans Robert Jauß uit 1959 over het middeleeuwse dierdicht102 en net als bij Jauß ging zijn aandacht dan ook uit naar de aard van satire in dierenverhalen. Daar is zijn onderzoek niet bekend mee geworden. In het Reynaertonderzoek is Arendts werk beroemd geworden door de aandacht voor de ruimtelijke structuur en de liststructuur. Het uitgangspunt voor zijn
studie was het dominante beeld van Muller. Na een uitvoerige bespreking van zijn opvattingen kwam hij uiteindelijk tot de conclusie dat de structuur van de Reynaert zo hecht is dat het wel het werk van één dichter moet zijn, alleen het slot zou later toegevoegd zijn. Na uitgebreid op de opvattingen van Muller te
zijn ingegaan, koos hij in de discussie over het auteurschap weloverwogen de zijde van Van Mierlo.
Net als Van Mierlo gelooft hij dat met Arnout de Franse dichter Perrot bedoeld wordt. Arendt begreep het omstreden vers 6 zo dat Perrot niet Le plaid,een branche uit de Roman de Renart, voltooid had, en Willem daarom begonnen was aan een ‘Umarbeitung’.103 Het is een gewrongen interpretatie, want het is onloochenbaar dat Le plaid een compleet verhaal is. Bouwman heeft deze visie van Arendt afdoende weersproken.104 Al is niet zo lang geleden in Tiecelijn
een vergelijkbare lezing voorgesteld door de romanist Paul Verhuyck.105 Arendt heeft, weliswaar aarzelend, een theoretisch gerichte benadering van de Reynaert in het onderzoek geïntroduceerd. Hij brak met de traditie om de

p. 36

Reynaert te lezen als een verhaal ontsproten aan ‘Vlaemsche bodem’. In zijn radicale nieuwe structuralistische benadering is de Reynaert voor alles literatuur.
De afkondiging van pays en vrede zijn, volgens Arendt, meer dan juridische termen. Het zijn magische woorden waarmee koning Nobel een utopische wereldorde afgekondigd heeft. De Reynaert is in zijn visie gestructureerd rond de confrontatie tussen de geordende wereld van het hof van koning Nobel en de vossenwereld van Reynaert. In de verschillende werelden heersen verschillende
wetten. De koningsvrede is voor Willem een metafoor voor de schijn die heerst in de menselijke samenleving.106 De ruimte is in de analyse van Arendt symbolisch geladen, de plaats van handeling is slechts nominaal Vlaanderen. Arendt zette zich daarmee af tegen een ‘nationalisering’, zoals Buitenrust Hettema dat noemt, van het landschap.107
Dat de benadering van Arendt zoveel weerklank gevonden heeft, moet vooral verklaard worden door de diepe behoefte in de jaren zestig om afstand te nemen van de vooroorlogse bewonderende manier om teksten te lezen binnen een nationaal kader. In de jaren zestig werd de auteur bovendien dood verklaard en daarmee ook ontheiligd.108 Voor de Reynaert betekende dit dat de vraag
wie Willem en Arnout waren naar de achtergrond verdween. Om begrijpelijke redenen was nationalisme na de Tweede Wereldoorlog in diskrediet geraakt.Arendts Reynaertvisie is dus mede ingegeven door het afstand nemen van het recente verleden door de Reynaert als een universeel verhaal te beschouwen,ontdaan van elke heroïek doordat het in Vlaanderen ‘beheimatet’ is.109 Arendt wilde de ridiculisering van het hondje Courtois juist niet als een uiting van
sympathie voor een ‘eine frühe “flämische Bewegung”’ zien.110
Hellinga heeft nooit gereageerd op Arendt, dat liet hij over aan zijn medewerker
Lulofs, die in 1967 zijn eerste artikel over de Reynaert gepubliceerd had.111 Lulofs liet weinig van Arendts werk heel en het was hem ook niet ontgaan dat Arendt het artikel ‘Het laatste woord is aan Firapeel’ van zijn chef niet kende.112 De ideeën van Hellinga, ook als ze nauwelijks uitgewerkt waren,moesten richting geven aan het Reynaertonderzoek, meende Lulofs. Zo vond Lulofs dat Arendt ook de hypothese van Hellinga dat met Arnout de schrijver
van de Ysengrimus bedoeld was bij het onderzoek had moeten betrekken, terwijl nota bene Hellinga alweer van mening veranderd was.113 Ondanks deze kritiek is de invloed van Arendt op de Reynaertstudie niet te onderschatten. Arendts ‘andere kijk gaf het Reynaertonderzoek een nieuwe adem’, schrijft zijn navolger Van Daele.114 Dat gold vanzelfsprekend alleen buiten de kringen van Hellinga en Lulofs.

p. 37

7. De vossenjager Lulofs

Het idee van Hellinga dat in de Reynaert met taboes wordt gespeeld, schiep de behoefte om de tekst in zijn cultuurhistorische context te plaatsen. Daarmee verschoof de context waarbinnen de Reynaert bestudeerd werd van de taalkunde naar de cultuurhistorie. Toen Hellinga de belangstelling voor de Reynaert verloor nam Lulofs zijn taak over om een commentaar te gaan schrijven. Lulofs boek Nu gaet Reynaerde al huten spele uit 1975 en zijn veelgeroemde commentaar bij de editie van de Reynaert spreken tot op de dag van vandaag aan door de prikkelende, cultuurhistorische beschouwingen.115
Anders dan veel onderzoekers vereenzelvigt Lulofs zich niet met de schrijver van de Reynaert. Een alwetend perspectief is hem vreemd. Lulofs vergelijkt zichzelf met een speurhond die schijnbaar doelloos rondloopt, terwijl hij het spoor van een vos probeert te volgen. Ironisch reageert hij op Bosch door op te merken dat zo’n beest maar weinig perspectief heeft zo laag bij de grond, maar door zijn fijne neus, zijn uithoudingsvermogen en zijn plezier in het zoeken,krijgt het beest uiteindelijk toch de vos in het vizier.116
In zijn boek Nu gaet Reynaerde al huten spele nam Lulofs de opvatting van Hellinga over. Ook Lulofs meende dat Arnout toegevoegd is door de kopiist van het Dyckse handschrift. Deze kopiist zou de parodistische functie van de proloog hebben onderkend.117 Lulofs ontworstelt zich echter aan de schaduw van zijn leermeester in zijn editie. Hij kon zich Willem niet voorstellen als een joculator die op markten zijn gedicht voordroeg en daarbij steeds op zijn hoede moest zijn voor de autoriteiten. De religieuze uitspraken van Willem hebben evenmin een ketterse strekking als de katholieke ezelsmis (het zottenfeest).Bovendien is het niveau van de tekst te hoog voor een voordracht op de
markt.118 Ook wat Arnout betreft gaat Lulofs minder ver dan Hellinga. Hier is niet meer te lezen dat de naam Arnout afkomstig zou zijn van de kopiist van het Dyckse handschrift. Voorzichtiger dan zijn leermeester stelt hij dat niet uitgesloten is, dat in de proloog niets letterlijk genomen mag worden, maar alles ironisch is bedoeld. Zo zou het noemen van twee auteurs een parodiëring kunnen zijn van het noemen van twee auteurs in ridderromans als de Roman van Walewein en met ‘vite’ zou bedoeld worden dat een heiligenleven geparodieerd ging worden, schrijft hij in het commentaar bij zijn editie.119

Lulofs

Frank Lulofs.
In de inleiding van zijn Reynaerteditie schrijft Lulofs echter dat het hem het meest waarschijnlijk lijkt dat Arnout de dichter van een ander Reynaertverhaalis.120 Volgens Van Oostrom was deze opvatting in de jaren tachtig vrijwel unaniem geaccepteerd, maar

p. 38

die mededeling moet berusten op informatie uit de wandelgangen. In de literatuur is ze niet terug te vinden. Rik van Daele schrijft dat de naam van Arnout met raadselen omgeven is en laat dat typografisch ook tot uiting komen in zijn commentaar in de Davidsfondseditie.121 Hij noemt verschillende mogelijkheden, waarvan de hypothese dat de naam Arnout dubbelzinnig begrepen moet worden er een is. Zo blijft deze mogelijkheid een rol spelen in het onderzoek. Naar mijn mening ten onrechte.
De verborgen mededeling dat een bedrogen echtgenoot Arnout een heiligenleven niet gecompleteerd zou hebben en dat dit verhaal nu, zoals gebruikelijk bij een klassieke ridderroman door een tweede schrijver is voltooid, komt op mij over als een volledig absurde mededeling die ook niet bedoeld kan zijn door de dichter. Als alle dubbelzinnigheden die Lulofs in zijn commentaar noemt122 serieus
worden genomen, is dit de ultieme consequentie van de leeswijze die Hellinga voorstond. Hellinga vond dat het nooit ver genoeg gezocht kon worden.Achter elke verborgen betekenis valt weer een ander, verborgen taboe te vermoeden.De opvatting dat Arnout de patroonheilige zou zijn van de bedrogen echtgenoten gaat waarschijnlijk terug op het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW). Het MNW verklaart ‘Sinte Aernouts broederscap’, als het gilde van de bedrogen echtgenoten, het hoorndragersgilde. Deze uitdrukking is echter alleen maar geattesteerd in Die rose. De uitdrukking zou verwant zijn aan het Franse ‘estre logé à l’hostel S. Hernoux’. Voor die kennis beroept het MNW zich op het Glossaire van Roquefort uit 1808!123 Verwijs geeft in zijn editie van Die rose overigens wel meer informatie over deze Franse uitdrukking,124 maar er is geen verder bewijs te vinden dat de naam Arnout in het Nederlandse taalgebied geassocieerd werd met overspel. In de dertiende eeuw kwam in Vlaanderen de naam Arnout frequent voor. Zo is in Brugge tijdens de dertiende eeuw de naam maar liefst 645 maal geattesteerd in Middelnederlandse ambtelijke teksten.125 Die Arnouts zullen zeker niet allemaal vanaf hun geboorte bekend hebben gestaan als hoorndragers. De mogelijkheid dat Arnout geïnterpreteerd moet worden als een scabreuze toespeling kan dus gevoeglijk geschrapt worden. Het probleem met de ironische interpretatie van de proloog is dat álles ironie en dubbelzinnigheid wordt, wat ten koste gaat van de eenheid van de tekst.
De werkwijze van Lulofs, het spoorzoeken, wordt niet geheel ten onrechte als voorbeeldig beschouwd. Lulofs staat bekend als de meester-filoloog die elk detail uitpluist, waarvan zijn twaalf pagina’s lange analyse van ‘cloesterbier’(vers 1955) het klassieke voorbeeld is.126 Het verwijt dat deze microscopische arbeid het zicht op de literaire tekst doet verliezen, beantwoordt hij door te

p. 39

zeggen dat in de wetenschap toch de opvatting gangbaar is dat kennis van details het inzicht in het geheel alleen ten goede kan komen.127 De methode van Lulofs is dat hij een zo’n groot mogelijk ‘feitenaanbod’ creëert door alle beschikbare teksten met elkaar te vergelijken.128 In colleges aan studenten zette Lulofs zich, net als zijn leermeester Hellinga129, dan ook af tegen het geklets over lijnen, verbanden, ontwikkelingen, genres en noem maar op. Maar aan tekstinterpretatie werd niet gedaan. Het was alsof een huis gebouwd werd zonder fundament, hield hij zijn studenten voor. Terugkijkend vergeleek een van die studenten de detaillistische filologie van Lulofs met filatelie. In het buitenland schreven ze boeken, hield deze briljante student Lulofs voor, maar Nederlanders doen dat niet. Dat is een natie van schriftgeleerden en dominees, tekstuitleggers en tekstverbeteraars.130 De editie met het commentaar kwam er uiteindelijk, niettegenstaande deze kritiek van zijn leerling Pleij.Ook in het commentaar houdt Lulofs vele interpretatiemogelijkheden open. Te veel naar mijn overtuiging. Wie speurt naar dubbelzinnigheden raakt snel het spoor bijster.

8. Gysselings vroege getuige van de taalstrijd

Niettegenstaande dat het hof van Nobel en het hol van Reynaert nergens expliciet gelokaliseerd worden in het verhaal, populariseerde Maurits Gysseling de opvatting dat de Reynaert zich zou afspelen tussen Gent en Hulst. Gysseling is een opmerkelijke verschijning in het Reynaertlandschap.131 Hij genoot een zeer hoog aanzien, onder meer door zijn dissertatie uit 1960 die handelt
over de noordwaartse verschuiving van de taalgrens sinds de vroege middeleeuwen, die dus verscheen kort voor de definitieve vastlegging van de taalgrens twee jaar later.132 Bijgevoegd was een dik toponymisch woordenboek, waarmee hij ook onder lokale historici in Vlaanderen een autoriteit werd. Gysseling is onsterfelijk geworden door alle voor 1300 in het Nederlands geschreven bescheiden
en handschriften, literair en ambtelijk, uit te geven in vijftien dikke delen, die in de wandeling het Corpus Gysseling wordt genoemd. In dit Corpus zijn ook het Rotterdamse fragment en het Darmstadtse fragment van de Reynaert uitgegeven. De belangstelling van Gysseling voor de Reynaert hangt samen met de arbeid aan het Corpus, waaraan hij begon in de jaren zestig.
Hoewel deze fragmenten afkomstig zijn uit het Limburgse en Gelderse dialectgebied,vertonen ze volgens Gysseling een substraat dat grote

p. 40

overeenkomsten vertoont met de taal zoals de Gentse klerken die omstreeks 1240 schreven.Vertrekkend vanuit deze observaties trekt Gysseling een heel bouwwerk op. In een eerste artikel uit 1967 dateert hij de Reynaert in de dertiende eeuw. Hij volgt de mening van Van Mierlo dat met Arnout de dichter van de Roman de
Renart bedoeld zou kunnen zijn: Perrot. Gysseling denkt dat het de bedoeling van de dichter was om ook in de proloog zijn Franse model te parodiëren.133 In volgende artikelen verlaat hij deze ideeën.
Op het Reynaertcongres dat in 1972 in Leuven werd gehouden hield Gysseling een lezing waarin hij het verhaal met de middeleeuwse topografie van Vlaanderen en de historische gebeurtenissen verbindt. Aanvankelijk situeert hij het verhaal in de dertiende eeuw, maar later komt hij tot de slotsom dat het verhaal zich moet afspelen in een periode dat Vlaanderen nog niet geheel verfranst was, dus ten tijde van Filips van den Elzas die regeerde van 1168
tot 1191. De voertaal op de hofdag zou toen nog het Nederlands zijn, hoewel de taal van de vorst het Frans was. Met het hondje Cortois, denkt Gysseling,maakt de dichter de franskiljons belachelijk. Het hondje staat volgens hem voor ‘de zoollikker, die waant hoofs te zijn’ door Frans te spreken. Gysseling leest de Reynaert als een sleutelroman. Het hof van koning Nobel zou in het
Gentse Gravensteen gelegen zijn. Op basis van de beschrijving van het landschap in de Reynaert meent Gysseling de route die Bruun volgt van Gent naar Maupertuus te kunnen reconstrueren. Reynaerts burcht Maupertuus zou bij Sint-Jansteen gelegen moeten zijn. Het dorp waar Bruun mishandeld wordt,zou in werkelijkheid Hulst geweest zijn. De Reynaert ziet Gysseling als een satire op de hoogste kringen, geschreven door een stadsklerk van Gent, die misschien zelf wel zijn leven op het spel zette. Deze stadsklerk zou de veel
voorkomende namen Willem en Arnout gebruiken om zijn identiteit te camoufleren.134
Gysselings opvattingen zijn duidelijk ingebed in zijn denkbeelden over de taalstrijd. In het onderzoek zijn ze lang als een serieuze wetenschappelijke hypothese beschouwd.135 Gysseling genoot in de wetenschap zoveel prestige dat hij niet snel tegengesproken werd, of misschien geldt hier dat hij zich niet liet weerspreken. Van Daele herinnerde zich hem als een man die er andere ideeën over de Reynaert op nahield. Als taalkundige zette hij zich af tegenover van zijn visie afwijkende opvattingen, zoals die van Arendt, die hij op zijn eigen terrein met grote eruditie kon weerleggen.136 Van Daele en Bouwman hebben echter met zijn opvattingen komaf gemaakt.137 Zij kozen voor een literaire benadering
van de Reynaert.

p. 41

9. De verleiding van intertekstualiteit bij Bouwman

In 1991 promoveerde A. Reinaert en Renart, waarin hij Van den vos Reynaerde met zijn Franse voorbeeld de Roman de Renart vergeleek. Zijn gedetailleerde werkwijze kan alleen vergeleken worden met die van Muller. In zijn uiterst nauwgezette analyse van afzonderlijke passages betrekt hij de opvattingen van alle voorgangers. Wie
Bouwman leest, krijgt licht de indruk dat er niets meer valt te onderzoeken.
Zijn dissertatie is de wetenschappelijke standaard voor het Reynaertonderzoek,waaraan nieuwe inzichten gerelateerd moeten worden. Bouwman leest de Reynaert als een literair werk dat functioneert in samenhang met andere literaire werken. Voor hem krijgt de Reynaert betekenis door intertekstualiteit.Zijn ideeën over intertekstualiteit werkte Bouwman verder uit in het artikel ‘Taaldaden’ dat gepubliceerd is in de bundel Op avontuur. Het artikel is vaak aanbevolen als richtinggevend.138 De opvattingen van Bouwman over intertekstualiteit
in de Reynaert hebben weliswaar ruime verspreiding gekregen,
tegelijkertijd zijn ze ook omstreden. In de inleiding zagen we al dat Herman Heyse er sceptisch tegenover stond. Ik beperk me hier tot de rol die Bouwman aan Arnout toebedeelt in een intertekstueel netwerk.
Arnout speelt een belangrijke rol in de opvatting van Bouwman over intertekstualiteit. In zijn dissertatie laat Bouwman de vraag of de Reynaert door een of twee dichters geschreven is niet onbesproken. In beide delen van het gedicht zijn dezelfde bronnen gebruikt en voor beide delen is dezelfde bewerkingstechniek te constateren. Zijn analyses worden nog eens bevestigd door een computeranalyse
van Willem Kuiper, waarvan Bouwman verslag doet in zijn dissertatie. Kuiper kon geen significante verschillen in taalgebruik tussen beide delen vinden. Bouwman heeft dit Reynaertprobleem definitief opgelost en er een ‘Schlußstrich’ onder
gezet.139 Dat wil overigens niet zeggen dat de interpretatie van de proloog nu onproblematisch is. Bouwman vergeleek niet zonder reden de proloog met een wiskundige vergelijking waarvoor geen ‘definitieve oplossing’ mogelijk is.140
Bouwman is een ijverige student geweest van het werk van Van Mierlo, getuige de (potlood)aantekeningen in het Leidse exemplaar van het boek waarin de verzamelde artikelen van Van Mierlo over de proloog staan.141 Daaruit blijkt dat hij de discussie over de proloog geanalyseerd heeft vanuit de relatie tussen de Franse Renart en de Vlaamse Reinaert. ‘Toch’, zo schrijft hij (mijn cursivering),‘blijft het verleidelijk om in de mysterieuze persoon (i.e. Arnout) een Franse Renart-dichter te zien.’ Hij vermoedt dat Van Mierlo en Arendt ten

p. 42

onrechte denken aan één Renartverhaal terwijl met ‘die avonture’ van Reynaert mogelijk tenminste één Frans verzamelhandschrift bedoeld zou kunnen zijn.
In zijn dissertatie stelt Bouwman het heel voorzichtig, maar in ‘Taaldaden’gaat hij een stap verder door te stellen dat het geïntendeerde publiek ook de Renartverhalen uit een Frans verzamelhandschrift zou kennen. Hij maakt daarbij gebruik van de definitie van intertekstualiteit zoals die voorgesteld
was door B. Besamusca. Het publiek zou beseft hebben dat het verhaal anders werd verteld dan in de Franse Roman de Renart.142 Er zou zich dus een ‘textual community’ gevormd hebben om de verhalen uit één of meer verzamelhandschriften van de Roman de Renart geregeld voor te dragen.143 Bouwman lijkt zich een Reynaertgenootschap avant la lettre voor te stellen. Dat is een
vergaande visie op intertekstualiteit. Bouwmans opvattingen over wie Arnout was, kunnen niet los gezien worden van zijn positieve waardering voor het verschijnsel intertekstualiteit, die misschien iets te maken heeft met de fascinatie van intellectuelen voor de Republiek der Letteren, een begrip verbonden met Leids onderzoek naar ‘men of letters’ en een Europees cultuurideaal.144
Ik vraag me af of Bouwman op de gedachte dat Arnout de schrijver van meerdere Franse branches was, gekomen zou zijn, als hij niet heel vertrouwd was geweest met het werk van Van Mierlo. In het Reynaertonderzoek zijn zijn opvattingen niet overgenomen. De enige die zijn opvatting overgenomen heeft is Posthuma in zijn recente vertaling.145 In de Davidsfondseditie noemt Van Daele in zijn uitvoerige opsomming waaraan men dacht bij de naam Arnout de
visie van Bouwman niet eens.
Volgens Van Oostrom circuleerden er al Reynaertverhalen in het Vlaams voor 1150.146 De overeenkomsten tussen Reinhart Fuchs en Van den vos Reynaerde die Muller in de jaren dertig signaleerde duiden op het bestaan van een Reynaertverhaal in het Diets voor 1200.147 Er is daar nog meer onderzoek naar nodig, maar ik kan alvast zeggen dat door de observaties van Muller de visie van Bouwman op de genese van de Reynaert ter discussie komt te staan. Willem en
Arnout werkten niet exclusief in een schriftelijke traditie maar bewogen zich op het grensvlak van oraliteit en schriftelijkheid. Het is een verleidelijke gedachte.

10. Het literaire landschap van Van Daele

Rik van Daele besteedt in zijn dissertatie ruim aandacht aan het historischgeografisch onderzoek naar de Reynaert, dat in de ‘serieuze’ wetenschap zo vaak veronachtzaamd wordt.148 In zijn proefschrift Ruimte en naamgeving

p. 43

constateert Van Daele, dat er een breuk ontstaan is tussen de wetenschappelijke studie en de bredere receptie van de Reynaert. De benadering van Arendt staat diametraal tegenover de historisch-geografische benadering van de Reynaert. Onder invloed van de moderne literatuurwetenschap zijn de traditionele vragen
naar auteur, datering en lokalisering van de Reynaert naar de achtergrond verdwenen, terwijl bij een breed publiek daar juist meer interesse voor is.149 Het valt Van Daele te prijzen dat hij ingaat op de vragen vanuit de samenleving.
Niemand is zo goed op de hoogte van de lokaalhistorische publicaties over de Reynaert als Van Daele. Vaak zijn de schrijvers lokale autoriteiten, pastoors en leraren, van wie het gezag in de eigen gemeenschap onomstreden is, zo blijkt uit Van Daeles studie. Mede door hun toedoen wordt sinds de jaren vijftig de Reynaert niet meer in de eerste plaats met Vlaanderen verbonden,maar met een welbepaalde regio binnen Vlaanderen, het Land van Waas.150 Die bevindingen zijn op lokaal niveau gecultiveerd door her en der in de streek Reynaertbeelden en -banken te plaatsen. Van Daele oordeelt streng over het historisch-geografisch onderzoek waarbij de eigen streek geprojecteerd wordt als het middelpunt van de Reynaertwereld. De meeste onderzoekers staan niet kritisch genoeg tegenover het eigen onderzoek en het ontbreekt hen aan dialoog
en synthese. Voor Van Daele is de Vlaamse Reynaert een verhaal dat deel uitmaakt van de Europese traditie en moet die traditie ook bij het onderzoek betrokken worden.151
Voortrekker van de Europese benadering van de Reynaertstof is Paul Wackers. In zijn in 1986 verdedigde proefschrift over Reynaerts historie en vele andere publicaties heeft hij de negatieve rol van taal in de Europese traditie van het dierenverhaal benadrukt.152 Van Daele sluit zich aan bij de visie van Wackers en verbindt die met de structuralistische benadering van Arendt. In zijn dissertatie,gepubliceerd in 1994, komt hij tot de slotsom dat door een aantal werkelijk bestaande plaatsnamen in het verhaal te noemen, het weliswaar een reëel landschap lijkt, maar in werkelijkheid om een literair landschap gaat. De taal van de
perfide vos bewerkstelligt dat de geordende hofwereld wordt getransformeerd in Reynaerts wildernis. De functie van de plaatsnamen is, zo stelt Van Daele, om de leugenachtige, ‘scone tale’ van de vos te benadrukken. Reynaerts leugens worden geloofwaardig door het gebruik van werkelijk bestaande plaatsnamen.
Door de menselijke taal en de bekende toponiemen als Hulsterloo en Gent betrekt het geïntendeerde publiek bovendien het verhaal op zichzelf: het universele verhaal gaat ook over de eigen, hoofse wereld van het Vlaamse gehoor. Het verhaal toont dat perfide taal ook hun (schijn)wereld in het verderf kan

p. 44

storten. Volgens Van Daele is deze pessimistische boodschap van het verhaal nog steeds relevant voor ons. De Reynaert is ook een spiegel voor de moderne mens,waarin hij zijn eigen onderbewuste ik kan herkennen. Reynaert ontmaskert de schone schijn en laat het beestachtige in de mens zien.153 Van Daeles inzichten
worden in het onderzoek breed gedeeld. Alleen de Gentse literatuurhistoricus Jo Reynaert is van mening dat deze moralistische lezing van het verhaal ‘de nodige eigen inbreng van de interpretant vereist’.154
Via de dichters Willem en Arnout brengt Van Daele, het lokale, het ‘oest hende van Vlaendren’ (A 2574) weer in het debat over de Reynaert. Zij zijn voor hem de scheppers van een literair Reynaertlandschap, waarin werkelijke bestaande plekken als het moer bij Hulsterloo een universele betekenis krijgen.De kracht van Van Daele’s benadering is dat hij de resultaten van lokaal onderzoek naar bijvoorbeeld Kriekeputte en de abdij van Boudelo verwerkt in
zijn analyse van het verhaal.Vanaf de jaren vijftig wordt in een reeks van lokale publicaties de gedachte dat de Reynaert verbonden is met de abdij van Boudelo in het Waasland breed uitgesponnen.155 Dit idee neemt Van Daele over als een serieuze optie uit het onderzoek van plaatselijke geschiedschrijvers. In de Davidsfondseditie stipt hij al de mogelijkheid aan dat de Reynaert wel eens geschreven zou kunnen zijn door een lekenbroeder van de abdij van Boudelo.Arnout is omgeven met raadsels, – het blijkt uit de vraagtekens die hij plaatst in zijn commentaar bij de naam Arnout –, maar tussen de vele mogelijkhedenwie Arnout wel eens zou kunnen zijn, hield hij nadrukkelijk de optie open dat
Arnout met Arnout van Elmare geïdentificeerd mag worden, een van de eerstemonniken van deze abdij. Van Daele speelt met de gedachte dat deze Arnoutvan Elmare mogelijk de vertaler was van een verhaal uit de Latijnse Ysengrimus of misschien heeft hij al voor Willem Le plaid in het Vlaams vertaald.156 Het idee dat Willem van Boudelo de schrijver van de Reynaert zou kunnen zijn, heeft hij uitgewerkt in zijn artikel ‘De robotfoto van de Reynaertdichter’,waarin we Willem van Boudelo leren kennen als een lekenbroeder in dienst van de gravin van Vlaanderen. Van Daele meent zelfs een cisterciënzer literaircircuit te kunnen ontwaren157 en aanvankelijk dacht hij dat ook Diederic van Assenede tot dit cisterciënzermilieu behoorde.158 Die hypothese heeft hij laten varen.159

rik van daele.jpg

Rik van Daele (links) in een kraampje van het Reynaertgenootschap.
Van Daeles compositiefoto maakt de dichter van de Reynaert een historisch figuur en plaatst hem in een welbepaalde context. Dat is een beeld dat weliswaar niet toetsbaar is, maar wel falsifieerbaar is. De reacties op Van Daeles voorstel zijn verdeeld. Bouwman en Besamusca vonden dat bewijs ontbrak.160

p. 45

Van Oostrom gaf toe dat deze Willem qua profiel alles mee heeft, maar hij vond dat de hypothese iets gratuits heeft.161 Jef Janssens staat positiever tegenover de gedachte om Willem te verbinden met Boudelo.162
Ook mijn interpretatie van het slot verzet zich niet tegen de hypothese van Van Daele. Een verzoening (‘pays’ A 3469) aan het eind van het verhaal en de kritiek op geestelijken die het niet zo nauw namen met de moraal, lijken te wijzen op een profiel dat goed past bij dat van een cisterciënzerconvers aan het Vlaamse hof. Van Daeles opvatting heb ik dan ook onderschreven.163 Toch kan
Van Daele mij uiteindelijk niet overtuigen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de aanduiding ‘broeder’ onlosmakelijk verbonden is met de identiteit van de persoon die aan een klooster verbonden is. Mocht Willem van Boudelo de dichter zijn, dan mag verwacht worden dat de dichter als ‘broeder Willem’ wordt geïntroduceerd. R. Malfliet heeft in publicaties van historici naar vermeldingen
van Willem van Boudelo gezocht. In de door Malfliet verzamelde
referenties naar oorkonden waarin Willem van Boudelo vermeld wordt, wordt hij bijna altijd broeder genoemd. De enkele vermeldingen waar dat niet het geval is, zijn afkomstig uit een zeer summiere tabel in een historische studie over de financiën van de Vlaamse gravin.164 Als deze vermeldingen buiten beschouwing gelaten worden, wordt Willem van Boudelo altijd aangeduid als broeder.
Op zijn zegel noemt Willem van Boudelo zichzelf nadrukkelijk ‘frere’.165 Ook uit het MNW blijkt dat het gebruikelijk was een convers aan te spreken met broeder.166 Uit de literatuurgeschiedenis zijn een aantal voorbeelden bekend
van dichters en vertellers die met broeder aangesproken worden. Broeder Geraert is de schrijver van een leven van Lutgard en een leven van Christina de Wonderbare, terwijl broeder Ghijsbrecht, een Wilhelmiet, de bron voor het verhaal over Beatrijs zou zijn geweest.167
Aangezien in de Reynaert Willem geen broeder wordt genoemd, mogen we
veilig aannemen dat Willem die Madocke maakte, niet gelijkgesteld mag worden met Willem, de lekenbroeder uit Boudelo. Er zijn te veel contra-indicaties om een literair circuit rond Boudelo waar Willem en Arnout deel van uitmaakten te veronderstellen. In ieder geval meet de dichter Willem zich geen religieuze autoriteit aan, noch kent hij die aan Arnout toe. Na een eeuw Reynaertonderzoek weten we nog steeds niet wie de dichters Arnout en Willem zijn.

p. 46

Conclusie: Arnout als spiegel

Na meer dan een eeuw Reynaertstudie is het punt bereikt dat een te veel aan interpretatiemogelijkheden tot overinterpretatie leidt. Op de vraag wie Arnout is, zijn veel verschillende antwoorden gegeven. Ze vallen te onderscheiden in vijf groepen. Ik geef ze hier in min of meer chronologische volgorde weer:

1) Arnout heeft niet bestaan, maar is een Hollands insluipsel. Dat is de mening van Buitenrust Hettema.
2) Arnout heeft echt bestaan. Daar vallen de volgende oplossingen te
onderscheiden:
a) Arnout heeft het deel van Van den vos Reynaerde geschreven, dat
romaans van karakter is. Het standpunt van Muller.
b) Arnout is de schrijver van branche I van de Roman de Renart. Uiteindelijk kwam Van Mierlo tot deze opvatting. In deze opvatting ziet men Willem als de geniale bewerker.
c) Arnout heeft een proto-Reynaert geschreven, waarop het tweede deel van de Reynaert gebaseerd is. Dat is het idee van Leonard Willems.
d) De schrijver wiens naam later veranderd is in Arnout heeft een verhaal geschreven dat lijkt op Reinhart Fuchs, zo beweert Hellinga.
e) Arnout is de schrijver van een verloren gegaan Reynaertverhaal. Demening is courant in de wandelgangen, maar is eigenlijk alleen met argumenten verdedigd door Delbouille.
f) Arnout is de schrijver aan wie meerdere verhalen uit de Roman de
Renart werden toegeschreven door het primaire publiek. Bouwman is
deze mening toegedaan.
3) Arnout is een schertsnaam. Dit is voorgesteld door Hellinga. Dit
zegt iets over hoe Hellinga de middeleeuwen zag, als een in moderne
ogen onbeschaafde tijd waar seksuele taboes nog niet volledig onderdrukt werden.
4) Arnout is een naam die de identiteit van de ware schrijver verhult. Zo kan de echte schrijver de Franstalige elite in Vlaanderen aanvallen. Gysseling kwam met dit voorstel.
5) Arnout is omgeven met raadsels, maar misschien afkomstig uit het
Waasland. Deze opvatting is te vinden in het werk van Van Daele. Samen met Willem maakt Arnout deel uit van een cisterciënzer literair netwerk. Zij zijn de scheppers van een literair landschap.
Zich een beeld vormen van Arnout betekent ook een oordeel vormen over zijn invloed op Willem. De opvattingen over wie Arnout is, zijn echter niet

p. 47

waardenvrij. Ze zeggen evenveel over degene die ze uit. Over de opvattingen van Van Mierlo is dat vaak gezegd, zijn flamingantisme is manifest, maar het gaat eigenlijk op voor alle onderzoekers. Buitenrust Hettema’s opvatting lijkt ingegeven door een afkeer van hollandocentrisme. Achter Mullers schijnbaar objectieve houding schuilt het wereldbeeld van de Nederlandse elite die Nederland
zag als een smeltkroes van de Europese beschaving, waar het beste van de Romaanse en Germaanse cultuur samenkwam.
Na de oorlog rekent Hellinga met deze opvattingen af door Arnout een
schertsfiguur te noemen. Bouwman ziet Arnout als een lidmaat van de Europese republiek van letteren. Het vermoeden dat Arnout wellicht een Waaslanderis, draagt bij tot het regionaal bewustzijn dat het Waasland het middelpunt is van het ‘Land van Reynaert’. De Reynaert integreert het Waasland cultureel in Europa, is de visie van Van Daele. Het mysterie rond Arnout maakt Van den vos Reynaerde alleen nog maar een meer intrigerend literair werk. Misschien vertaalde Arnout wel een verhaal uit de Latijnse wereldliteratuur?
De geschiedenis van het onderzoek leert dat onderzoekers zich niet kunnen onttrekken aan de normen en waarden van hun eigen tijd en omgeving. Zij proberen de Reynaert deel uit te laten maken van hun eigen wereld: te claimen als erfgoed door de tekst een betekenis te geven voor een modern publiek.De middeleeuwse tekst geeft betekenis aan onze moderne identiteit. Er is een opvallende verschuiving in wat de Reynaert zegt over onze identiteit. Voor de oorlog zagen Muller en Van Mierlo het Reynaertverhaal als een humoristisch
verhaal dat iets zei over de specifieke volksaard van Vlamingen en Nederlanders. Willem (en Arnout) staan aan het begin van de genese van de natie. Na de oorlog veranderde het beeld van de Reynaert radicaal. Literair-historici gingen in de jaren na de oorlog de Reynaert cultiveren als een tekst die iets zegt over de
existentiële angsten van dé mens. Hellinga liep daarbij voorop en zijn gitzwarte interpretatie van de Reynaert werkt tot op de dag van vandaag door. Dat hangt samen met het veranderende beeld van de middeleeuwen. Het is niet meer de tijd van kathedralen, maar een tijd van kettervervolging, pest en ontwrichtende oorlogen. De veronderstelde boodschap van de dichter Willem dat ‘pays’ een
onmogelijkheid is, is tegen de achtergrond van de recente geschiedenis relevant voor een gedeelde Europese identiteit, waar het katholicisme (met zijn visioenen van een eindtijd) een belangrijk deel van uit maakt.
Umberto Eco houdt ons voor dat de manier waarop we met ‘secular sacred texts’ als de Reynaert omgaan, leidt tot overinterpretatie. In 1992 was dat het onderwerp van de door hem gehouden Tanner lectures. Niemand zal willen betwisten

p. 48

dat een tekst open is voor een oneindig aantal interpretaties. Er is echter wel een wildgroei die volgens Eco verklaard kan worden door de hermetische traditie, die zich onderscheidt van een meer rationele benadering van een tekst. In de hermetische traditie wordt het onderscheid in de logische opeenvolging van tijd niet
meer gemaakt, waardoor identiteiten in elkaar kunnen opgaan en tegenstellingen oplossen. In een rationele leeswijze is de interpretatie zinnig, afgewogen (‘moderate’), doordat er grenzen aan gesteld worden.168 Buiten de Reynaertwereld worden sommige opvattingen van specialisten in de wandelgangen als vergezocht
afgedaan. Wanneer een speculatief idee de fantasie prikkelt, blijft het echter het onderzoek en de beeldvorming beïnvloeden. Soms tegen beter weten in.
Doordat de Reynaert wordt verbonden met onze eigen identiteit is overinterpretatie inherent aan het Reynaertonderzoek. Teksten die van alle tijden zijn,zijn niet meer gebonden aan een welomschreven context doordat ze beroofd zijn van hun eigen door de tijd bepaalde karakter. Bepalend voor het Reynaertonderzoek is het idee dat de vos ongrijpbaar is. Juist vanwege die ongrijpbaarheid fascineert het verhaal. Bij klassieke teksten als de Reynaert is daarom het
gevaar groot dat commentaar op commentaar gestapeld wordt. Steeds worden nieuwe dimensies aan de tekst toegevoegd. Het commentaar rond de tekst is als een sneeuwbal die steeds groter wordt en alleen maar begrijpelijk is voor connaisseurs die een geheimtaal uitwisselen die onverstaanbaar is voor buitenstaanders. Zij moeten de ‘scone tale’ van de kenners maar geloven. Ongetwijfeld
zal in de toekomst een onderzoeker opstaan die dit discours nog verder zal ontwikkelen om zo een nog diepere betekenis in de Reynaert te ontwaren dan zijn voorgangers al deden.
Vooral sinds Hellinga geldt als premisse van het onderzoek dat er verborgen boodschappen in het verhaal te vinden zijn. Het is typerend voor de stand van het huidige Reynaertonderzoek dat Arnout zowel een schertsfiguur als een inwoner van het Waasland kan zijn. Een deel van de aantrekkingskracht van het Reynaertverhaal schuilt voor de moderne lezer erin dat de wildste interpretaties niet uitgesloten worden. ‘Lees maar, het betekent niet wat er staat’,
heeft Janssens dat treffend met een knipoog naar Nijhoff omschreven.169 Het verhaal zou alleen begrepen kunnen worden, wanneer het op zijn kop en binnenstebuiten wordt gelezen: als een omkering en parodiëring van motieven en thema’s uit andere genres, met tal van knipoogjes voor de goede verstaander. Het is interpretatieve hoogmoed van moderne exegeten om te denken dat zij
de goede verstaanders zijn: waarschijnlijk begrijpen wij nu minder van de Reynaert dan het keukenpersoneel onder het primaire publiek.

p. 49

Op deze plaats wil ik graag mijn redacteuren Jacqueline Wessel en Guus Boone bedanken.Jacqueline voor het killen van mijn darlings, Guus omdat hij er nog een gered heeft.

NOTEN
Opmerking: de meeste artikelen zijn te raadplegen via de website http://www.dbnl.nl.
1 J. van Mierlo, ‘Verslag over een prijsantwoord voor het jaar 1949: Een studie over het probleem van de Reinaert-proloog sedert Jan Frans Willems’, in: Verslagen en mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, (1951), p. 269-276. Een speurtocht door de medewerkers van de Academie leverde op dat het typoscript bewaard wordt in het archief van KANTL te Gent onder de signaturen F1/A en F1/B. De studie is geschreven door E. Léonard, die er in 1949 de doctorsgraad mee behaalde aan de Universiteit van Luik.
2 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, in: Jaarboek van de Oudheidkundige Kring de Vier Ambachten te Hulst, 1957, p. 14-15.
3 Everardus A. Overgaauw, ‘Die Dycksche Handschrift. Ihre Entdeckung, Herkunft, Datierung und früheren Besitzer’, in: Bertram Haller en Hans Mühl (red.), Westfälische Wilhems-Universität. Die Dycksche Handschrift, Berlijn/Münster, 1992, p. 40-42.
4 W.Gs Hellinga (ed.), Van den vos Reynaerde. I Teksten. Diplomatisch uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500, Zwolle, 1952, p. 2-3.
5 Th. Frings, [Recensie van:] ‘J.W. Muller, Van den vos Reinaerde, critisch uitgegeven, Leiden,1939’, in: Anzeiger für deutsches Altertum und deutsche Literatur, 60 (1941), p. 97. Overigens
valt deze recensie op door de vergelijkingen met de middeleeuwse Duitse literatuur.
6 F.P. van Oostrom, ‘Benaderingswijzen van de Reinaert’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom ende menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw, Hilversum, 1999, p. 219. Oorspronkelijk gepubliceerd in: M. Spies (red.), Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening, Groningen, 1984, p. 18.
7 A.Th. Bouwman, de Oudfranse Roman de Renart, Amsterdam, 1991, p. 42, p. 46 en p. 386. A.Th. Bouwman, ‘Taaldaden. Over intertekstualiteit in Van den vos Reynaerde’, in: Jozef D. Janssens e.a., Op avontuur. Middeleeuwse epiek in de Lage Landen, Amsterdam, 1998, p. 142.
8 Herman Heyse, ‘Uit boek en tijdschrift’ [recensie van A. Renart], in: Tiecelijn, 5 (1992), p. 29. Ook gepubliceerd in: Rik van Daele, Marcel Ryssen en Erwin Verzandvoort (red.), Reynaert bloemleest Tiecelijn. Een selectie uit vijf jaar Tiecelijn, Sint-Niklaas, 1983, p. 191-92.
9 R. van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den vos Reynaerde, Gent 1994, p. xvii en p. 178.

p. 50

10 Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen. Middelnederlandse literatuur in het voortgezet onderwijs, Amsterdam, 2000, p. 38-42.
11 Hans Rijns, ‘Buitenrust Hettema, F.’, in: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf (red.), Het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek,
(2006): http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/buit003.php (Geraadpleegd 22-4-2015).
12 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert. Bijdrage tot de critiek der beide Reinaert-gedichten, Amsterdam, 1884.
13 Te oordelen naar de stijl is de zin waarschijnlijk afkomstig van J.W. Muller. F. Buitenrust Hettema en J.W. Muller (eds), Van den vos Reynaerde. Opnieuw naar het Comburgsche handschrift uitgegeven, Tekst, Zwolle, [1903], p. vii.
14 J.W. Muller, Critische commentaar op Van den vos Reinaerde naar de thans bekende handschriften en drukken, Utrecht, 1917, p. 1 (noot 1).
15 Leonard Willems, ‘Reinaerdiana’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 16 (1897), p. 266-267.
16 J. Vercoullie, De diersage en Reinaert de vos, Brugge, 1925, p. 72.
17 In zijn diplomatische editie schrijft Degering dat de conjectuur van Willems “auf das glänzendste bestätigt” wordt. Degering problematiseert wel onmiddellijk zijn observatie door op te merken dat in de tekst van de Reynaert in het Dyckse handschrift geen verschil in taal en stijl tussen het deel van Arnout en dat van Willem valt te constateren. Deze editie heeft nauwelijks een rol gespeeld in het Reynaertonderzoek. Hermann Degering (ed.), Van
den vos Reynaerde. Nach einer Handschrift des XIV. Jahrhunderts im Besitze des Fürsten Salm-Reiferscheidt auf Dyck, Münster, 1910, p. XVIII. De woorden van Degering zijn overgenomen door Joh. Franck in zijn bespreking van de uitgave van Degering: Joh. Franck, ‘Zur Überlieferung und Composition des Reinaert’, in: Zeitschrift für deutsches Alterthum und deutsche Litteratur, 52 (1910), p. 322. Ook overgenomen door Rob Roemans, ‘Nécrologie. Leonard Willems (1864-1938)’, in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 839.
18 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium.Zwolle [1910], p. lxxx-lxxxi (voetnoot over Arnout), p. xcvii en p. cxxxvii (een andere gissing).
Buitenrust Hettema had deze laatste verklaring eerder gepubliceerd in: F. Buitenrust Hettema, ‘Over Reynaert I’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 12 (1893), p. 6-7.
19 F. Buitenrust Hettema en H. Degering (eds), Van den vos Reynaerde, uitgegeven naar het Comburgse en Darmstadse Handschrift door dr. F. Buitenrust Hettema naar het Dycksche handschrift
door dr. H. Degering, Zwolle, 1921 2.
20 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde, II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium,p. cxlv-cxlvi (citaat p. cxlvi).
21 Joh. Franck, ‘Zur Überlieferung und Composition des Reinaert’, p. 285- 338 m.n. p. 285 (noot 2).

p. 51

22 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde. Naar de thans bekende handschriften en bewerkingen critisch uitgegeven met eene inleiding, Gent/Utrecht, 1914.
23 J.W. Muller, Critische commentaar op Van den vos Reinaerde, p, i, p. 1-13 en 41-53 (citaten p. 3 en p. 6). Jaap Grave, ‘Johannes Franck (1854-1914): de eerste hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde in het Duitse taalgebied’, in: Studium: Tijdschrift voor wetenschaps- en universiteits-geschiedenis, 5 (2013), p. 208.
24 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën. III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 164-165. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde. Inleiding
met aanteekeningen. Lijst van eigennamen. Tekst, Leiden, 19443, p. 23-24.
25 L.M. van Dis (ed.), Van den vos Reynaerde, Groningen, 197220, p. 5 (verhouding tot Muller).
26 Stephanus Axters O.P, ‘Josef van Mierlo’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1960, p. 139. De spelling Josef in de titel is fout, elders staat Jozef.
27 Over de ontwikkeling van Van Mierlo’s opvattingen zie: Rob Roemans, ‘Het Reinaertprobleem en Prof. Dr. J. van Mierlo, S.J.’ in: Revue belge de philologie et d’histoire, 18 (1939), p. 640-647.
28 J. van Mierlo, ‘Voor Arnout’s Oorspronkelijkheid’, in: Verslagen en mededeelingen van de Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1927, p. 1071-1118 (m.n. p. 1118 voor zijn visie
op Willem). Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert. Huldegave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en
bewonderaars, Zwolle, 1953, p. 9-58 (m.n. p. 58 voor zijn visie op Willem).
29 Jacob Grimm, Reinhart Fuchs, Berlin, 1834, p. xii-xvi.
30 Jan Frans Willems, Reinaert de Vos: episch fabeldicht van de twaelfde en dertiende eeuw met aenmerkingen en ophelderingen, Gent, 1836, p. xvi-xvii en p. xxvii-xxviii.
31 Jozef Janssens, ‘Een vos op perkament’ in: Jozef Janssens, Rik van Daele, Veerle Uyttersprot,Jo de Vos, Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, Leuven, 19912, p. 167-168.
32 M. Delbouille, ‘La composition du ‘Reinaert I’, Arnout, Willem et le ‘Roman de Renart’français’, in: Revue belge de philologie et d’histoire, 8 (1929), p. 19-52 m.n. p. 46.
33 J. van Mierlo, ‘Voor Willem als enig dichter van Reinaert I’, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1929, p. 422-430. Dit deel van het artikel is niet opgenomen in Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert.
34 A. 35 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën, III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 40.
36 J. van Mierlo, ‘Arnout?’, in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 116.Eerder gepubliceerd in: F.V. Toussaint van Boelaere e.a. (red.), Gedenkboek A. Vermeylen:

p. 52

aangeboden aan August Vermeylen ter gelegenheid van zijn zestigsten verjaardag 12 Mei 1932,Brugge, 1932, p. 514-515.
37 J. van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert – proloog’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1942, p. 563-595. Ook in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 176-208.
38 F.P. van Oostrom, ‘Benaderingswijzen van de Reinaert’, in: Hans van Dijk en PaulWackers (red.), Pade crom ende menichfoude, p. 227. Oorspronkelijk gepubliceerd in: M. Spies (red.), Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening, Groningen, 1984, p. 28.
39 C.A. Zaalberg (ed.), Van den vos Reinaerde, ’s-Hertogenbosch, 197310, p. 8. Vgl. ook Hubert Slings die zich verbaast over de gretigheid waarmee schoolboekauteurs soms kwestieuze
bevindingen doorsluizen naar leerlingen. Als voorbeeld noemt hij dat in de literatuurgeschiedenis voor het onderwijs van W. van Schothorst uit 1911 Arnout als coauteur van de Reinaert al de schoolboekjes bereikt, een opvatting die nu door vrijwel niemand meer wordt onderschreven. Hubert Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen, p. 19. Ter verdediging van Schothorst kan ik aanvoeren dat er een didactisch verhaal bij hoort, dat nog steeds wordt verteld aan studenten: filologen kunnen zo briljant zijn dat hun gissingen soms later bevestigd worden door de ontdekking van een nieuw handschrift. Dit lijkt mij een voorbeeld van hoe spannend de filologische leeswijze in het onderwijs kan zijn. H. Slings, Toekomst voor de Middeleeuwen, p. 48. Vergelijk ook in deze studie noot 17.
40 P. de Keyser (ed.), Van den vos Reynaerde, Antwerpen, 19655, p. v., p. vii-ix, p. xix. en p. 1. Voor de vergelijking van de Reynaert met de Roman de Renart door Van Mierlo zie: J. van
Mierlo, ‘Voor Willem als enig dichter van Reinaert I’, p. 403-422. Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 59-79.
41 Frank Baur en Jozef van Mierlo, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, I, ‘s-Hertogenbosch/Brussel, z.j. [1939], p. 211: ‘Maar men moet even Le Plaid, dat toch als het beste der Renart-branches geldt, er naast lezen, om aan te voelen, hoe onvergelijkelijk hooger als kunstwerk onze Reinaert staat.’
42 André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, in: Wim van Anrooij,Dini Hogenelst en Geert Warnar (red.), Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse
letterkunde, Amsterdam, 2003, p. 141-142.
43 Leonard Willems, ‘De Reinaert-proloog of adhuc sub judice lis est’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1938, p. 675-692 m.n. p. 684.
44 J. Van Mierlo, ‘De definitieve oplossing in zake den Reinaert-proloog’, p. 574-575. Ook gepubliceerd in: Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert, p. 187.
45 K. Heeroma, ‘Willem die reinaerde makede’, in: Maatstaf, 16 (1968-1969), p. 645-646 (citaat 646).
46 K. Heeroma, De andere Reinaert, Den Haag, 1970, p. 10-11.
47 L. Peeters, ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 29 (1970), kol. 266 (noot 9).

p. 53

48 L. Peeters, ‘Het auteurschap in de Reinaertprologen’, kol. 265-272, m.n. kol. 267 (citaat).
49 Sinds Gerritsen is het gebruikelijk een onderscheid te maken tussen versie en redactie.In een versie (uit het Latijn versio = verdraaiing, verandering) is de tekst door een bewerker aangepast, in een redactie heeft hij slechts de bedoeling een kopie te vervaardigen. Volgens Willem Kuiper kan Reynaerts historie als een versie van het overeenkomende deel van Van den vos Reynaerde beschouwd worden, terwijl het Comburgse en Dyckse handschrift
beschouwd mogen worden als verschillende redacties. Naar mijn mening is de tekst in het Dyckse handschrift bewust veranderd, zodat beter gesproken kan worden van een versie.P.J. Verkruijsse, H. Struik, G.J. van Bork en G.J. Vis (red.), Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek (2002) s.v. versie [W. Kuiper]. http://www.dbnl.org/tekst/bork001lett01_01/bork001lett01_
01_0023.php#v052 (geraadpleegd 14 mei 2015). W.P. Gerritsen, Die Wrake van Ragisel. Onderzoekingen over de Middelnederlandse bewerkingen van de Vengeance Raguidel,gevolgd door een uitgave van de Wrake-teksten, I, Assen, 1963, p. 60. In de opvolger G.J. van
Bork, D. Delabastita, H. van Gorp, P.J. Verkruijsse en G.J. Vis, Algemeen letterkundig lexicon 2012-2014) s.v. versie is de naam van de schrijver W. Kuiper niet vermeld. http://www.dbnl.
org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_02189.php (geraadpleegd 25 juli 2015).
50 A.M. Duinhoven, ‘De diachrone studie van Middelnederlandse teksten’, in: F.P. van Oostrom en Frank Willaert (red.), De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst, Hilversum, 1989, p. 114-115.
51 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 324. In de lopende tekst vond ik geen verwijzing.
52 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, Antwerpen/Apeldoorn, 2010, p. 219-231. Volgens Pooth is de kanunnik Arnold van Deventer de schrijver van het eerste deel. Richard
Philipp Pooth, Der unsterbliche Fuchs. Texte vom dietschen zum deutschen Epos. Bocholt,z.j. [2011], p. 34 en p. 38.
53 F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde, II. Inleiding-Aantekeningen-Glossarium,p. lxi.
54 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 5.
55 André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, p. 139; Jaap Grave,‘Johannes Franck (1854-1914)’, p. 208.
56 ‘Vergadering van 19 Februari 1908’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908 p. 95-100. De uitgewerkte lezing: J.W.
Muller, ‘Een nieuw handschrift van den Reinaert’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908, p. 109-188.
57 J.H. van Lessen, ‘Levensbericht. Jacob Wijbrand Muller (Amsterdam, 14 Juni 1858 -Leiden, 18 Maart 1945)’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1945-1946, p. 37.
58 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert, p. 195 (laatste woorden proefschrift). J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Gent/Utrecht, 1914, p. xxxiii, p. xliv en p. xlv. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 29.

p. 54

59 volkskarakters, Kampen, 1938, p. 7-8.
60 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Gent/Utrecht, 1914, p. xliv en p. xlv. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 19-20.
61 J. Huizinga, ‘Nederland’s Geestesmerk’, in: Verzameld werk VII, Haarlem, 1950 (eerste druk 1934), p. 291-292.
62 Anton van der Lem, Het eeuwige verbeeld in een afgehaald bed. Huizinga en de Nederlandse beschaving, Amsterdam, 1997, p. 176, p. 179 en p. 188-192 (over ‘Nederland’s Geestesmerk’). Ook de Leidse historicus P.J. Blok benadrukte als een van de eersten in 1891 dat hetkleine Nederland door zijn kosmopolitisch gevormde volksaard een belangrijke bemiddelende rol in de wereld kon spelen. P.B.M. Blaas, Geschiedenis en nostalgie. De historiografie van een kleine natie met een prikkelbaar verleden. Verspreide historiografische opstellen, Hilversum,2000, p. 33 en p. 158.
63 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 59 (1935), p. 34.
64 Zie Frank Willaert, ‘Van Mierlo. De voordelen van vooroordelen’, in: Literatuur, 6 (1989), p. 346 (‘influisteringen van flamingantisch chauvinisme’).
65 Ten onrechte suggereert Van Oostrom dat Muller Reynaert zag als de ‘verpersoonlijking was van den Vlaamschen democratischen strijd’. Muller keerde zich juist fel tegen het misbruik van de vos voor de Vlaamse zaak. Vgl. Frits van Oostrom, Stemmen op schrift.
Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam, 2006, p. 465 met J.W. Muller(ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 33.
66 J.W. Muller, De oude en de jongere bewerking van den Reinaert, p. 207: ‘De Reinaert (het oude gedicht) heeft geene bepaalde politieke strekking’ (stelling XVII).
67 Jozef Janssens en Rik van Daele, Reinaerts streken. Van 2000 voor tot 2000 na Christus, Leuven, 2001, p. 253-256.
68 J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde, Leiden, 1944, p. 33 en p. 74 (noot 43).
69 Jaap Grave, ‘Johannes Franck (1854-1914)’, p. 207-224. Zie ook J.H. van Lessen, ‘Levensbericht. Jacob Wijbrand Muller (Amsterdam, 14 Juni 1858 – Leiden, 18 Maart 1945)’, p. 31-32. In het artikel van Bouwman is de invloed van Franck onvoldoende over het voetlicht
gekomen. André Bouwman, ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller’, p. 137-149.
70 Over Mullers verwarring in de oorlog: J.H. van Lessen, ‘Levensbericht’, p. 45. Mullers zoon Frederik was in mei 1940 rector van de Leidse Universiteit en was anders dan de hoogleraar Cleveringa geen voorbeeld van verzet. Tijdens de oorlog werd Frederik Muller lid van de ‘Nederlandsche Kultuurraad’ en stierf kort voor zijn vader, volgens sommigen door
zelfmoord. J.H. Waszink, ‘Muller Jzn., Frederik (1883-1944)’, in: Biografisch woordenboek van Nederland, 1, Den Haag, 1979. Ook via http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn1/mullerjzn (Geraadpleegd 29-4-2015). Zie ook het wat minder omzichtig geformuleerde wikipedia-artikel: ‘Frederik Muller Jzn’, in: Wikipedia. https://nl.wikipedia.org/
wiki/Frederik_Muller_Jzn (geraadpleegd 3 augustus 2015).

p. 55

71 Frank Baur en Jozef van Mierlo, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, I,p. 211 en p. 215 (citaat). Over van Mierlo’s Vlaamsgezindheid: J. Reynaert, ‘Mierlo, J. van’,in: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf
(red.), Het bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek. (2003): http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/mier004.php (geraadpleegd 26 juli 2015).
72 Cam. Huysmans, ‘Over ‘Reinaert’ en ‘Ulenspiegel’’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1935, p. 555-570. In de Vlaamse verhoudingen voor 1960 is Nederlandstalig bijna per definitie volks.
73 J. van Mierlo, Prof. Dr. J. van Mierlo en de proloog van de Reinaert. Huldegave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en bewonderaars,
Zwolle, 1953. Axters schrijft dat de voorkeur van de Noord-Nederlandse neerlandici naar de opvatting van Van Mierlo uitging, wat ook zou blijken uit deze publicatie. Stephanus Axters O.P, Josef van Mierlo, p. 141.
74 Het exemplaar in de UB Leiden van J. Vercoullie, De diersage en Reinaert de vos, Brugge, 1925 (UBL 1218 F 51) bevat een opdracht: ‘Den bedreven vossenjager Prof. J.W. Muller, v.d.S. [getekend] JVercoullie.’ Muller heeft het gelezen blijkens onder meer de aantekeningen in de marge van Vercoullies bespreking van de proloog op p. 69-74. Op Vercoullies opvattingen komt hij terug in zijn artikel ‘Aernout en Willem’: J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 59 (1935), p. 130-132.
75 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 482-485 (citaat p. 482-483).
76 Algemeen letterkundig lexicon s.v. commentaar, ttp://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_03330.php (geraadpleegd 12 mei 2015).
77 W.Gs Hellinga (uitgever), Van den vos Reynaerde. I Teksten.
78 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in:Maatstaf. Maandblad voor letteren,6 (1958-59), p. 353-373. Ook gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 37-50.
79 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 11-23.
80 F. Lulofs, ‘Over het gebruik van du in de Reynaert’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 77: ‘Hoe anders die samenleving was, vertelt Hellinga […]’. Oorspronkelijk gepubliceerd als: F. Lulofs, ‘Over het gebruik van du in de Reynaert’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 83 (1967), p. 250.
81 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 38. Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf. Maandblad voor letteren 6 1958-59), p. 354.
82 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 50.Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf,p. 372.

p. 56

83 Jan de Putter, ‘Vrede en pays in Van den vos Reynaerde’, in: Millennium. Tijdschrift voor middeleeuwse studies (2000), p. 86-103. Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert.
Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: Een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn 21 (2008), p. 84-86. Jan de Putter, ‘De val van een onwaardige priester. Belijn en het slot
van Van den vos Reynaerde’, in: Tiecelijn 22, (2009), p. 290-313 m.n. 291. De discussie gaat nu over de vraag of het publiek de laatste verzen ironisch begreep.
84 W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 41 en p. 50. Oorspronkelijk gepubliceerd als: W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’,in: Maatstaf, p. 359 en p. 373.
85 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 491.
86 De uitspraak is van de BBC-radiomaker Aneirin Talfan Davies. William Christie,Dylan $omas: A Literary Life, Londen, 2014, p. 10.
87 W.Gs Hellinga, ‘Inleiding’, in: Reinaert de vos naar de oudste berijming uit de twaalfde eeuw en opnieuw in 1834 berijmd door Jan Frans Willems, Den Haag, 19745 (eerste druk 1958), p. 5. Hetzelfde beeld al in W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 13. Hellinga schrijft in ‘Het laatste woord is aan Firapeel’ dat Willem het niet had op Franstalige Vlamingen. W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Pade crom en menichfoude, p. 41. Oorspronkelijk gepubliceerd als W.Gs Hellinga, ‘Het laatste woord is aan Firapeel’, in: Maatstaf, p. 360.
88 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 500.
89 Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’,in: G. Alberts en H.J. Zuidervaart (red.), De KNAW en de Nederlandse wetenschap tussen 1930 en 1960, Amsterdam, 2009, p. 125-127 en p. 132.
90 W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 33-34 (noot 25). Oorspronkelijk gepubliceerd als W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Handelingen van het vierentwintigste Nederlands filologencongres, 1956, p. 126-127 (noot 25).
91 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 13.
92 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, Amsterdam, 1952, p. 20: ‘Men kan dan tot het inzicht komen dat het vormenspel altijd nog iets ingewikkelder is en de humor altijd nog iets scabreuzer dan men bij de voorlaatste interpretatie meende. Het is in methodologisch opzicht dan ook nuttig, er van uit te gaan dat wij, geremd door onze andere, twintigste-eeuwse, geestesstructuur en ons onvermijdelijk tekort aan kennis van taal en tijd,
het nooit te vèr kunnen zoeken.’
93 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, p. 17.
94 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 15-16.
95 J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën III. Aernout en Willem’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 53 (1934), p. 43-54 m.n. , p. 52. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde,
Leiden, 1944, p. 12-13.

p. 57

96 W.Gs Hellinga, ‘Wie was Willem die de Reynaert schreef?’, p. 18-20. Zie ook J. Goossenaerts,‘Het was in eenen tsinxendaghe’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 15 (1955), kol. 155 (Hellinga verklaart in een interview dat hij Arnout als een jongere variant beschouwt.).
97 J.W. Muller, ‘Een nieuw handschrift van den Reinaert’, in: Verslagen en mededeelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908, p. 174 (noot 1). Een veel interessanter spoor voor Arnoutsbroeders bespreekt Muller in een artikel uit 1920. Hij meldt daar dat met de Arnoutsbroeders in Frankrijk goliarden werden aangeduid: J.W. Muller,‘Aernouts en Everaerts broeders’, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 39
(1920), p. 135-138.
98 L. Peeters, ‘Historiciteit en chronologie in Van den vos Reynaerde’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom ende menichfoude, p. 148 (noot 50: ‘over-interpretation’). Eerder
gepubliceerd in: Spektator. Tijdschrift voor neerlandistiek 3, 1973-1974, p. 364 (noot 50). N.b. de noten lopen niet gelijk in Spektator en Pade crom! R. van Daele, Ruimte en naamgeving,
p. 192 (‘Hineininterpretierung’). Overigens heeft Van Daele verder onderzoek gedaan naar de dubbelzinnigheden in de Reynaert: Rik Van Daele, ‘Die burse al sonder naet. Scabreuze elementen in Van den vos Reynaerde’, in: R. van Daele et al., Literatuur en erotiek, Leuven, 1993, p. 9-64. De werkwijze van Hellinga karakteriseert hij in dit artikel als ‘rabiaat gissen’(p. 22). Vergelijkbare kritiek op Hellinga bij het verklaren van varianten tussen de drukken
van de Reynaert in: Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’, p. 143-144.
99 Hans Rijns, ‘Of hi den credo niet en wel las’, in: Tiecelijn 12 (1999), p. 166-167 (citaat p. 167).
100 Zo citeert Astrid Houthuys Hellinga’s opvatting dat men het nooit te vèr kan zoeken als motto van een artikel waarin zij stelt dat de naam Cuwaert kontwaarts betekent. Astrid Houthuys, ‘What’s in a name? Waarom Cuwaert meer is dan een bange haas’, in: Remco
Sleidering, Veerle Uyttersport, Bart Besamusca (red.), Maar er is meer. Avontuurlijk lezen in de epiek van de Lage Landen. Studies voor Jozef. D. Janssens, Amsterdam, 2005, p. 172-192 m.n. p. 173 (motto Hellinga). De opvatting van Houthuys is weerlegd door Hans Rijns: Hans Rijns, ‘Het Cuwaertmotief. Sodomie in de Reynaert?’, in: Tiecelijn, 19 (2006), p. 363.
101 J. Bosch, Reinaert-perspectief, Kampen, 1972, p. 31. Bosch verwijst hier naar het artikel ‘De commentaar’ van Hellinga. Hellinga pleit er m.i. ook voor om juist het eng linguaal bepaald
perspectief te verbreden. ‘Het feitenaanbod door middel van taalvormen in een gegeven context’ moet ook binnen het kader van de ‘geestesstructuur’ en ‘cultuur en beschaving’ tot voorwerp van commentaar gemaakt worden. Overigens verdient de zin waarin Hellinga dit verwoordde de prijs voor de slechtste zin ooit in het Reynaertonderzoek geschreven. Het is alleszins begrijpelijk dat Bosch deze zin van 73 woorden reduceerde tot ‘een eng, linguaal
bepaald perspectief.’ W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, p. 119. Ook gepubliceerd in: W.Gs Hellinga, ‘De Commentaar’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 33.
102 H.R. Jauß. Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung. Beihefte zur Zeitschrift für romanische Philologie 100, Tübingen, 1959.

p. 58

103 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos ‘Van den vos Reynaerde’, Keulen, 1965, p. 3-25, m.n. p. 5-6 en p. 20 (citaat ‘umarbeitung’ op p. 5).
104 A. 105 Paul Verhuyck, ‘Twee tekstkritische notities Renart II v. 5 en Reynaert v. 6’, in: Tiecelijn 20, (2007), p. 313-314. Ook Verhuyck leest: ‘Die Pernout niet hevet vulscreven’. Hij beschouwt
Arnout als een foutieve lezing van Perrot. Het afgekorte Perrot (Pnot) zou verlezen zijn door een kopiist als Arnout, die de P als een A las. Het is de vraag of deze naam afgekort
was. Bovendien geeft Verhuyck geen antwoord op de vraag welke voorstelling het Vlaamse publiek zich maakte van het onvoltooide gedicht van Perrot.
106 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 84-87, m.n. p. 87.
107 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 73.
108 Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, p. 237-240.
109 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 74.
110 Gerard-H. Arendt, Die satirische Struktur, p. 25.
111 Willem Kuiper, ‘In memoriam Francis Lulofs, filoloog en Reynaertonderzoeker’, in: Tiecelijn, 16 (2003).
112 F. Lulofs, ‘Boekbeoordelingen. G.-H. Arendt, Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos ‘Van den Vos Reynaerde’, Köln 1965 (diss. Köln 1964)’ in: Tijdschrift
voor Nederlandse taal- en letterkunde, 85 (1969), p. 32-47, m.n. p. 33-34.
113 W.Gs Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, p. 17. F. Lulofs neemt de hypothese serieus in: F. Lulofs, Boekbeoordelingen. G.-H. Arendt’, p. 34.
114 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 193.
115 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele. Over commentaar en interpretatie, Amsterdam,1975. F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde. De tekst kritisch uitgegeven, met woordverklaring,
commentaar en tekstkritische aantekeningen. (Tweede verbeterde druk), Groningen, 1985 [eerste druk 1983].
116 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele, p. 252-253.
117 F. Lulofs, Nu gaet Reynaerde al huten spele, p. 235.
118 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 58.
119 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 200.
120 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 44.
121 Jozef Janssens, Veerle Uyttersprot en Rik van Daele, ‘Verklarende commentaar’, in:Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 212-213.
122 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 200.

p. 59

123 MNW s.v. Arnout. Het MNW is beschikbaar via de Geïntegreerde Taalbank: http://gtb.inl.nl.
124 Eelco Verwijs (ed.), Hein van Aken, Die rose met de fragmenten der tweede vertaling, ’s Gravenhage, 1868, [facsimile Utrecht, 1976], p. 147.
125 VMNW s.v. Arnout (zie ook de bijgevoegde verspreidingskaart). Het Vroegmiddelnederlands Woordenboek is ook via de site van de Geïntegreerde Taalbank te raadplegen: http://gtb.inl.nl.
126 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 125-136. F. Lulofs, ‘Cloesterbier of cliesteerkoek?Reynaert A 1955. Een vies verhaaltje’, in: Lekr, 6 (juni 1981), p. 2-8. F. Lulofs (ed.),
Van den vos Reynaerde, p. 248.
127 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 10.
128 F. Lulofs, Nu gaet reynaerde al huten spele, p. 15 (feitenaanbod) en p. 16. De term ‘feitenaanbod’is van Hellinga, zie noot 101.
129 Herman Pleij, ‘Wytze Gerbens Hellinga als naoorlogs vernieuwer van de geesteswetenschappen’,p.135.
130 Herman Pleij, ‘Waar blijft het mooie Reynaert-boek’, in: M.M.H. Bax, K. Iwema,J.M.J. Sicking, Wie veel leest heeft veel te verantwoorden. Opstellen over filologie en historische letterkunde aangeboden aan prof. dr F. Lulofs, Groningen, 1980, p. 264 en p. 265.
131 Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 109-129, m.n. p. 126 over zijn invloed.
132 L. van Durme, ‘Maurits Gysseling, 7 september 1919-24 november 1997’, in: Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1998, p. 118-125.
133 M. Gysseling, ‘Speurtocht naar de Reinaert-dichter (1)’, in: Jaarboek van de Oudheidkundige Kring de Vier Ambachten te Hulst, 1966/67, p. 14 en p. 19.
134 M. Gysseling, ‘Datering en localisering van Reinaert I’, in: E. Rombauts en A. Welkenhuysen (red.), Aspects of the Medieval Animal Epic. Proceedings of the International Conference May 15-17, Leuven, 1974, p. 171 (citaat) en p. 179-185.
135 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 51.
136 Rik van Daele, ‘Portret Maurits Gysseling (1919-1997)’, in: Tiecelijn, 11 (1998), p. 25.
In zijn dissertatie citeert Rik van Daele ook uit een cursiee waarin Gysseling de spot dreef
met iedereen die er geen Vlaams landschap in zag. De ‘Hollander’ Arendt die verkondigde dat de Reynaert ‘ruimte en tijdloos’ was, regionale historici die bakkeleiden of de Reynaert nu Waas was of Gents. Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 122-123.
137 A.Th. Bouwman, Reinaert en Renart, p. 127-129.
138 Zie de website De Middeleeuwen in honderd artikelen, http://www.dbnl.org/letterkunde/middeleeuwen/artikelen/alfabetisch.php Paul Wackers, ‘ and its Links with the German Fox Stories’, in: Bernd Bastert, Helmut Tervooren en

p. 60

Frank Willaert (red.) Dialog mit dem Nachbarn. Mittelniederländische Literatur zwischen dem 12. und 16.
Jahrhundert [Sonderhefte der Zeitschrift für deutsche Philologie, 130, 2011], p. 148-150.
139 Bouwman, Reinaert en Renart, p. 418 en p. 593 (noot 161). Het woord ‘Schlußstrich’ is gebruikt door Frings. Hij schreef dat Muller een Schlußstrich gezet had onder het ‘philologische
Gezänk’. uitgegeven. Leiden 1939’, p. 97.
140 A. 141 Prof. Dr. J van Mierlo S.J. en de proloog van de Reynaert. Huldeuitgave voor de auteur op zijn 75ste verjaardag aangeboden door zijn Noordnederlandse vrienden en bewonderaars, Zwolle,1953. Het gaat om het exemplaar UBL 1005 F 38. Het verdient overigens aanbeveling de door Bouwman geraadpleegde boeken met zijn aantekeningen op te nemen in de bijzondere collecties van Universiteitsbibliotheek Leiden.
142 A. dierenverhalen kende, en dus ook de voorbeeldtekst van de Reinaert, dan zou tevens duidelijk worden waarom Willem zich niet heeft beperkt tot het eenvoudig vertalen van Le Jugement (=Le plaid JdP).’
143 De term ‘textual community’ is geïntroduceerd door Brian Stock in zijn studie The Implications of Literacy en heeft vooral betrekking op ketterse groepen. B. Stock, $e Implications
of Literacy. Written Language and Models of Interpretation in the Eleventh and Twelfth Centuries, Princeton, 1983, p. 88.
144 Bart Besamusca, Remco Sleiderink, Geert Warnar, ‘Ter Inleiding’, in: De boeken van Velthem. Auteur, oeuvre en overlevering, Hilversum, 2009, p. 10. Het idee van ‘men of letters’ is verbonden met het idee van de Republiek van de Letteren uit de late zeventiende eeuw.
145 Ard Posthuma (vertaler), Willem. Reynaert de vos, Amsterdam, 2008, p. 110.
146 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 469.
147 Zie noot 95.
148 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 175-187.
149 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 173-174.
150 J. Goossenaerts, ‘Het was in eenen tsinxendaghe’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 15 (1955), kol. 145. De interviewer J. Goossenaerts daagde pastoor De Wilde uit door te vragen of onze Reynaert veel meer uit het Gentse dan uit het Land van Waas is. Rik van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 176-177.
151 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 134 en p. 183.
152 P.W.M. Wackers, De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie,Utrecht, 1986. Paul Wackers, ‘Reynaert de vos’, in: W.P. Gerritsen en A.G. van Melle, Van Aiol tot Zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst, Nijmegen, 1993, p. 269-279, m.n. p. 274-275.

p. 61

153 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 533-542.
154 Jo Reynaert, ‘Botsaerts verbijstering. Over de interpretatie van “van den Vos Reynaerde”’, in: Spiegel der letteren, 38 (1996), p. 48. Ook gepubliceerd in: Hans van Dijk en Paul Wackers
(red.), Pade crom en menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hilversum, 1999, p. 270. Voor de discussie naar aanleiding van dit artikel, zie: Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert. Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn, 21 (2008), p. 79-95.
155 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 130-134.
156 R. van Daele, ‘Van Elmare naar Hulsterlo en Kriekeputte. Op bedevaart door de Reinaerttoponymie’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 208. Jozef Janssens, Veerle Uyttersprot en Rik van Daele, ‘Verklarende commentaar’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 213.
157 R. van Daele, ‘De robotfoto van de Reynaertdichter. Bricoleren met de overgeleverde wrakstukken: ‘cisterciënzers’, ‘grafelijke hof’ en ‘Reynaertmaterie’, in: Tiecelijn, 18 (2005), 179-204, m.n. p. 181, p. 193 en p. 199.
158 R. van Daele, Ruimte en naamgeving, p. 150-151.
159 In ‘De robotfoto’ wordt deze hypothese verworpen. Rik van Daele, ‘De robotfoto’,p. 194.
160 André Bouwman en Bart Besamusca (eds), Of Reynaert the Fox, p. 15 (noot 17).
161 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 585.
162 Jozef Janssens, ‘Dolen door het land van Reynaert. Het Reynaertonderzoek in het voorbije decennium: een hoogst persoonlijke kijk’, in: Tiecelijn, 21 (2008), p. 88.
163 Jan de Putter, Firapeel helpt!, in: Tiecelijn, 19 (2006), p. 218. Jan de Putter, ‘De val van een onwaardige priester’, p. 304 en p. 312 (noot 63).
164 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, p. 309-318 (Tabel II, oorkonden met Willem van Boudelo). Malfliet heeft regesten van 37 oorkonden verzameld. In vier regesten
wordt Willem van Boudelo niet aangeduid als broeder, de nrs. 21, 22, 26 en 27. Malfliet heeft juist deze vermeldingen ontleend aan een summiere tabel in het boek van Luykx. Luyckx vermeldt
dat het gaat om de ‘clericus’ Willem. Mogelijk heeft Luykx de aanspreektitel niet altijd overgenomen in de tabel. Aan nr. 21 is wel het zegel van ‘frere Willaume’ bevestigd. Theeo Luyckx, De grafelijke financiële bestuursinstellingen en het grafelijk patrimonium in Vlaanderen tijdens de regering van Margareta van Constantinopel (1244-1278), Brussel, 1961, p. 224-226.
165 Rudi Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten, p. 256-261. Over Malfliets interpretatievan het zegel, zie de recensie van J.W.J. Burgers, ‘Reynaert blijft ongrijpbaar [n.a.v. Rudi
Malfliet, Van den vos Reynaerde. De feiten]’, in: Queeste, 18 (2011), p. 77-78.
166 VMNW s.v. convers. MNW s.v. convers.

p. 62

167 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 397. (vertaler), Beatrijs. Een middeleeuws Maria-mirakel, Amsterdam, 1995, p. 46-47.
168 Stefan Collini (red.), Interpretation and Overinterpretation, Cambridge, 1992, m.n. p. 26 (‘moderate’) en p. 53 (‘sacred text’). Kritische introductie op Eco en overinterpretatie: Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, p. 21-23.
169 Jozef Janssens, ‘Een meesterwerk van dubbelzinnigheid’, in: Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, Leuven, 1991, p. 178.

p. 63

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

‘Want dit nes niet Madox droem, noch Reinards, noch Arturs boerden.’ DE FUNCTIE VAN HET WOORD ‘VIJTE’ IN DE PROLOOG VAN VAN DEN VOS REYNAERDE

viteGepubliceerd in Tiecelijn. Jaarboek 7 van Reynaertgenootschap (27, 2014). p. 181-216.

 

DE FUNCTIE VAN HET WOORD ‘VIJTE’ IN DE PROLOOG
VAN VAN DEN VOS REYNAERDE

Het is een gangbare opvatting dat Willem de dichter van Van den vos Reynaerde
speelt met genreconventies. Al vanaf het eerste vers zou duidelijk zijn
dat de auteur een spel speelt met zijn publiek. Hij heeft gewaakt om een verhaal
te schrijven over een droom, begint hij dubbelzinnig. Als hij het woord
‘vijte’ gebruikt, doet hij dat om het genre te ironiseren. ‘Lees maar, het betekent
niet wat er staat’, heeft Janssens dat treffend met een knipoog naar Nijhoff omschreven.
Willem, zo is het beeld, neemt een loopje met de waarheid, keert de
waarheid om en laat zich zo kennen als de dichter van een fictionele tekst, als
de meest moderne dichter van zijn tijd.1
Aan het begin van Van den vos Reynaerde introduceert de dichter zichzelf.
Dat doet hij door de eerste negen verzen in de mond van de verteller te leggen.2
Willem, een dichter die bij het publiek bekend stond van de Madoc, neemt er
geen genoegen mee dat Arnout niet alle avonturen van Reynaert voor een Diets
publiek bewerkt heeft. Daarom is hij op zoek gegaan naar de ‘vijte’ in Franse
boeken. Vers 7-9 luiden in de edities van Van den vos Reynaerde:
Dat hi die vijte dede soucken,
Ende hise na den Walschen boucken
In Dietsche dus hevet begonnen.3
‘Vijte’ is een opvallend woord. Reynaertonderzoekers hebben het verschillend
geïnterpreteerd. Jonckbloet verklaart het woord als ‘levensbeschrijving’.
Hij beroept zich daarbij op het werk van de pionier van de lexicografie Matthias
de Vries.4 Het Middelnederlandsch woordenboek (MNW) citeert bij
het lemma vite ook vers 7 van de Reynaert. Volgens Verdam zou het woord
in dit citaat ‘geschiedenis’ of ‘geschiedboek’ betekenen en het zou hier parodiërend
worden gebruikt.5
􀂊pagina 181
􀀘pagina 182

Vanaf 1900 hebben Reynaertonderzoekers van Buitenrust Hettema tot
Broens het woord ‘vijte’ specifiek geïnterpreteerd als ‘heiligenleven’. Alleen
Bouwman en Besamusca, die in hun Reynaert-editie uit 2002 nog kozen voor
‘heiligenleven’, kiezen in hun vertaling in Tiecelijn voor het neutralere ‘levensbeschrijving’.
Deze vertaling lag aan de basis van de Engelse vertaling die Summerfield
maakte voor hun editie van de Reynaert uit 2009. Daar is gekozen
voor ‘life’.6 In zijn proefschrift kwam Bouwman tot de verrassende conclusie,
dat de dichter meerdere boeken geraadpleegd moet hebben voor zijn versie van
het Reynaertverhaal. Willem werkte dus daadwerkelijk ‘na den walschen boucken’.
Van parodie in de geciteerde verzen hoeft dus geen sprake te zijn.7 Hun
voorganger Lulofs meende nog dat Willem het deed voorkomen dat hij naarstig
op zoek was gegaan voor de juiste bronnen voor zijn heiligenleven.8
Wackers, Janssens, Lulofs en Broens interpreteren het woord ‘vijte’ als een
verwijzing naar een heiligenleven. Wackers heeft het niet over Van den vos
Reynaerde uit het midden van de dertiende eeuw, maar over Reynaerts historie
van anderhalve eeuw later, waarvan de eerste negen verzen vrijwel gelijk
zijn aan die van Van den vos Reynaerde. Hij merkt op dat het gebruik van het
woord ‘vite’ in vers 7 ironisch is. Reynaerts levensverhaal is niet echt gebeurd en
zal allesbehalve een heiligenverhaal blijken te zijn.9 Janssens schrijft dat ‘in de
“vite” van Reynaert het woord wel bijzonder ironisch gebruikt wordt voor een
wezen dat in alles het omgekeerde is van heiligheid.’10
Het verst gaan Lulofs en Broens in hun analyse van het woord ‘vijte’. Voor
Lulofs is het een genresignaal. Hij suggereert dat Van den vos Reynaerde de
structuur van een heiligenleven parodieert. Als de passio kan de rechtszaak
tegen Reynaert worden beschouwd, maar Lulofs geeft toe dat de term ‘passio’
meer van toepassing is op zijn slachtoffers. De mirakelen (miracula) bij het
graf stelt Lulofs gelijk aan Reynaerts wonderbaarlijke ontsnapping.11 Dat kan
natuurlijk geen bovennatuurlijk ingrijpen genoemd worden. Reynaert redde
zijn leven door zijn superieure intelligentie.
Niettegenstaande de voor de hand liggende bezwaren tegen Lulofs gedachtegang,
heeft Broens de hypothese van Lulofs zeer serieus genomen. De vertaling
van ‘vijte’ met heiligenleven is de hoeksteen geworden voor zijn interpretatie
van Van den vos Reynaerde. Volgens hem is ‘vijte’ een genreaanduiding waarmee
de lezer uitgenodigd wordt het verhaal van Reynaert tegen het achterdoek
van een heiligenleven te lezen. De dichter Willem zou het Franse voorbeeld
door toevoegingen en veranderingen zo hebben bewerkt dat het verhaal het karakter
kreeg van een omgekeerde vita.12 Dat is een merkwaardige interpretatie
􀂊pagina 182

􀀘pagina 183

omdat in de proloog juist het Franse voorbeeld een ‘vijte’ genoemd wordt, maar
die mag volgens Broens nu weer niet als een omgekeerd heiligenleven worden
beschouwd: de Franse tekst zou de hoofse literatuur parodiëren. Voorts betrekt
Broens niet in zijn analyse dat in de proloog het woord ‘vijte’ in één adem
genoemd wordt met ‘avonture’ in vers 4 en in Reynaerts historie met het begrip
‘geeste’, ook in vers 4. Verderop in de proloog van zowel de Reynaert als
Reynaerts historie wordt het woord ‘avonture’ nog een keer herhaald in vers
31 van beide teksten.
In vergelijkbare bewoordingen als de meeste Reynaertonderzoekers heeft
Sonnemans zich in zijn proefschrift over Middelnederlandse versprologen uitgelaten
over Reynaerts historie. Reynaerts historie is volgens hem een contrafact
van de hoofse ridderroman, en mutatis mutandis geldt dat ook voor
Van den vos Reynaerde, waarbij alle normen en waarden die in dit genre
centraal staan op hun kop gezet worden. De twee veelzeggende genreaanduidingen
‘geeste’ en ‘vite’ in Reynaert II zijn volgens hem een katalysator voor
de interpretatie van de tekst. De interpretatie van het verhaal wint immers
aan zeggingskracht door de confrontatie van de tekst met het historiografische
en hagiografische genre.13 Kan één tekst nu tegelijkertijd de structuur van een
heiligenleven en een ridderroman op zijn kop zetten? De Gentse literatuurhistoricus
Jo Reynaert heeft in een belangrijk artikel over de stand van het Reynaertonderzoek
opgemerkt dat het genre van dierverhalen een eigen retoriek
en receptiementaliteit kent. Om die reden mag de Reynaert volgens hem niet
als de omkering van een ander genre geïnterpreteerd worden.14
Het is dus de vraag of het woord ‘vijte’ noodzakelijkerwijs bij een middeleeuws
publiek de associatie met het leven van een heilige opriep en welke functie
het woord ‘vijte’ in de proloog van de Reynaert heeft. Om dat te onderzoeken
heb ik een corpus van citaten met het woord vite en zijn spellingsvarianten
samengesteld op basis van vindplaatsen die voorkomen op de Cd-rom Middelnederlands,
15 de digitale editie van het handschrift van Hulthem (±1400)16
en de digitale edities van het Comburgse (±1400)17 en het Dyckse handschrift
(±1350).18 In het Comburgse en Dyckse handschrift is ook Van den vos Reynaerde
overgeleverd. In een eerste paragraaf onderzoek ik of het betekenisveld
van vite exclusief associaties met een heiligenleven opriep. In de tweede paragraaf
komt aan de orde of het woord vite functioneerde als een middeleeuwse
vorm van bronverwijzing, een garantie van betrouwbaarheid. Daarna ga ik in
op de vraag waarom de begrippen avonture en vite in de proloog op elkaar
worden betrokken. In een vierde paragraaf ga ik in op het verschil tussen boer-

􀂊pagina 183
􀀘pagina 184
de en vite. Ten slotte stel ik me de vraag of er een relatie is tussen het waken en
het schrijven van een vite. Dit alles leidt tot beantwoording van de hoofdvraag
wat de betekenis en de functie van het begrip vite in de proloog van de Reynaert
is. De Reynaert wordt als hét voorbeeld van een fictionele tekst gezien.
Is het gebruik van het woord vite louter een literair spel of belooft dit woord
waarheid? Volgens Zemel en zijn leerlinge Verheijen wordt in de Reynaert een
pleidooi gevoerd voor fictionele literatuur.19 Aan het door hen aangezwengelde
debat over waarheid en fictie in Van den vos Reynaerde wil dit artikel een
bijdrage leveren.
‘Die noch bi Reinaerts vite wrachte, hi mochtet leren’
De betekenis van het woord vite
De oudste vermelding van het woord vite in het Middelnederlands komt uit
omstreeks 1200. Op een gehavend vel perkament met het leven van Sente Servas
zou hebben gestaan: [di] [di] [ui]te hebben gelesen.20 Het woord vite is tot
ongeveer 1600 in gebruik geweest.21 Vite is een woord dat niet via het Frans,
maar direct uit het Latijn in het Middelnederlands is terechtgekomen. In het
Latijn betekent vita het leven, levenswijze en ook levensbeschrijving, biografie.
22 Suetonius (70-140 n. Chr.) schreef De vita Caeserum, dat op zijn beurt in
de negende eeuw een voorbeeld was voor Einhards Vita Karoli.23 Mohammed
was het onderwerp van verschillende vitae. In de twaalfde eeuw circuleerden
verschillende biografieën over Mohammed. In diverse manuscripten kreeg het
gedicht van Embrico van Mainz het opschrift Vita Mahumeti.24 Daarnaast
zijn in de middeleeuwen natuurlijk talloze vitae van heiligen geschreven. Overigens
worden die niet altijd aangeduid met het woord vite. Maerlant gebruikt
ook het woord ‘ jeeste’ voor de vita van de apostel Jacob.25
In totaal zijn 289 citaten met het woord vite, viten, vijt, vijte, vijten, uite,
uiten, vyte en vyten verzameld. Opvallend is dat de spellingsvariant vijte alleen
in Comburg in de Reynaert voorkomt. Het corpus bevatte daarnaast nog
wel eenmaal de spellingsvariant vijten, eenmaal vyte en driemaal vyten. De
spelling vite/viten is dus dominant. Mogelijk werd ‘vijte’ in de proloog extra
benadrukt door de verlenging van de i.
Het handschrift-Van Hulthem leverde slechts twee, weliswaar zeer interessante
citaten. Beide citaten worden hieronder uitvoerig geanalyseerd. Uit het
Comburgse en Dyckse handschrift zijn respectievelijk negen en zes citaten ver-

􀂊pagina 184
􀀘pagina 185
zameld, alle vermeld in een bijlage bij dit artikel. In het Dyckse handschrift gaat
het om citaten uit Maerlants Der naturen bloeme en in het Comburgse handschrift
om citaten uit bekende teksten als Die rose, Maerlants Heimelicheit der
heimelicheden, Boendales Lekenspiegel en de Rijmkroniek van Vlaanderen.
Een bijzondere betekenis hebben de citaten uit Maerlants Der naturen bloeme
en Heimelicheit. Deze teksten zijn quasi gelijktijdig met de Reynaert geschreven
en zijn ook nog eens in dezelfde handschriften overgeleverd. Weliswaar zijn de
verschillende delen van het Comburgse handschrift niet altijd samengebonden
geweest, maar dat de samenstellende delen altijd in elkaars nabijheid verkeerd
hebben, is meer dan aannemelijk gemaakt.26 Stilzwijgend wordt verwezen naar
deze bijlage wanneer citaten uit deze handschriften aangehaald worden.
Op de Cd-rom Middelnederlands staan vooral de klassieke teksten uit de
dertiende en eerste helft van de veertiende eeuw. Teksten uit de vijftiende eeuw
ontbreken bijna zo goed als geheel. Dat betekent wel dat de meeste gevonden
citaten uit de eeuw na de Reynaert dateren. Het is niet goed mogelijk om de
precieze betekenis van het woord ‘vite’ in het dertiende-eeuws Middelnederlands
aan te voelen. De relatie met andere begrippen in hetzelfde woordveld
ontgaat ons voor een belangrijk deel. De betekenis van het woord vite kan echter
door gebruik te maken van een groot corpus preciezer benaderd worden
dan tot nu toe het geval was. De citaten uit het corpus die verzameld zijn met
behulp van de Cd-rom Middelnederlands worden alleen met de verkorte titel
van de cd geciteerd. De meeste komen uit de Spiegel historiael van Maerlant
en uit Sente Lutgart. Sente Lutgart levert 98 citaten, Maerlants Spiegel 88 citaten,
waarbij die uit de delen die Lodewijk van Velthem en Philip Utenbroeke
schreven niet eens meegeteld zijn. Dat zijn er nog eens vijftien. Opvallend is
dat geen enkel citaat afkomstig is uit de Arturliteratuur en dat de Karelliteratuur
alleen is vertegenwoordigd met een citaat uit Madelgijs en de Roman
van Lorreinen. De makers van het Vroegmiddelnederlands Woordenboek
(VMNW) concluderen dat het woord vooral gebruikt werd in literaire teksten,
in ambtelijke teksten is het niet aangetroffen. Het woord vite komt dus
vooral voor in literatuur die kennisoverdracht en stichting beoogt. Teksten die
sterk beïnvloed zijn door Latijnse voorbeelden.
Het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW) merkt daarnaast op dat
het woord nauwelijks in proza wordt aangetroffen en concludeert daaruit dat
het vooral in de verheven schrijftaal van dichters gangbaar was.27 In het corpus
werden maar zes citaten aangetroffen. Daarvan waren er vijf afkomstig van
Ruusbroec en één uit de Bijbelvertaling van 1360.28 Aangenomen mag dus
􀂊pagina 185

􀀘pagina 186
worden dat het woord zich vanuit een intellectuele elite verspreidde. Hoe het
woord vite zich verspreidde, valt echter niet goed na te gaan.
Het zal geen toeval zijn dat de Brandaan in Comburg, waarvan het voorbeeld
niet teruggaat op een Latijns voorbeeld, het woord vite niet bevat.29 Overigens
spreekt het Comburgse handschrift elders wel over de vite van Brandaan. Hier
betekent het de levensbeschrijving, het boek over Brandaan. De hoofdbetekenissen
van het woord vite ‘levensbeschrijving’ en ‘leven’ vloeien echter in elkaar
over. Zo is in Comburg te lezen dat de wijze dichter Venantius Fortunatus
de vita van Sint Maarten ‘screef claer’. Volgens de paralleloverlevering in het
Brusselse handschrift van Der leken spieghel schreef Fortunatus echter niet
de vita van Sint Maarten, maar beschreef hij zijn leven: ‘dat hi daer [in Tours
JdP] / Sente Mertens vite bescref claer’.30 Duidelijker kan eigenlijk niet worden
geïllustreerd, dat de verschillende hoofdbetekenissen van het woord vite, levensbeschrijving
en leven, in elkaars verlengde liggen. Het is opvallend dat het
woord ‘vite’ in de betekenis van levensbeschrijving altijd naar een Latijnse tekst
verwijst. In een Middelnederlandse tekst wordt een heiligenleven simpelweg
aangeduid met het ‘leven’, bijvoorbeeld ‘dat leven des heiligen bisscop sunte
Ludger’.31 Het komt ook voor dat een heiligenleven ‘legende’ wordt genoemd,
een begrip dat heel voorzichtig als een genreaanduiding geïnterpreteerd zou
kunnen worden.32 Een voorbeeld is ‘die legende der glorioser maghet sinte Clara’.
33 De schrijver van de Brandaan duidt zijn bron aan met ‘legende’.34
Nu is het niet noodzakelijk dat een vite over een heilige gaat. In Der naturen
bloeme spreekt Maerlant over de vite van Alexander de Grote. In Spiegel
historiael komen we de vite tegen van Alexander35 en de door Widukind van
Corvey, – Maerlant noemt hem de monnik Windelinc –, geschreven levensbeschrijving
van keizer Otto I, die in het Latijn bekend staat onder de naam
Res gestae Saxonicae.36 Volgens de Brabantse yeesten heeft Einhard de vite
beschreven van Karel de Grote. De schrijver Boendale roept zijn publiek op om
Einhards Vita Karoli te lezen.37
In aansluiting op het Latijn is de betekenis van het woord vite nog veel ruimer.
Vite wordt ook gebruikt om de levenswandel, de manier van doen van een
persoon of een groep mensen aan te duiden. Een bonte stoet van mensen trekt
in de citaten voorbij. Ruusbroec spreek over de vite van de goede priester;38 de
gevallen non Beatrijs biecht haar zondige ‘vite’ op;39 mensen met geldschulden
voeren een ‘quade vite’.40 In Comburg vertelt het korte verhaal Van tween
ghesellen die elc voer andren steruen wilden hoe een koopman door een vete
geraakt ‘in cranker vite, arem allendich ende onverduldich’. In de Madelgijs

􀂊pagina 186
􀀘pagina 187
wordt de ‘vite’ van iemand die een onenightstand heeft, omschreven als die
van een beest.41 Het moeilijk te vertalen ‘Nu moechdi horen nyewe vite vanden
paep’ uit een gedicht van Willem van Hildegaersberch laat zich misschien het
best parafraseren als ‘luister nu wat de nieuwe, ongehoorde, handelwijze van de
pastoor was’.42 Die betekenis sluit aan bij een passage in Der minnen loep, waar
een vrouw vraagt om (letterlijk) uitstel van executie. Dat kwam de koning voor
als ‘nuwe vijt’.43 Boendale spreekt over de ‘vite’ van herauten44 en de ‘vite’ van
het huwelijk;45 Jan van Heelu over die van monniken,46 maar het zijn vooral de
buitenstaanders die over de tong gaan. Er wordt melding gemaakt van de ‘Sarrasine
van wilder viten’;47 de Bulgaren zijn zelfs van ‘vreseliker vite’.48 De vreemde
vite van de heidenen die bij de Elbe wonen, komt ter sprake49 en dezelfde
kwalificatie krijgt de vite van de Ysmaliten (islamieten), omdat ze ‘wreet ende
fel’ zijn.50 De stichter van hun godsdienst was volgens Maerlant ‘van … groten
viten’; hij had ‘een spectaculaire levenswandel’, zoals Van Oostrom dat zo
sprekend vertaalt.51 Als we Maerlant moesten geloven dan waren de joden van
‘argher viten’ dan de sodomieten.52 De enige groep buitenstaanders die waardering
ontvangt zijn de Brahmanen die een voorbeeldig, sober leven leiden. Toen
Alexander de Grote van hun ‘vite’ hoorde, liet hij ze met rust.53 Speciale aandacht
krijgen de hypocrieten. Het corpus bevat maar liefst twee citaten die op
hun vite betrekking hebben. In het Dyckse handschrift wordt in Der naturen
bloeme gesproken over de kievit, vaneel in het Middelnederlands, als symbool
van de huichelaars. ‘Wel betekent des vanels vite / Tleuen van den ypocrite’,
schrijft Maerlant. Die rose, te vinden in Comburg, verklaart dat hypocrieten
over ‘haren viten’ nooit de waarheid willen horen. Van zo iemand kan worden
gezegd: ‘Achter hem leestmen haren vite.’54
De ‘vite’ van de Reynaert is nu weer volgens een fabel in het Hulthemse
handschrift navolgenswaard. In deze fabel ontbiedt de zieke leeuw alle dieren
naar zijn hol, ook Reynaert. De vos ziet echter dat geen enkel dier eruit terugkeert
en besluit dat het raadzaam is er niet binnen te gaan. De slimme vos
spiegelt zich aan de lotgevallen van de anderen. Aan het slot spreekt de verteller
het publiek aan:
Die noch bi Reinaerts vite wrachte, hi mochtet leren, waer hi vroet.55
(Die nog te werk gaat als volgens Reynaerts ‘vite ‘,
hij kan het [nl. zich zelf onderrichten, JdP] leren, als hij wijs is.)
Over de vertaling van het woord vite in dit citaat zijn de geleerden het niet eens.
Verdam verklaart in het MNW ‘vite’ als streek.56 De Nijmeegse uitgevers van
􀂊pagina 187

􀀘pagina 188

de tekst kiezen voor levensverhaal. Met een beroep op vers 7 van de Reynaert
tekenen ze daarbij aan dat ‘vite’ eigenlijk een heiligenleven is en het hier ironisch
gebruikt wordt. Zowel ‘streek’ als een ‘ironische allusie naar een heiligenleven’
lijken hier niet te passen. Van Oostrom parafraseert het vers als: ‘Moraal: stem je
gedrag af op het observeren van anderen’.57 ‘Levenswijze’ lijkt de beste vertaling.
Ook in een andere fabel komt het woord vite voor. In fabel LXIV van de
Esopet ontmoet een wolf een hond. Eerst is hij jaloers op zijn leventje, maar
wanneer hij merkt dat de hond aan de ketting ligt, zegt hij: ‘nv si al dijn / Dine
grote weelde dine vite’ en hij besluit met de woorden: ‘Hout dine vite ic houde
die mine’.58 Dat is een dialoog die uit het leven gegrepen is. Direct of indirect
zijn deze fabels natuurlijk gebaseerd op Latijnse bronnen, maar op een gegeven
moment zal het woord vite in de betekenis van levenswijze toch wel zijn doorgedrongen
tot de spreektaal.
In de zestiende eeuw verdwijnt het woord vite.59 Het lijkt alsof het woord verdrongen
wordt door het begrip regiment.60 Al komt de betekenis ‘levenswijze’,
‘manier van doen’ nog voor, vite heeft volgens zestiende-eeuwse woordenboekmakers
vooral de betekenis van ‘list’ of ‘streek’ gekregen. Kiliaan vermeldt in
zijn Dictionarium teutonico-latinum uit 1588 alleen nog deze betekenis voor
het woord.61 Lambrecht geeft in 1562 ook nog de betekenis coustume de faire
in zijn Naembouck.62 Het MNW geeft voor de periode voor 1500 ook de betekenis
‘streek’.63 Echter in de citaten die het MNW als bewijsplaats aanhaalt,
kan vite evengoed ‘levenswijze’ als ‘streek’ betekenen.
Het woord vita verschijnt in de betekenis van ‘heiligenleven’ weer in het Nederlands
in de negentiende eeuw. De oudste attestatie dateert volgens de etymologiebank
van 1872.64 Het kan geen toeval zijn dat juist vanaf het moment
dat vita weer courant wordt in het Nederlands, onderzoekers het woord vijte
in de Reynaert gaan interpreteren als heiligenleven. Echter, als er een ding
duidelijk geworden is uit dit overzicht van de betekenis van het woord vite in
de middeleeuwen dan is het dat het woord een hele reeks associaties kon oproepen,
die zich beslist niet beperkten tot die van een voorbeeldig heiligenleven.
In bovenstaande voorbeelden sluit het gebruik van het woord vite nauw aan bij
dat van het Latijnse woord vita. Zowel in het Latijn als het Middelnederlands
zijn de hoofdbetekenissen: leven, levensbeschrijving, levenswijze. Het Middelnederlandse
woord vite kan betrekking hebben op om het even wie, of het
nu heiligen of schuinsmarcheerders zijn, heidenen of christenen. Het zou zo
kunnen zijn dat het woord zich vanuit de biechtpraktijk in het Middelnederlands
heeft verspreid. De Beatrijs is daar een vingerwijzing voor. Het woord is
􀂊􀀃􀀣􀀪􀀫􀀃􀂊
􀀘􀃯􀃫􀃩􀃫􀃲􀃯􀃰􀃴􀀃􀀤􀀩
prijzend noch misprijzend. Lexicografen hebben de betekenis van voorbeeldig
(heiligen)leven nooit benadrukt. Wie Van den vos Reynaerde leest als een
omgekeerd heiligenleven, leest het verhaal vanuit de moderne betekenis van
het woord vita.
‘Alse ons die uite doet uerstaen’
Vite als de middeleeuwse garantie voor betrouwbaarheid
Het zou aan paus Clemens (92-99 na Christus) te danken zijn dat de ‘viten’
van de martelaren opgetekend zijn. Volgens een tekst in het Comburgse
handschrift zond hij zeven notarissen uit om getuigen te horen over de ‘viten’
van martelaren en die op schrift te stellen. Die levensbeschrijvingen waren uitermate
betrouwbaar want ze gingen direct terug op ooggetuigen. Maerlant
schrijft in Der naturen bloeme dat Hiëronymus in zijn ‘vite’ van de anachoreet
Paulus een ontmoeting beschrijft tussen de heilige Antonius en een centaur.
Aan het bestaan van een centaur hoeft dan ook niet getwijfeld te worden.
Het VMNW en het MNW geven nog een andere betekenis voor vite, die
aansluit bij deze citaten, die van geschiedboek. Het VMNW wijst erop dat
vite vaak wordt aangetroffen als verwijzing naar de gebruikte biografische of
historische bron. Maerlant verwijst in de Spiegel historiael naar zijn bron de
Historia Hierosolymitana expeditiones van Albertus Aquensis met de term
‘vite’.65 De historische bron bij uitstek, de Bijbel, wordt frequent aangeduid met
het woord vite. Maerlant noemt het Oude Testament, ‘doude vite’.66 In zijn
Rijmbijbel beroept hij zich op zijn bron, de Bijbel: ‘Nachts sprac god, segghet
die vite, tote Natanne’.67 In de Rijmkroniek van Vlaanderen, overgeleverd
in Comburg staat dat David door God van een schaapherder tot een koning
gemaakt werd, zo vertelt ons ‘die vite’. Volgens Alexanders geesten is te lezen
in Davids ‘vite’ dat hij door Samuel werd uitverkozen. Maerlant lijkt hier zelfs
zijn publiek op te roepen dat na te slaan: ‘men leset dat in sine vite!‘68 ‘Vite’
moet in deze gevallen een verwijzing naar de Bijbel zijn.
Ook de schrijver van de Grimbergse oorlog verwijst een aantal malen naar
een ‘vite’. Dat doet hij wanneer hij een wapenrok beschrijft van vermiljoen met
een gekanteeld zilveren schildhoofd.69 Eveneens beroept hij zich op deze ‘vite’
bij de beschrijving van een gevecht met dodelijke afloop. Hij laat daarbij niet
na om het wapen van de gesneuvelde te beschrijven.70 De ‘vite’ waar hij naar
verwijst doet denken aan de ereredes van Herauten.71
􀂊pagina 188
􀀘pagina 189
Het begrip vite in de betekenis van ‘geschiedboek’ breidde zich ook uit tot
geschiedenis, meer bepaald de klassieke geschiedenis. In Heimelicheit der heimelicheden,
te vinden in Comburg, staat de retorische vraag wat in oude tijden
(‘viten’) het rijk van de Scythen ten onder deed gaan. Hier wordt ook weer
verwezen naar de klassieke geschiedenis, die schriftelijk is overgeleverd.
Het zijn niet alleen historische bronnen die aangeduid worden als vite.
Maerlant noemt de Historia naturalis van Plinius in Der naturen bloeme ook
een ‘vite’. Hij gebruikt dat woord zelfs in het meervoud, wanneer hij vermeldt
waar de kostbare karbonkelsteen gevonden kan worden. Datzelfde doet hij
wanneer hij spreekt over de kostbare parels, die in India gehaald worden uit de
zoetwaterparelmossel. Maerlant spreekt over Aristoteles, Plinius, Ambrosius,
Isidorus van Sevilla en Jacob van Vitri als degenen die ‘viten scriuen van naturen’.
Het begrip vite in de betekenis van ‘geschiedboek’, of breder ‘beschrijving
van zaken’, wordt dus vooral gebruikt om naar een betrouwbare Latijnse bron
te verwijzen; ‘alse ons die uite doet uerstaen’72. Daarmee lijkt het specifieker
dan het begrip aventure. In Arturverhalen wordt ‘daventure seget’ gebruikt
als bronverwijzing, niet de vite vertelt.73 Een tekst die verwijst naar een vite
pretendeert de waarheid te zeggen. Een vite is geen verhaal van horen zeggen,
maar baseert zich op zegslieden die ooggetuigen waren.
Als een woord eenmaal de gevoelswaarde krijgt van een betrouwbare mededeling
dan kan het ook in een iets andere betekenis gebruikt worden. In de
Roman van Lorreinen bezoeken Ritsart en zijn magen koning Karel. Ritsart
zegt tegen hem, wij kunnen geen geschenken geven, maar ‘hort ene andre vite’,
ons leven staat tot uw [Karels] beschikking.‘74 ‘Hort ene andre vite’, zal zoveel
betekenen als ‘luister naar iets anders dat zeker waar is’. In deze betekenis komt
het woord vite echter maar een keer in het corpus voor. Te veel conclusies mogen
niet aan dit citaat verbonden worden. Wel mag uit dit citaat geconcludeerd
worden, dat als het woord buiten zijn normale context wordt gebruikt, zoals
ook in de Reynaert het geval is, het niet noodzakelijkerwijs als parodiërend of
ironisch geïnterpreteerd hoeft te worden.
Uit deze paragraaf kan wel worden geconcludeerd dat het woord vite in een
specifieke betekenis in het Middelnederlands werd gebruikt. Het woord wordt
gebruikt om een Latijnse tekst, een fysiek object, mee aan te duiden. Aanvankelijk
zullen klerken vooral de levensverhalen van heiligen vertaald en verteld
hebben aan leken. In de tijd dat de Reynaert geschreven werd, werd elke Latijnse
tekst, de Bijbel, Plinius … aangeduid als een vite. De status van een
Latijnse tekst was er een van waarheid. Volgens Maerlant moet men ‘ystoriën
􀂊 pagina 190
􀀘 pagina 191
in Latine’, de teksten die hij elders viten noemt, meer vertrouwen dan teksten
in het ‘Romans’ (Frans), want die zijn zelden waar noch volledig.75 Roman als
aanduiding voor een boek geschreven in de Franse taal, komt in het Middelnederlands
niet voor. Wel werd in het Oudfrans een boek geschreven in de volkstaal
aangeduid als een ‘roman’.76 Gezien de verscheidenheid van teksten die
aangeduid worden met vite, kan het begrip onmogelijk een genreaanduiding
zijn. Er moet voor gewaakt worden het woord vite te duiden vanuit een (te)
modern begrippenkader. Sowieso is een genreaanduiding in bijna alle gevallen
hoogst problematisch. Het lijkt eerder dat het onderscheidend criterium allereerst
de taal was. De taal was daarnaast een indicatie voor de betrouwbaarheid
van de tekst. Sporadisch, zoals in de Grimbergse oorlog het geval is, wordt het
woord vite gebruikt om te verwijzen naar een bron die dezelfde betrouwbaarheid
garandeert als een Latijnse tekst. Daar zijn nog twee andere voorbeelden
van: de Reynaert en Van Lacarise.
‘Dits die vite van Lacarise’
Avontuur en vite in een broodjeaapverhaal
Het woord vite wordt ook gebruikt in de komische vertelling Van Lacarise
den katijf, die een ander sach bruden sijn wijf, die waarschijnlijk geschreven
is aan het eind van de veertiende eeuw.77 Het verhaal wordt zowel ‘avontuere’ als
‘vite’ genoemd. ‘Avontuere’ in vers 1 (‘Een avontuere sal ic u tellen’) en ‘vite’ aan
het slot in vers 102 (‘Dits die vite van Lacarise’). Dat is een belangrijke overeenkomst
met de proloog van de Reynaert waarin ‘avonture’ en ‘vite’ met elkaar in
verband worden gebracht. Lodder interpreteert het woord ‘vite’ als een signaal
dat het verhaal als een parodie op een heiligenleven gelezen moet worden. Lacarise
zou een schijn- of antiheilige zijn.78 Een opvatting die verrassende overeenkomsten
vertoont met de ideeën van Broens over Reynaert! Daarom is het de
moeite waard deze tekst aan een nadere analyse te onderwerpen.
Het verhaal is ook bekend uit een Duitse en Franse versie.79 De Nederlandse
versie van het verhaal zou zich, zo zegt de verteller, voor tien jaar in Lokeren
aan de Schelde (sic!) hebben afgespeeld (v. 4-5). Het gedicht pretendeert dus
waar gebeurd te zijn, maar heeft alle kenmerken van een broodjeaapverhaal.
Wanneer een vrouw een afspraakje heeft met de pastoor, komt haar echtgenoot
binnen. Zij vertelt haar man dat hij er lijkbleek uitziet: het lijkt wel alsof
hij uit de dood is opgestaan. De vrouw en de paap stellen voor om hem de vol-

􀂊pagina 191
􀀘pagina 192
gende dag te begraven en leggen hem alvast onder een doodskleed. Door het
doodskleed heen kan de oude sukkel met open ogen zien hoe zijn vrouw het
doet met de pastoor. De hoofdpersoon Lacarise is zo in een onterende situatie
terechtgekomen. Volgens het MNW betekent aventure ‘de wederwaardigheden’
en gaat het in het bijzonder om een gevaarlijke geschiedenis.80 Met recht
mag het een avontuur worden genoemd. De eer van de hoofdpersoon staat op
het spel. De vraag is hoe het woord ‘vite’ dient te worden geïnterpreteerd.
Als bewijs voor zijn opvatting dat hier sprake is van een omgekeerd heiligenleven,
voert Lodder aan dat Lazarus de naam is van een heilige. Het is ook
niet zeker dat Lazarus een directe allusie is op een heilige. De naam Lacarise,
Lazarus, is natuurlijk bekend uit de Bijbel. Hij werd vereerd als heilige, maar
die verering is beperkt gebleven tot Zuid-Frankrijk; in de Nederlanden werd
hij niet als heilige vereerd.81 Zijn naam suggereert alleen dat hij na zijn kleine
dood weer is opgestaan.
Voorts voert Lodder aan dat in het verhaal sprake is van een ‘wonder’. Waarschijnlijker
is dat de verzen 41-43, ‘dits wonder groet, ic hoere ende ghi maect
mi doet ende ic sie met minen oeghen’ niet meer betekent dan dat Lacarise eerst
niet wil geloven dat hij dood is. Het verbaast hem: ‘ik hoor dat jullie me voor
dood houden, maar ik zie met beide ogen.’ Als zijn vrouw dat bevestigt, riposteert
hij dat hij niet geleden heeft toen hij stierf, ‘ic soe lettel qual’ (v. 52). Dat
hier de passio van een heilige geparodieerd wordt, valt daarom eveneens te betwijfelen.
De sullige Lacarise moet zich ervan laten overtuigen, dat hij dood is.
Een volgende aanwijzing dat het niet als een heiligenleven geïnterpreteerd is,
is te vinden in de activiteit van de censor. Het verhaal van de onkuise priester
gaf aanstoot. Een andere hand heeft in de tekst ‘pape’ uitgeradeerd en vervangen
door ‘gilde’ of ‘vrient’ en het woord ‘here’, wat priester betekent, door ‘gilde’.
In het opschrift van het verhaal verving hij ‘enen pape’ door ‘een ander’. Het
woord ‘vite’ gaf echter géén aanstoot.82 Dat maakt het onwaarschijnlijk dat dit
woord als een religieuze parodie is bedoeld.
Het belangrijkste bezwaar tegen Lodders interpretatie voert hij zelf aan. Hij
merkt op dat het publiek waarschijnlijk er zich niet van bewust was dat het
naar een parodie op een heiligenleven zat te luisteren. Het woord ‘vite’ staat
immers pas aan het einde van het gedicht. De humor in de tekst lijkt me dan
ook eerder situationeel dan intertekstueel. Aansluitend bij het gebruik in teksten
zoals die van Maerlant, dient het woord vite om de lezer aan het einde van
het verhaal er nog eens van te overtuigen dat ‘de avontuere’ werkelijk tien jaar
geleden in Lokeren aan de Schelde is gebeurd.

􀂊pagina 192
􀀘pagina 193
Ook in de Reynaert wordt ‘avonture’ met ‘vijte’ gecombineerd. Het woord
‘avonture’ is bij uitstek geschikt om Reynaerts veroordeling en ontsnapping aan
de galg te beschrijven. Niet zonder reden wordt het woord ‘avonture’ nog een
keer in de proloog herhaald (v. 31). De combinatie ‘vite’ met ‘avonture’ geeft aan
de geschiedenis de aura van een verhaal met waarheidsgehalte.
In Reynaerts historie is aventure in vers 7 veranderd in de ‘geesten’. Door die
verandering verschuift de focus van het hachelijke avontuur dat de vos beleeft
naar zijn sluwe streken, maar ook de ‘geesten’ mogen in dit geval omschreven
worden als een ‘vite’, een waar verhaal. Zowel Reynaerts historie als Van Lacarise
zijn geschreven omstreeks 1400. De manier waarop zij vite met avonture
combineren wijkt echter niet af van die in Van den vos Reynaerde, een
tekst die anderhalve eeuw ouder is. De vraag is wat de achterliggende reden is
om deze begrippen in de Reynaert te combineren.
Maerlant, Boendale en de interpretatie van de eerste negen verzen
van de proloog
In deze paragraaf wordt het blikveld verruimd door de eerste negen verzen
van de Reynaert te confronteren met Maerlants opvattingen. Maerlant en
Willem hebben gemeen dat het beiden zeer zelfbewuste en in hun tijd bekende
schrijvers zijn. Zowel Maerlant als Willem durven het aan hun werk
te beginnen met hun eigen naam. ‘Jacob van Merlant die dit dichte’ vangt de
verteller aan van Der naturen bloeme. De Reynaert begint met ‘Willem, die
Madocke maecte’. In het geval van Willem moet het om meer gegaan zijn dan
het imiteren van zijn voorbeeld. Branche I van de Roman de Renart vangt aan
met ‘Perroz, qui son engin ess’art’.83 Door met hun eigen naam te beginnen
plaatsen Pierrot, Willem en Jacob van Maerlant zich in de categorie van de
literaire supersterren. Alleen al het noemen van hun naam was voldoende om
verwachtingen te wekken bij het publiek.
De bevlogen dichter Willem wordt vaak tegenover de schoolmeester
Maerlant geplaatst. Van Oostrom meent dat beide dichters elkaar niet mochten.
84 Maerlant zou de dichter van de Reynaert zelfs gedist hebben toen hij
omstreeks 1271 in zijn Rijmbijbel schreef:
Want dit nes niet Madox droem,
Noch Reinard[s], noch Arturs boerden.85

􀂊pagina 193
􀀘pagina 194
Zijn Rijmbijbel valt niet te vergelijken met de droom van Madoc, of de beuzelverhalen
over Reynaert en Artur. ‘Boerde’ gebruikt hij hier niet in de betekenis
van een kluchtige vertelling, maar van beuzelverhaal. ‘Droem’ gebruikt
Maerlant mogelijk als een synoniem voor ‘boerde’. In het Oudfrans wordt
‘songe’ gebruikt voor een leugenachtig verhaal.86 Ook in de proloog van zijn
Spiegel historiael breekt Maerlant de staf over ‘die boerde van den Grale’ en
‘die loghene van Percevale’.87 In de literatuurgeschiedenis is Maerlant vanwege
deze woorden vaak beschouwd als een droogstoppel die geen greintje gevoel
had voor literatuur. Om het met de woorden van Wackers te zeggen: auteurs
als Maerlant geloofden niet ‘in de mogelijkheid van fictie om de waarheid over
te dragen’.88 Zemel en Verheijen spelen daarom met de gedachte dat de Reynaert
gelezen moet worden als een reactie op de afkeuring van fictie, zoals die
door Maerlant meermalen werd verwoord. Zij interpreteren de Reynaert als
een poëticale tekst.89 Hun opvatting ligt in het verlengde van wat Wackers
schrijft in zijn dissertatie.90 Van Oostrom echter meent dat Maerlant fictie
niet per se veroordeelde, maar alleen verhalen die een loopje namen met de
werkelijkheid, maar toch pretendeerden waar te zijn.91 Bovendien schuwt
Maerlant in zijn werk vergelijkingen tussen mensen en dieren niet.92 Onder
literatuurhistorici is er dus een debat over de vraag of er een debat was over
de toelaatbaarheid van fictie. Een debat dat zich toespitst op de receptie van
de Reynaert.
Opmerkelijk genoeg liet Maerlants navolger en bewonderaar Boendale zich
veel positiever uit over de Reynaert, hoewel hij ook vol kritiek was op beuzelverhalen,
zoals dat over Karel de Grote die uit stelen gegaan zou zijn.93 Net als
Maerlant veroordeelde hij teksten die de waarheid geweld aandeden. Hij deed
dat in ‘Hoe dichters dichten zullen’, een kapittel uit Der leken spiegel. Een
hoofdstuk dat onder neerlandici bekend staat als de eerste poëtica in het Nederlands
en daarom ook meermalen bestudeerd is.94 In ‘Hoe dichters dichten
zullen’ verantwoordt Boendale waarom verhalen over Reynaert wel de moeite
waard zijn. Boendales tekst is ook overgeleverd in het Comburgse handschrift.
Voor een deel is deze tekst zelfs geschreven door de kopiist die ook de Reynaert
voor zijn rekening nam. Janssens vond de gedachte verleidelijk dat deze
kopiist voor deze passage een bijzondere belangstelling had. 95
Ik geef de tekst uit ‘Hoe dichters dichten zullen’ hier weer naar het Comburgse
handschrift in een kritische editie. Boendale vindt dat dichters altijd de
waarheid moeten vertellen, maar hij maakt een uitzondering voor dierverhalen
waaruit men iets kan leren over de aard van de mens.

􀂊pagina 194
􀀘pagina 195
Ets waer, Ysoep ende Aviaen
Dichten ende doen verstaen
185 Ghedichten van vele zaken,
Van dieren als datsi spraken:
Dats om leringhe diere hute gaet
Daermen svolx wesen by verstaet.
Ende meniche andre ryme
190 Van Reynarde ende Ysegrime
Brunen den bere enten das.
Dat dese dinc vonden was
Was al om lere ende wijsheit,
Als ic voren hebbe gheseit.
195 Want een zin die es swaer
Die maken exemple claer.
Want in parabelen god selve sprac
Sine sermoene die hi vertrac.96
(Het is waar, Esopus en Avianus schreven en vertelden in gedichten
over velerhande zaken: over dieren, alsof ze konden spreken. Dat is
vanwege de les die eruit te leren is, zo kan men de aard van de mensen
begrijpen. En dat kan men ook uit enkele andere gedichten, zoals
die over Reynaert, Isegrim, Bruun de beer en de das. Deze fabels zijn
bedacht vanwege de wijze lessen, zoals ik al zei. Want moeilijke, abstracte
opvattingen kunnen door concrete voorbeelden duidelijk worden
gemaakt. Jezus doorweefde immers zijn preken die hij hield met
parabelen.)
Lulofs, Wackers en Janssens hebben dit fragment betrokken bij de Reynaertstudie.
Wackers en Jansen beschouwen het als een verdediging van de Reynaert
tegen de aantijging dat het een leugenachtig verhaal zou zijn.97
Met een slag om de arm mag aangenomen worden dat de middeleeuwse
lezers van Comburg de Reynaert mede waardeerden om de redenen die
Boendale aangaf. Boendale stelt de verhalen over Reynaert op één lijn met de
fabels van Esopus en Avianus, die nu juist weer niet zijn overgeleverd via het
Comburgse handschrift. Boendale plaatst de Reynaert binnen een didactische
context. Zeker is dat het Dyckse handschrift binnen zo’n context heeft gefunctioneerd,
terwijl het Comburgse handschrift zich lijkt te richten op een publiek
met maatschappelijke verantwoordelijkheid.98

􀂊pagina 195
􀀘pagina 196
Er valt nog meer te zeggen over de tekst van Boendale. Het woord ‘zin’ heeft
volgens zowel het VMNW als het MNW betrekking op zaken van de geest.99
Dat impliceert dat fabels geen betrekking hebben op het domein van de waargebeurde
feiten, maar zich bezighouden met abstracte onderwerpen als het
karakter van de mensen. Fabels en historische verhalen hebben betrekking op
een ander domein van het menselijk leven. Het is beslist niet zo dat Boendale
alle dierverhalen goedkeurt. De formulering ‘meniche andre ryme’ hoeft niet
geïnterpreteerd te worden als ‘veel’. ‘Meniche’ laat zich hier het best verklaren
als ‘enkele’.100 Die enkele andere verhalen kunnen volgens Boendale worden beschouwd
als een aanvulling op de klassieke fabelverzamelingen van Esopus en
Avianus. Zowel uit deze fabels als uit de verhalen over Reynaert en Bruun kan
men de aard van mensen leren kennen. Zo gelezen, blijft nadrukkelijk de mogelijkheid
open dat ook Boendale vond dat bepaalde (mondeling circulerende)
verhalen over de vos niet door de beugel konden.
Zo lang de dieren zich in overeenstemming met hun natuur gedragen, kan
geen onwaarheid worden verkondigd. De dichter van Sente Lutgart is door onderzoekers
wel beschouwd als een tegenstander van dierverhalen. Apen moeten
geen speren breken en rammen geen missen zingen, schrijft de dichter van Sente
Lutgart. Fabels waar dieren zich zo gedragen, keurt hij af … door een fabel te
vertellen.101 Hij keurt dus alleen dierverhalen af waar dieren zich tegen hun aard
gedragen. De fictie van de fabel, dat dieren spreken, rechtvaardigt de Esopet met
een ‘alsof ’. Hij zal exempelen vertellen over dieren, ‘recht of si spraken’.102 Hildegaersberch,
die waarschijnlijk Boendales poëtica kende, zegt dat dieren niet
kunnen spreken, maar fabels zijn ‘in ghelijck’ geschreven, als een gelijkenis.103
Het lijkt dus dat het genre van de fabel niet in zijn geheel wordt afgewezen, maar
alleen dierverhalen zonder moraal, vol spotlust, waarin dieren hun eigen aard
overstijgen. Donald Duck en Heer Bommel zouden voor de dichter van Sente
Lutgart vanwege hun menselijkheid onaanvaardbaar zijn geweest.
Maerlant had in ieder geval de nodige waardering voor fabels. De vertaling
die Calfstaf en Noydekijn maakten van de fabels van Esopus beval hij zijn publiek
aan vanwege de ‘spellecheit ende wijsheit van zinne’, vrij vertaald vanwege
lering en vermaak.104 Hij wees fictie zeker niet in alle gevallen af. De verschillen
tussen Maerlant en Boendale zijn dus minder groot dan ze op het eerste
gezicht lijken.
Er zijn redenen om aan te nemen dat Maerlant niet ‘onze’ Reynaert op het
oog had toen hij de boerde van Reynaert afkeurde. Ten eerste lijkt de term
boerde vooral betrekking te hebben op mondeling circulerende vertellingen. In

􀂊pagina 196
􀀘pagina 197
Vanden levene ons heren worden de wereldse verhalen over Roeland, Alexander
en Pyramus afgedaan als weinig verheffend voor de ziel. In deze gedichten
over oorlog en minne is weinig wijsheid te vinden. ‘Dit es boerde, al eest gescreven’,
ook al is het geschreven.105 Opgeschreven woorden waren een bron van
wijsheid. De achterliggende norm is dus dat boerden niet aan het perkament
zouden moeten worden toevertrouwd.
Ten tweede duidt het noemen van Reynaert in Heymelijchede der heymelijcheit
en Der naturen bloeme erop dat Reynaert in de dertiende eeuw veel
meer was dan de hoofdpersoon van één bepaald literair verhaal. In Heymelijchede
der heymelijcheit (ca. 1266) en in Der Naturen bloeme (ca. 1270)
gaat hij ervan uit dat zijn publiek vertrouwd is met Reynaerts streken. Volgens
Der naturen bloeme is het de gewoonte van Reynaert om het hol van de das
te kraken.106 In de Heymelijchede vergelijkt hij zelfs het karakter van mensen
met dat van dieren. Mensen kunnen stoutmoedig als de leeuw zijn, goedaardig
als de olifant, lafhartig als de haas, snel als een hinde en ‘scalc recht na den
vos Reynaert’. In de Latijnse bron van Maerlant stond ‘vulpes’, maar om zijn
publiek te behagen noemde hij die vos ‘Reynaert’.107 De verzen in de Heymelijchede
en Der naturen bloeme kunnen onmogelijk als een aanval op Willem,
de dichter van ‘onze’ Reynaert, worden gelezen. In deze werken, die kort voor
de Rijmbijbel zijn geschreven, laat hij er niets van blijken dat hij vossenverhalen
zou afkeuren, eerder het tegendeel. Maerlant refereerde aan een cultureel
icoon, dat tot de fantasie van zijn publiek sprak.
Ten derde valt uit Maerlants bewoordingen af te leiden, dat hij het gedicht
van Willem niet op het oog had. Maerlant wijst kopiisten er namelijk op dat
hij niet over Madocs droom, noch van Reynaerts, noch van Arturs boerden
een dichtwerk heeft gemaakt, maar de Bijbelse geschiedenis tot zijn onderwerp
heeft. Die kopiisten mogen daarom niet zomaar zijn tekst veranderen,
het is ware geschiedenis.108 Maerlant verwijst dus niet naar bepaalde bestaande
dichtwerken over Reynaert, Madoc en Artur, maar naar de stof, de matière
die hij bewerkt heeft. Juist in de tweede helft van de dertiende eeuw gingen
Dietse auteurs mondeling circulerende verhalen bewerken tot gedichten op
perkament. De Walewein is een bekend voorbeeld. Van Oostrom benadrukt
hoezeer de overgeleverde middeleeuwse teksten eigenlijk niet meer zijn dan de
splinters van een veel grotere orale traditie.109 Toen Maerlant de boerden over
Madoc, Reinaert en Artur laakte, had hij dus waarschijnlijk mondelinge verhalen
op het oog die bewerkt konden worden tot een geschreven tekst en niet het
werk van zijn collega Willem.

􀂊pagina 197
􀀘pagina 198
Ten slotte was Maerlants Hollandse publiek mogelijk niet vertrouwd met
‘ons’ verhaal en kende het alleen maar mondeling circulerende verhalen over de
vos. Er zijn aanwijzingen dat de tekst na 1275 een tweede leven als schooltekst
kreeg en daardoor de status van ‘klassieker’. Ik hoop daar in een latere publicatie
op terug te komen. Als een aanvullend argument kan dit natuurlijk niet
gelden.
Het debat over fictie komt mij eerder voor als een debat over de verhouding
tussen triviale mondelinge verhalen en serieuze literatuur die (morele) waarheid
probeert over te brengen. Boerden vallen natuurlijk onder de categorie
triviale verhalen, die het publiek geen morele verheffing brengen. Vanuit het
perspectief van een schrijver van religieuze literatuur waren al snel alle andere
verhalen boerden, verhalen die geen morele verheffing boden. Esopische fabels
en ‘onze’ Reynaert waren echter verhalen die leerden wat het wezen van de
mens was en die zullen dan ook niet gekarakteriseerd zijn als een boerde. Het
zullen de mondeling circulerende verhalen over de streken van de vos en het
beuzelverhaal over Madoc, verhalen zonder een al te diepe moraal, geweest zijn
die de afkeuring van Maerlant veroorzaakt hebben. Voor de dertiende eeuw
mag niet vergeten worden dat op schrift gestelde teksten de concurrentie aangingen
met een bloeiende vertelcultuur, waarbij vaak een boerde werd verteld
om het vermaak. ‘Daer omme lachen die liede’, schrijft Boendale. Maar deze
ijdele woorden kunnen beter achterwege blijven.110
‘Eer hijt vant in zijn ghedochte’
De retoriek van de vertellersproloog
Vanuit het perspectief dat het publiek van de Reynaert vertrouwd was met
de mondeling circulerende verhalen over Madocs droom en dierverhalen kunnen
de eerste negen verzen van de proloog geïnterpreteerd worden als een
weerlegging van de verwachting dat het publiek gaat luisteren naar een boerde,
een beuzelverhaal. ‘Onze’ Reynaert is een vite, het echte verhaal over de vos.
Een verhaal waarin de waarheid gezegd zal worden.
In de eerste negen verzen van de proloog maakt de verteller zijn publiek duidelijk,
dat de dichter een verhaal met een diepere betekenis, een hogere waarheid
geschreven heeft. Om dat duidelijk te maken is eerst nog een uitweiding
over de eerste twee verzen van de Reynaert noodzakelijk. Deze eerste twee
verzen van Van den vos Reynaerde luiden:

􀂊pagina 198

􀀘pagina 199
Willem, die Madocke maecte,
Daer hi dicken omme waecte, (v.1-2)
Voor zijn vorige verhaal over Madoc heeft de dichter vele nachten doorwaakt.
In de inleiding is er al op gewezen dat in het onderzoek deze verzen
ironisch geduid worden, waken om een droom te schrijven. Regelmatig wordt
in de proloog van een literair werk beweerd, dat de dichter menige nacht doorwaakte
om zijn verhaal te schrijven.111 De betekenis van deze uitlatingen gaat
naar mijn mening verder dan dat de dichter zich zo ingespannen heeft voor het
gedicht dat hij zelfs slaap opgeofferd heeft. Een dergelijke ontboezeming aan
het begin van de Reynaert over een ander werk is eigenlijk een loze opmerking.
Waarom zou het publiek moeten weten dat hij voor een eerder werk slaap heeft
opgeofferd? Ik wil hier de hypothese naar voren brengen, dat het meer zin heeft
het waken te lezen als een geestelijke oefening, die noodzakelijk is voor een
bijzondere prestatie, delging van zonden of inspiratie voor goede werken.
Van Sophia, de vrome vrouw van de Hollandse graaf Dirk VI (1121-1157) is
bekend dat zij een groot hart voor de armen had. Dat had zij verkregen door
’s nachts te waken met ingespannen gebed. Door het waken kunnen zondige
gedachten uitgebannen worden.112 Na zijn biecht wordt Reynaert aangeraden
om de nacht door te brengen met gebed, ‘te wakene ende te lesene’ (v. 1681).
Waarschijnlijk speelde het nachtelijke, persoonlijk gebed een belangrijkere rol
in het religieus leven van leken in de twaalfde en dertiende eeuw dan gedacht
wordt.
In literaire teksten is vaak te lezen dat de dichter menige slapeloze nacht over
had voor zijn gedicht.113 In een gedicht over de biecht vraagt de verteller te bidden
voor de dichter Martijn van Torhout. Hij heeft zich veel moeite getroost
om het te schrijven en daarvoor menige nacht gewaakt.114 Jan van Boendale
verzekert in de Brabantse yeesten zijn gehoor dat hij vele boeken heeft geraadpleegd
en daarna menige nacht heeft doorwaakt om dit werk te kunnen
schrijven.115 Boendale heeft de waarheid gezocht. Ook in de Walewein wordt
een verband gelegd tussen bidden en waken. Penninc, de dichter, bad tot God
om wijsheid,
Ende menighen nacht daer omme waecte
Eer hijt vant in zijn ghedochte
Dat hi den boec ten ende brochte
Daer hi tbeghin of heift gheseit

􀂊pagina 199
􀀘pagina 200

(en vele nachten erom [om het boek, JdP] in gebed doorbracht, vooraleer
hij de stof vond in zijn geest, zodat hij het boek kon afmaken,
waarvan hij het begin [nl. de eerste regels] heeft gezegd.)116
Nog duidelijker wordt het verband tussen waken en bidden in het strofische
gedicht de Clausule vander bible. Hier spreekt Maerlant de hoop uit dat hij
niet in slaap valt, als hij waakt om een gedicht te schrijven ter ere van Maria’s
zoon. Hij bidt dat Maria hem inspireert tot ‘fraye rime’, ware dichtregels.117
Schrijven, waken en bidden worden door Maerlant op elkaar betrokken. Dat
een dichter menige nacht doorwaakt heeft, is hier zeker meer dan een persoonlijke
ontboezeming, de dichter vertelt het publiek dat hij intensief tot God
gebeden heeft voor inspiratie om zijn boek te schrijven.118
Ook in de Reynaert zal het meer betekend hebben dan dat de schrijver tot
diep in de nacht aan zijn gedicht heeft gearbeid. Met ‘daer hi dicken omme
waecte’ verzekert de verteller zijn publiek dat Willem menige nacht om inspiratie
gebeden moet hebben over de diepere betekenis van de Madoc.119 Wat de
inhoud van de Madoc is geweest, zullen we wellicht nooit te weten komen.120
We weten alleen dat deze versie van de Madoc geen beuzelverhaal geweest kan
zijn. Hij heeft het oraal circulerende verhaal op een hoger plan getild. Willem
had met de Madoc bewezen dat hij een door God geïnspireerd dichter was.
Dat roept de verwachting op dat zijn nieuwe werk dat ook zal zijn. In vers 10,
waar de tekst van de dichter zogezegd aanvangt, gaat Willem voor in gebed.
‘God moete ons ziere hulpen jonnen’. Hij bidt om inspiratie bij het schrijven
van het gedicht en hoopt dat God zijn publiek verlicht wanneer het de tekst
aanhoort.
Na de mededeling over het eerdere werk van Willem, zegt de verteller dat
deze dichter het betreurde dat het publiek nog geen kennis had kunnen nemen
van de avonturen van Reynaert, want Arnout had niet alles vertaald. Daarom
is Willem op zoek gegaan naar de ‘vijte’, de echte levensbeschrijving, van Reynaert
in Franse boeken. Dat Willem gewerkt heeft naar meerdere bronnen
heeft Bouwman aangetoond.121 De combinatie ‘avonture’ en ‘vijte’, geeft aan dat
het verhaal over het hachelijk avontuur van Reynaert op een of andere manier
claimt waar te zijn.
Hierboven bleek dat het woord ‘vijte’ in veel gevallen verwijst naar een betrouwbare,
geschreven bron, die vaak in het Latijn opgesteld was. De verwijzing
in de Reynaert is hoogst ongebruikelijk voor een literaire tekst die zich
baseert op Franse bronnen en nog meer voor een fictionele tekst. Door het

􀂊pagina 200
􀀘pagina 201
woord ‘vijte’ te gebruiken maakt Willem wel duidelijk dat hij het echte verhaal
over Reynaert vertelt en niet één van die beuzelverhalen die rondzingen. Willem
is overigens zeer vrij met zijn bronnen omgesprongen en verweefde ook
orale verhalen in zijn bewerking.122 De moraal van het verhaal is echter niet
anders dan die van zijn Franse voorbeelden: de Reynaert eindigt op een zelfde
manier als zijn Franse voorbeeld.123
De dichter baseert zich op moreel hoogstaande teksten die in de kringen van
de Franse adel worden voorgedragen. Dan valt in de eerste plaats te denken
aan de omgeving van de Vlaamse gravin Margaretha, mogelijk zijn opdrachtgeefster.
De boeken van de gravin bevatten een ethische waarheid. Er kan uit
geleerd worden wat wijsheid is. Ook voor deze tekst zal hij nachten doorwaakt
hebben, om het verhaal zo te bewerken dat het van toepassing is voor het publiek
van een hofdag die gehouden werd in Gent. Door zijn vertaling kan een
Nederlandstalig Vlaams publiek participeren in de hoogstaande Franse hofcultuur.
124
Conclusie
Het gebruik van het woord ‘vijte’ in de proloog van de Reynaert is opmerkelijk.
Het woord vite behoort niet tot het register van fictionele teksten. Het
gangbare idee dat in de proloog van de Reynaert het woord ‘vijte’ gebruikt
wordt om een intertekstueel verband met het genre van het heiligenleven te
leggen, lijkt in strijd met de veel ruimere betekenis die het begrip vite had in
het Middelnederlands. Vite hoeft niet heiligenleven te betekenen, het woord
kan betrekking hebben op het leven, de levenswijze of levensbeschrijving van
om het even welke persoon, zelfs van hypocrieten.
Wanneer het woord vite gebruikt wordt voor een geschreven tekst, dan
hechtte het middeleeuwse publiek daar de betekenis aan van een gezaghebbende,
betrouwbare tekst. Vanzelfsprekend was de Bijbel zo’n tekst en ook
werd Plinius’ Natuurlijke historiën ertoe gerekend. Daarbij gaat het om teksten
in het Latijn. Een enkele maal werd ook een betrouwbare tekst in de volkstaal
aangeduid als een vite. Het verhaal over Lacerise noemt de schrijver een
‘vite’ omdat het pretendeert waar te zijn. De dichter van de Grimbergse oorlog
gebruikt het begrip om zijn geloofwaardige, heraldische bron aan te duiden.
Volgens de verteller van Willems gedicht hoorden ‘de Walschen boucken’ met
Reynaerts ‘aventure’ ook tot de categorie van betrouwbare viten. De Franse

􀀘pagina 201

􀀉pagina 202
boeken met de ‘vijte’ van Reynaert heeft hij namelijk daadwerkelijk gezocht.
De dichter gebruikt het woord ‘vijte’ bijgevolg niet in een ironische context.
De Roman de Renart is geen betrouwbare tekst vanwege de feitelijke informatie,
maar vanwege de diepere waarheid die in dit verhaal te vinden was. Het
zal geen toeval zijn dat de eerste negen verzen van de Reynaert in de mond van
een verteller gelegd worden. De verteller houdt zijn gehoor voor dat het gedicht
van Willem een bonafide verhaal is. De eerste negen verzen van Van den Vos
Reynaerde hebben de retorische functie om duidelijk te maken dat Willem
een gezaghebbend persoon is. Hij is niet de schrijver van zomaar een verzonnen
verhaal, een boerde, maar hij heeft nachten doorwaakt om hoogstaande
literatuur te bewerken voor zijn publiek. ‘Vijte’ in vers 7 drukt uit dat het geen
beuzelverhaal was, maar het echte, ethisch ware, verhaal over Reynaert, waarin
veel ‘lere ende wijsheit’ te vinden is. Naar deze goede bron heeft de dichter
Willem zijn verhaal geschreven.
Willems verhaal is op een bijzonder succesvolle manier de concurrentie
aangegaan met de boerden die werden verteld over Reynaert. Van den vos
Reynaerde (samen met het vervolg) is al in de middeleeuwen de klassieke
schooltekst over de vos geworden en deed de verhalen die mondeling circuleerden
verdwijnen.
In dit artikel heb ik getracht de Reynaert te duiden tegen de achtergrond
van het spanningsveld tussen mondelinge vertelkunst en schriftelijk overgedragen
viten, betrouwbare letteren. In de tweede helft van de dertiende eeuw
emancipeerden de Dietse letteren zich van een orale tot een schriftelijke cultuur.
Van den vos Reynaerde is dé cross-over van de orale naar de schriftelijke
cultuur. Het woord ‘vijte’ in de proloog van de Reynaert drukt de ambitie uit
om deel te hebben aan de cultuur van het schrift. Die ambitie maakt Willem
tot een van de meest moderne dichters van zijn tijd, zo niet de modernste.
Willem wil geen fictie/boerden schrijven, maar de waarheid op schrift stellen.
Al zal die waarheid niet iedereen welgevallig zijn, zo vreest de dichter in het
tweede gedeelte van de proloog.

􀂊pagina 202
􀀘pagina 203
Bijlage
Citaten uit het Dyckse en Comburgse handschrift
I. De citaten uit het Dyckse handschrift
De citaten uit het Dyckse handschrift zijn naar de digitale editie, te raadplegen via
de site van de universiteitsbibliotheek van Münster: http://miami.uni-muenster.
de/. Het pdf-document heeft als internetadres: http://repositorium.uni-muenster.
de/document/midos/820415cc-9b48-49bf-952d-cfc719dd503c/dycksche-hs_komplett.
pdf.
Der naturen bloeme
Sinte ieronimus heeft bescreuen/Jn sinte pouwels vite, v. 294-295.
Cd-rom Middelnederlands: CGII, Der naturen bloeme, v. 288-289.
Der naturen bloeme
Ende alexanders viten / Was sulc bucifal sijn paert, v. 2131-2132.
Cd-rom Middelnederlands: CGII, Der naturen bloeme, v. 2320-2321.
Opmerking: dit vers is corrupt overgeleverd in het Dyckse handschrift, lees voor
Ende: Men vint in. Vgl. hiervoor de tekst van Der naturen bloeme volgens het Detmoldse
handschrift in CGII.
Der naturen bloeme
Wel betekent des vanels vite / Tleuen vanden ypocrite, v. 7757-7758.
Cd-rom Middelnederlands: CGII, Der naturen bloeme, v. 8195-9196.
Der naturen bloeme
Aristotiles ende plinius / Entie grote basilius / Ambrosius ende iacob van vitri /
Ende ysidorus ende daer bi / Nomic bi namen / Om dattie meeste sijn te samen /
Die siten scriuen bi naturen, v. 9417-9423.
Cd-rom Middelnederlands: CGII, Der naturen bloeme, v. 9872-9878.
Opmerking: het VMNW s.v. cite merkt op dat andere handschriften hier viten
i.pl.v. citen hebben.
Der naturen bloeme
Margrita als plinius seget / Js een visch die te dragen pleget / Die fine perlen die margriten
/ Jn dien segemen sine viten / Vintmen een groet deel van desen, v. 9737-9751.
Cd-rom Middelnederlands: CGII, Der naturen bloeme, v. 10201-10206.

􀂊pagina 203
􀀘pagina 204
Opmerking: In het Detmoldse handschrift, afgedrukt in CGII, staat niet Plinius
maar Solinus. In plaats van Jn dien segemen sine staar er het beter begrijpbare jn
India segghen die viten.
Der naturen bloeme
Seit plinius in sinen viten, v. 10975.
Cd-rom Middelnederlands: CGII, Der naturen bloeme, v. 11451.
Der naturen bloeme
Jn libie den dragoniten / Vintmense seggen de viten, v. 14802-14803.
Cd-rom Middelnederlands: CGII, Der naturen bloeme, v. 15301.
Opmerking: In het Detmoldse handschrift, afgedrukt in CGII, staat niet den dragonieten,
maar het beter begrijpbare in traghediten.
II. De citaten uit het Comburgse handschrift
De citaten uit Comburg zijn naar de diplomatische editie bezorgd door Brinkman
en Schenkel: Herman Brinkman en Janny Schenkel (eds.), Het Comburgse handschrift.
Hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. Poet. Et phil. 2°
22. Hilversum, 1997. [Middeleeuwse verzamelhandschriften uit de Nederlanden
IV, I en IV, 2]
Aangegeven is in welk van de samenstellende delen van het Comburgse handschrift
het citaat zich bevindt en door welke kopiist het geschreven is.
Die rose (deel I, kopiist A)
Dat altoes haten ypocriten / die waerheit van haren viten, p. 294, r. 21-22
Cd-rom Middelnederlands: Rijmteksten, Rose, v. 7631-7632.
Jacob van Maerlant, Heimelicheit der heimelicheden (deel II, kopiist I)
Wat vellede in ouden viten / Dat sterke rike vanden siten, p. 478, r. 25-26.
Cd-rom Middelnederlands: Rijmteksten, Heymelijchede der heymelijcheit, v. 711-
712.
Van den vos Reynaerde (deel IV, kopiist E)
Dat hi die vijte van Reynaerde soucken, p. 859, r. 28
Voor de paralleloverlevering van dit vers zie voetnoot 3.
Jan van Boendale, Hier beghinnen die Pausen up XIII Ende striken voort tote
kaerle ende wat elke zeit, [uit: Der leken spieghel] (deel V, kopiist F)

􀂊pagina 204
􀀘pagina 205
Vernemen souden verre ende by / Die viten der martelaren / Ende in scriften die
bewaren, p. 1031, r. 38, p. 1032, r. 39-40.
Cd-rom Middelnederlands: Rijmteksten, Der leken spieghel, boek II, cap. XCIII,
v. 36-38.
Jan van Boendale, Hoe zilvester den drake bant, [uit: Der leken spieghel] (deel V,
kopiist F)
Was in scollant Sente brandaen / In wies vite als ic las, p. 1070, r. 16-17.
Cd-rom Middelnederlands: Rijmteksten, Der leken spieghel, boek II, cap. XCVII,
v. 629-630.
Jan van Boendale, Hoe zilvester den drake bant, [uit: Der leken spieghel] (deel V,
kopiist F)
Datti daer / Sente mertens vite screef claer, p. 1070, r. 31-32.
Cd-rom Middelnederlands: Rijmteksten, Der leken spieghel, boek II, cap. XCVII,
v. 644-645.
Jan van Boendale, Hoe dichters dichten zullen en wat si antieren sullen, [uit: Der
leken spieghel] (deel V, kopiist E)
Dandre willic hv ruren / Dat zijn heleghe scriftueren / Als vyten van heleghen lieden,
p. 1139, r. 19-23.
Cd-rom Middelnederlands: Rijmteksten, Der leken spieghel, boek III, cap. CXXVI,
v. 209-211.
Van tween ghesellen die elc voer andren steruen wilden (deel V, kopiist E)
Doe moesti bliuen in crancker vite / Arem allendich ende onuerduldich, p. 1192,
r. 26-27.
Deze tekst bevindt zich niet op de Cd-rom Middelnederlands.
Rijmkroniek van Vlaanderen (Deel VI, kopiist A)
Want ons telt die vite / Dat hine vanden scapen vinc / Ende maecter af eenen coninc,
p. 1229, r. 3-4.
[het gaat hier om David] Deze tekst bevindt zich niet op de Cd-rom Middelnederlands.

􀂊pagina 205

􀀘 pagina 206
NOTEN
1 Jozef Janssens, ‘Een meesterwerk van dubbelzinnigheid’, in: Jozef Janssens, Rik van Daele,
Veerle Uyttersprot en Jo de Vos, Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift,
Leuven, 19912, p. 178-179 (citaat p. 178). F. Lulofs, Van den vos Reynaerde. De tekst kritisch
uitgegeven, met woordverklaring, commentaar en tekstkritische aantekeningen, (Tweede
verbeterde druk), Groningen, 1985 [eerste druk 1983], p. 197-198. Lieneke Verheijen,
‘Reynaert als dichter’, in: Tiecelijn, 20 (2007), p. 151-152. Verheijen concludeert op p. 152:
[Willem] ‘draagt (…) een moderne literatuuropvatting uit.’
2 Naar mijn mening wordt vers 10 in de moderne edities ten onrechte gerekend tot de
tekst van de verteller. Het valt echter buiten het bestek van dit artikel om hier nader op in
te gaan. De eerste tien verzen van de proloog zijn wel toegeschreven aan iemand anders dan
Willem. R. van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den vos Reynaerde, Gent, 1994, p. 66
en p. 221. In 1931 schrijft Muller de eerste proloog toe aan een vierde bewerker en in 1944
aan een tweede bewerker, mogelijk Willem. J.W. Muller, ‘Reinaert-studiën. III. Aernout en
Willem. B. Het dubbel auteurschap van Reinaert I, A en B’, in: Tijdschrift voor Nederlandse
Taal- en Letterkunde, 53, Leiden, 1934, p. 165. J.W. Muller (ed.), Van den vos Reynaerde.
Inleiding met aanteekeningen. Lijst van eigennamen. Tekst, Leiden, 19443, p. 23-24. De
visie van Muller wordt in het moderne onderzoek niet meer onderschreven. L. Peeters, ‘Het
auteurschap in de Reinaertprologen’, in: Wetenschappelijke tijdingen, 29 (1970), kol. 265-
272. A.+. Bouwman, Reinaert en Renart. Het dierenepos Van den vos Reynaerde vergeleken
met de Oudfranse Roman de Renart, Amsterdam, 1991, p. 418 en p. 593 (noot 161).
3 In Comburg luidt vers 7: Dat hi die vijte van Reynaerde soucken (A, v.7). In het Dyckse
handschrift, Dat hi die vite dede soucken (F, v. 7) en in Reynaerts historie is het vers overgenomen:
Daerom dede hi die vite zoeken. (B, v. 7). A, F en B geciteerd naar: W.Gs Hellinga
(ed.), Van den vos Reynaerde. Deel I. Teksten. Diplomatisch uitgegeven naar de bronnen
vóór het jaar 1500, Zwolle, 1952. Duidelijk is dat in Comburg een werkwoord ontbreekt in
het vers. Voor alle edities is Comburg de basis, maar begrijpelijkerwijs hebben alle uitgevers
dit vers geëmendeerd naar het Dyckse handschrift, daarbij gesteund door de lezing in Reynaerts
historie. De emendatie is al te vinden in Jonckbloet en Van Helten. Zij kenden het
Dyckse handschrift nog niet. W.J.A. Jonckbloet (ed.), Vanden vos Reinaerde, Groningen,
1856, p. 1; W.L. van Helten (ed.), Van den vos Reynaerde, Groningen, 1887, p. 1. Ik citeer
hier de belangrijkste moderne uitgaven. F. Buitenrust Hettema en H. Degering (eds), Van
den vos Reynaerde, uitgegeven naar het Comburgse en Darmstadse Handschrift, Zwolle,
19212, p. 2. [vgl. ook F. Buitenrust Hettema, Van den vos Reynaerde, Deel 2. Inleiding-
Aanteekeningen-Glossarium, Zwolle [1910], p. 1; J.W. Muller, Van den vos Reynaerde.
Inleiding met aanteekeningen. Lijst van eigennamen. Tekst, Leiden, 19443, p. 7. [vgl. J.W.
Muller, Critische commentaar op van den vos Reinaerde naar de thans bekende handschriften
en bewerkingen, Utrecht 1917, p. 158. J.W. Muller, Van den vos Reynaerde. Exegetische
Commentaar, Leiden, 1942, p. 4.]; L.M. van Dis (ed.), Van den vos Reynaerde,
Groningen, 197220, p. 59; F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 69 en p. 297; Jozef Janssens,
Rik van Daele, Veerle Uyttersprot, Jo de Vos, Van den vos Reynaerde. Het Comburgse
handschrift, p. 102; André Bouwman en Bart Besamusca (eds), Van den vos Reynaerde,

􀂊pagina 206

􀀘pagina 207
Amsterdam, 2002. [Reynaert in tweevoud, deel 1], p. 11 en 240; André Bouwman en Bart
Besamusca (ed.), Of Reynaert the fox. Text and facing translation of the Middle Dutch
Beast epic. Translated by $ea Summerfield, Amsterdam, 2009, p. 42 en 251.
4 M. de Vries. ‘Fragmenten eener Nederduitsche vertaling van de roman van Barlaäm en
Josaphat met eene inleiding en aanteekingen’, in: A. de Jager (red.), Taalkundig Magazijn
of gemengde bijdragen tot de kennis der Nederduitsche Taal, IV (1842), p. 75-76. W.J.A.
Jonckbloet (ed.), Vanden vos Reinaerde, p. 176.
5 Het MNW is geraadpleegd via de Cd-rom Middelnederlands. Den Haag/Antwerpen,
1998. Het lemma vite is te vinden in Deel IX van het MNW verschenen in 1929. De lemma’s
tot weigerlike zijn van de hand van J. Verdam, die in 1919 was overleden. Karina van Dalen-
Oskam, ‘J. Verdam’, in: Bio- en bibliografisch lexicon van de Neerlandistiek. Digitale publicatie
http://www.dbnl.org/tekst/anro001bioe01_01/verd003.php oktober 2003 (geraadpleegd
augustus 2014).
6 André Bouwman en Bart Besamusca (eds), Van den vos Reynaerde, p. 11. André Bouwman
en Bart Besamusca, ‘Over de vos Reynaert. Een prozavertaling van Van den vos Reynaerde’,
in: Tiecelijn, 20 (2007), p. 109. André Bouwman en Bart Besamusca (eds), Of Reynaert
the fox, p. 42.
7 A.+. Bouwman, Reinaert en Renart, p. 39-40.
8 F. Lulofs (ed.), Van den vos Reynaerde, p. 200.
9 Paul Wackers (ed.), Reynaerts historie, Amsterdam, 2002. [Reynaert in tweevoud, deel
2], p. 361.
10 Jozef Janssens, ‘Een meesterwerk van dubbelzinnigheid’, in: Jozef Janssens e.a., Van den
vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, p. 178-179.
11 F. Lulofs, Van den vos Reynaerde, p. 200.
12 René Broens, ‘De onbarmhartige Reynaert’, in: Tiecelijn 23, p. 259-260. Broens
schrijft op p. 259 van ‘De onbarmhartige Reynaert’: ‘‘Dat hi die vite dede soucken’ staat er
in het Dyckse handschrift en ‘Dat hi die vijte van Reynaerde soucken’ in het Comburgse, en
‘vite’ verwijst, aldus het Vroegmiddelnederlands Woordenboek, naar een ‘levensbeschrijving’
(p. 5249). Datzelfde woordenboek voegt er ‘inz. hagiografie’ (p. 5249) aan toe en daarmee
geeft het aan dat ‘vite’ vooral op het leven van een heilige slaat.’ Broens reduceert hier
de vier betekenissen van het woord ‘vite’ die het VMNW geeft tot één. In zijn graphic novel
vertaalt hij vers 7 in een viervoetige jambe als ‘dat hij de vita ging zoeken‘. Marc Legendre en
René Broens, Reynaert de vos. Amsterdam/Antwerpen 2010, niet gepagineerd. In een eerder
verschenen artikel in Tiecelijn uit 2005 vertaalt Broens vijte als ‘Reynaerts stichtelijke
leven’. René Broens, ‘Diet verstaen met goeden sinne’, in: Tiecelijn, 18 (2005), p. 214. Broens
opvattingen zijn ook korter weergeven in: René Broens, ‘Madoc in Madoc’, in: Madoc. Tijdschrift
over de Middeleeuwen, 24 (2010), p. 13-16.
13 Gerard Sonnemans, Functionele aspecten van Middelnederlandse versprologen. Een
wetenschappelijke proeve op het gebied van de letteren. Boxmeer 1995. Deel I, p. 226-227.

􀂊pagina 207
􀀘pagina 208
14 Jo Reynaert, ‘Botsaerts verbijstering. Over de interpretatie van “van den Vos Reynaerde”’,
in: Spiegel der letteren, 38 (1996), p. 44-61, m.n. p. 51. Jo Reynaert, ‘Botsaerts verbijstering.
Over de interpretatie van “van den Vos Reynaerde”’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.),
Pade crom en menichfoude. Het Reynaert-onderzoek in de tweede helft van de twintigste
eeuw, Hilversum, 1999, p. 267-283, m.n. p. 274.
15 Cd-rom Middelnederlands, Den Haag/Antwerpen, 1998. Gezocht is in het MNW,
het Corpus Gysseling ambtelijke bescheiden, Corpus Gysseling literaire handschriften,
rijmteksten en prozateksten.
16 Het handschrift-Van Hulthem is digitaal beschikbaar op de website van de dbnl: http://
http://www.dbnl.org/arch/_hul001hult02_01/pag/_hul001hult02_01.pdf. De editie is die van
Brinkman en Schenkel. Herman Brinkman en Janny Schenkel (ed.), Het handschrift-Van
Hulthem. Hs. Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623, Hilversum, 1999. Datering
handschrift: p. 47.
17 Herman Brinkman en Janny Schenkel, Het Comburgse handschrift, p. 82-83.
18 Everardus A. Overgaauw, ‘Die Dycksche Handschrift. Ihre Entdeckung, Herkunft,
Datierung und früheren Besitzer’, in: Bertram Haller en Hans Mühl, Westfälische Wilhems-
Universität. Die Dycksche Handschrift, Berlijn/Münster 1992, p. 48-52.
19 Lieneke Verheijen, ‘Reynaert als dichter’, in: Tiecelijn, 20 (2007), p. 142-152. Roel Zemel,
‘Vlaanderen omstreeks 1250: spreken over literatuur’, in: Voortgang. Jaarboek voor de
neerlandistiek, 30 (2012), p. 45-54.
20 Vroegmiddelnederlands Woordenboek (VMNW) s.v. vite. Dit woordenboek is net als
het MNW en het WNT te raadplegen via de site van de geïntegreerde taalbank: http://gtb.
inl.nl/ zoeken onder vite. Het Vroegmiddelnederlandsch Woordenboek verscheen eerst in
druk in 2001. W.J.J. Pijnenburg e.a., (red.), Vroegmiddelnederlands Woordenboek. Leiden
2001.
21 WNT s.v. vite.
22 Muller-Renkema, Beknopt Latijns-Nederlands Woordenboek. Groningen 196712, s.v.
vita.
23 Walter Prevenier, Uit goede bron. Introductie tot de historische kritiek, Leuven/Apeldoorn,
1992, p. 194 en p. 197. Middeleeuwse teksten hebben doorgaans geen titel. In veel
handschriften staat echter vermeld dat dit de Vita Karoli Magni is. Vergelijk bijvoorbeeld de
afbeeldingen in: M. Tischler, Einharts Vita Karoli. Studien zur Entstehung, Überlieferung
und Rezeption, Hannover, 2001, afbeeldingen tussen p. 26 en 27. De editio princeps uit
1521, gedrukt bij Johannes Soter heeft als titel Vita et gesta Karoli. Frank Pohle (ed.), Karl
der Grosse, Charlemagne. Orte der Macht, Dresden, 2014, p. 266-267 (met afbeelding).
24 John V. Tolan, Saracens. Islam in the Medieval European imagination, New York,
2002, p. 137. Tolan vermeldt ook Adelphus Vita Machometi. Deze titel komt echter niet
voor in de enig bewaarde bron. B. Bisschoff (ed.), Anecdota Novissima. Texte des vierten
und bis sechzehnten Jahrhunderts, Stuttgart, 1984, p. 106. De tekst van Embrico van

􀂊pagina 208
􀀘pagina 209
Mainz, wordt in vier handschriften aangeduid als Vita Mahumeti of een variant daarop. (hs.
Ph, hs. R, hs. O, hs. Oa), Guy Cambier (ed.), Embricon de Mayence, La vie de Mahomet,
Brussel/Berchem, 1962, p. 38-44.
25 Spiegel historiael, Ie partie, boek 8, cap. VIII, v. 41.
26 Herman Brinkman en Janny Schenkel, Het Comburgse handschrift, p. 82-83.
27 Vgl. ook het Woordenboek der Nederlandschen taal (WNT), s.v. vite. [lemma gepubliceerd
in 1964].
28 Gheesteliken tabernakel, 2, 101; Gheesteliken tabernakel, 2, 330; Vanden twaelf beghinen,
4, 125; Vanden twaelf beghinen, 4, 207; Vanden twaelf beghinen, 4, 208 en Bijbelvertaling
van 1360, 3, 261.
29 Clara Strijbosch, De bronnen van de reis van Sint Brandaan, Hilversum, 1995,
p. 21-26.
30 Der leken spieghel, boek II, cap. XCVII, v. 644-645.
31 Ludo Jongen (ed.), Het leven van de heilige bisschop Sint Ludger (met facsimile van
handschrift), Hilversum, 2009, p. 46.
32 MNW s.v. legende.
33 Ludo Jongen e.a. (eds), Het leven van de zalige maagd sint Clara. De Middelnederlandse
bewerking van de Legenda Sanctae Clarae Virginis, Megen, 1988, p. 36.
34 Brandaen, v. 116.
35 Spiegel historiael, Ie partie, boek 4, cap. XXV, v. 48.
36 Spiegel historiael, IVe partie, boek 2, cap. XVI, v. 12.
37 Brabantse yeesten, deel II, v. 4133-4134.
38 Vanden twaelf beghinen, deel 4, 125.
39 Beatrijs, v. 109.
40 Spiegel historiael, IIe partie, boek 7, cap. XXX, v. 117.
41 Madelgijs, [handschrift IV, fragm. Parijs], v. 26-27.
42 Gedichten, XXVI, v.155-156. Vgl. MNW s.v. vite bet. 5. De tekst is uitgeven in: Karel
Eykman (vert.) en Fred Lodder (ed.), ‘Vanden paep die sijn baeck ghestolen wert’, in: Van
de man die graag dronk en andere Middelnederlandse komische verhalen, Amsterdam,
2002, p. 174-185 en p. 213. In het gedicht gaat het over een pastoor die de absolutie geeft in
ruil voor twee gestolen hammen. Wanneer de pastoor erachter komt dat hij opdracht gegeven
heeft de hespen uit zijn eigen huis te laten stelen, verhoogt Hildegaersberch de spanning
door te zeggen: luister naar een nieuwe vite. Die nieuwe vite is dat de pastoor ervan afziet
aangifte te doen van de diefstal, bang als hij is te schande gemaakt te worden. In zijn editie
van het gedicht verklaart Kruyskamp ‘nyewe vite’ als ‘een nieuw, een nooit gehoord verhaal’.

􀂊pagina 209
􀀘pagina 210
C. Kruyskamp (ed.), De Middelnederlandse boerden, Den Haag, 1957, p. 68. Over de formule
zie ook: F.J. Lodder, Studies over de Middelnederlandse komische versvertellingen,
Ridderkerk, 1996, p. 105. Over het gedicht: F.J. Lodder, Lachen om list en lust, passim, m.n.
p. 51-52 en p. 223-224. Verder T. Meder, Sprookspreker in Holland. Leven en werk van
Willem van Hildegaersberch (ca. 1400), Amsterdam, 1991, p. 338-339.
43 Der minnen loep, boek 2, v. 1916-1917. Vgl. MNW s.v. vite bet. 6.
44 Der leken spieghel, boek IV, cap. CXV, v. 190.
45 Der leken spieghel, boek I, cap. XXV, v. 96.
46 Rijmkroniek van Woeringen, v. 574-575.
47 Spiegel historiael, IVe partie, boek 1, cap. XVII, v. 3.
48 Spiegel historiael, IIIe partie, boek 8, cap. XLIII, v. 2-3.
49 Brabantse yeesten, deel II, v. 1124-1126.
50 Boec vander wraken, deel II, v. 495-497.
51 Spiegel historiael, IIIe partie, boek 3, cap. VIII, opschrift. Vertaling ‘van sinen groten
viten’. Frits van Oostrom, Jacob van Maerlant, Spiegel historiael. Bloemlezing, Amsterdam,
1994, p. 95.
52 Rijmbijbel, v. 32820-32821.
53 Spiegel historiael, Ie partie, boek 4, cap. LVII, m.n. v. 35-36.
54 Spiegel historiael, Ie partie, boek 8, cap. LXV, v. 56. De passage is besproken door Petra
Berendrecht in: Petra Berendrecht, ‘‘Dat nuttelijc te horen doet.’ Het Seneca-deel in de Spiegel
historiael’, in: J. Reynaert e.a., Wat is wijsheid. Lekenethiek in de Middelnederlandse
letterkunde, Amsterdam, 1994, p. 65.
55 Geciteerd naar Geert Claassens, Anda Schippers, Gerard Sonnemans, Paul Wackers
(ed.), ‘Van enen liebaerde ende vanden vos Reinaerde’, in: H. van Dijk, W.P. Gerritsen, Orlanda
S.H. Lie en Dieuwke E. van der Poel, Klein kapitaal. Zeventien teksten uit Hs.
Brussel, K.B. 15.589-623 uitgegeven en ingeleid door Neerlandici, verbonden aan tien
universiteiten in Nederland en België, Hilversum, 1992, p. 146-152, p. 151 (citaat, v. 118)
en p. 152 (aantek). Diplomatisch uitgegeven in: Herman Brinkman en Janny Schenkel (ed.),
Het handschrift-Van Hulthem. Hs. Koninklijke Bibliotheek van België, 15.589-623, Hilversum,
1999, p. 965-970 (tekst 187).
56 MNW. s.v. vite, bet. 6.
57 F.P. van Oostrom, Reinaert primair. Over het geïntendeerde publiek en de oorspronkelijke
functie van Van den vos Reinaerde, Utrecht, 1983, p. 36 (Appendix III). [niet opgenomen
in: F.P. van Oostrom, ‘Reinaert primair. Over het geïntendeerde publiek en de oorspronkelijke
functie van Van den vos Reinaerde’, in: Hans van Dijk en Paul Wackers (red.),
Pade crom en menichfoude.]
􀂊pagina 210
􀀘pagina 211
58 Esopet, v. 1498-1499 en vers 1598.
59 Vgl. ook het Woordenboek der Nederlandschen taal (WNT), s.v. vite. [lemma gepubliceerd
in 1964].
60 MNW s.v. regiment, bet. 4 en WNT s.v. regiment, bet. 4 en 5
61 Geciteerd in MNW s.v. vite, bet. 6 en WNT s.v. vite, bet. 2.
62 Geciteerd in WNT s.v. vite, bet. 3
63 MNW s.v. vite, bet. 6.
64 Aldus de website van de etymologiebank: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/
vita geraadpleegd 2 augustus 2014). De etymologiebank verwijst als bron naar: P.A.F. van
Veen en N. van der Sijs, Van Dale Etymologisch woordenboek (1997).
65 Spiegel historiael, IVe partie, boek 3, cap. II, v. 1-4. Petra Berendrecht, Proeven van
bekwaamheid. Jacob van Maerlant en de omgang met zijn Latijnse bronnen, Amsterdam,
1996, op p. 88-189. Op p. 188 vermeldt zij: ‘Terloops zij opgemerkt dat Maerlant naar zijn
bron verwijst als die vite’.
66 Spiegel historiael, Ie partie, boek 7, cap. XCI, v. 5.
67 Rijmbijbel, v. 10141-10142.
68 Alexanders geesten, boek 4, v. 771-773.
69 Grimbergse oorlog, deel II, v. 4758. Voor de juiste interpretatie van deze passage vgl.
MNW s.v gecasteleert.
70 Grimbergse oorlog, deel II, v. 1853. Vgl. ook v. 2005.
71 Wim van Anrooij, Spiegel van ridderschap. Heraut Gelre en zijn ereredes, Amsterdam,
1990, p. 13-14. De heraldiek in de Grimbergse Oorlog komt ter sprake op p. 153-154.
72 Sente Lutgart, 2, v. 462.
73 MNW s.v. aventure bet. II. Een opvallende uitzondering is de passage over de prostituee
die de Israëlische verspieders in Jericho bezoeken: ‘Hiet Raab die van haren liue / Ghemene
was tellet dauenture’. Rijmbijbel vs. 6468-6469. (Bijbel, Jozua 2,1-2: Rachab).
74 Roman der Lorreinen, frag. 13-15, v. 344-347.
75 Spiegel historiael, IIIe partie, boek 5, cap. XXXI, v. 67-72.
76 Ea. Nieboer, J.+. Verhulsdonck, ‘Lais, fabliau’s, roman de Renart’, in: R.E.V. Stuip
(red.), Franse literatuur van de middeleeuwen, p. 135.
77 De tekst is uitgeven in de Van de man die graag dronk. Karel Eykman (vert.) en Fred
Lodder (ed.), ‘Van Lacarise den katijf, die een ander sach bruden sijn wijf ’, in: Van de man die
graag dronk en andere Middelnederlandse komische verhalen, Amsterdam, 2002, p. 30
en p. 142-147 en p. 212. Diplomatisch uitgegeven in: Herman Brinkman en Janny Schenkel
(eds), Het handschrift-Van Hulthem, Hilversum, 1999, p. 860-863 (tekst 163).

􀂊pagina 211
􀀘pagina 212
78 F. J. Lodder, Lachen om list en lust, p. 39-40 en p. 167.
79 F. J. Lodder, Lachen om list en lust, p. 228.
80 MNW s.v. aventure bet. 1.
81 Adriaan H. Bredero, Christenheid en christendom in de middeleeuwen. Over de verhouding
godsdienst, kerk en staat, Kampen/Kapellen, p. 15. Lodder verwijst naar deze publicatie
maar verzuimt te vermelden dat Bredero erop wijst dat de verering tot Zuid-Frankrijk
beperkt bleef. Donald Attwater, $e Penguin Dictionary of Saints. Harmondsworth, 1983,
p. 231 s.v. Marys, the three. [Second edition. Revised and updated by Catherine Rachel John.]
82 Karel Eykman (vert.) en Fred Lodder (ed.), ‘Van Lacarise den katijf, die een ander sach
bruden sijn wijf ’, p. 30. Zie ook Herman Brinkman en Janny Schenkel (eds), Het handschrift
Van Hulthem, p. 860-863.
83 Ik maak hier gebruik van de synoptische editie van de Roman de Renart en de Reynaert.
A.Th. Bouwman, Reinaert en Renaert, p. 431.
84 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur
vanaf het begin tot 1300, Amsterdam, 2006, p. 502.
85 Rijmbijbel, v. 34813-34814. Jozef Janssens, ‘Een meesterwerk van dubbelzinnigheid’,
p. 174. F.P. van Oostrom, Maerlants wereld, Amsterdam, 1996, p. 448.
86 Roel Zemel, ‘Vlaanderen omstreeks 1250: spreken over literatuur’, in: Voortgang. Jaarboek
voor de neerlandistiek, 30 (2012), p. 45.
87 Spiegel historiael, Ie partie, boek I, proloog, verzen v. 55-56.
88 P.W.M. Wackers, De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie,
Utrecht, 1986, p. 37.
89 Lieneke Verheijen, ‘Reynaert als dichter’, in: Tiecelijn, 20 (2007), p. 142-152. Roel Zemel,
‘Vlaanderen omstreeks 1250: spreken over literatuur’, p. 45-54.
90 P.W.M. Wackers, De waarheid als leugen, p. 18-38, m.n. p. 25-27 en p. 37.
91 F.P. van Oostrom, Maerlants wereld, p. 250, p. 319 en p. 345. Pregnanter geformuleerd
in: Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 527-528.
92 Geert H.M. Claassens, ‘Leer van dit wrede dier: Instructio morum in Jacob van
Maerlants Der naturen bloeme; in: Amand Berteloot und Detlev Hellfaier (red.), Jacob van
Maerlants ‘Der naturen bloeme’ und das Umfeld: Vorläufer – Redaktionen – Rezeption,
Münster, 1992, p. 267-289.
93 Der leken spieghel, boek III, cap. XXVI, vers 133-135. Vanderheyden beschouwt de
oudere Maerlant als een rigorist, terwijl Boendale ruimer en soepeler van opvatting is. Jan
F. Vanderheyden, ‘Literaire theorieën en poëtiek in Middelnederlandse geschriften: enkele
losse beschouwingen’, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie
voor Taal- en Letterkunde. Nieuwe reeks, 1961, p. 197. Volgens Van Driel verschilt
Boendale met zijn welwillende houding tegenover bijvoorbeeld Van den vos Reynaerde fun-

􀂊pagina 212
􀀘pagina 213
damenteel van zijn literaire inspirator Maerlant. Joost van Driel, Meesters van het woord.
Middelnederlandse schrijvers en hun kunst, Hilversum, 2012, p. 122.
94 Nog niet verouderd: Jan F. Vanderheyden, ‘Literaire theorieën en poëtiek in Middelnederlandse
geschriften: enkele losse beschouwingen’, p. 173-275. Gerritsen benadrukt dat
Boendale zich afzet tegen de opkomende groep van lekendichters, die het publiek wilden
paaien met spectaculaire onware verhalen. W.P. Gerritsen, ‘De dichter en de leugenaars. De
oudste poetica in het Nederlands’, in: De Nieuwe Taalgids 85 (1992), p. 2-13 m.n. p. 17 en
W.P. Gerritsen, H. van Dijk, Orlanda S.H. Lie en A.M.J. van Buuren, ‘A fourteenth-century
vernacular poetics: Jan van Boendale’s ‘How writers should write’ (with a modern English
translation of the text by Erik Kooper)’, in: Erik Kooper (red.), Medieval Dutch literature in
its European context, Cambridge, 1994, p. 245-260 m.n. p. 249-250. Joost van Driel, Meesters
van het woord, p. 120-123; Frits van Oostrom, Wereld in woorden. Geschiedenis van
de Nederlandse literatuur 1300-1400, Amsterdam, 2013, p. 172-173.
95 Jozef Janssens, ‘Een vos op perkament’, in: Jozef Janssens, Rik van Daele, Veerle Uyttersprot
en Jo de Vos, Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift, Leuven, 19912,
p. 164.
96 [Jan van Boendale], ‘Hoe dichters dichten zullen ende wat si antieren zullen’, Herman
Brinkman en Janny Schenkel, Het Comburgse handschrift, p. 1139, v. 183-198. Interpunctie
toegevoegd, spelling genormaliseerd. In vers 183 is ‘Contepus’ geëmendeerd in ‘Ysoep’. De
rijmwoorden ‘claer’ in v. 195 en ‘swaer’ in v. 196 zijn omgewisseld. Beide emendaties op basis
van tekst op Cd-rom Middelnederlands: Der leken spieghel, boek III, cap. XXVI, vers 183-
198.
97 F. Lulofs, Van den vos Reynaerde, p. 198. P.W.M. Wackers, De waarheid als leugen,
p. 18. p. 27-28, p. 29 en p. 36 (op deze pagina bestrijdt hij de mening van Lulofs). Jozef Janssens,
‘Een vos op perkament’, in: Jozef Janssens e.a., Van den vos Reynaerde. Het Comburgse
handschrift, p. 162-164.
98 Dini Hogenelst wees erop dat het Comburgse handschrift functioneerde binnen een milieu
dat maatschappelijke verantwoordelijkheid droeg. Over het karakter van het Comburgse
handschrift: Dini Hogenelst, ‘Zoekplaatje: ‘Comburg’ versus ‘Hulthem’’, in: J. Reynaert e.a.,
Wat is wijsheid. Lekenethiek in de Middelnederlandse letterkunde, Amsterdam, 1994,
p. 269-270. Mijn onderzoek bevestigt de gedachte van Hogenelst. Het Dyckse handschrift
heeft door de combinatie van de Reynaert met Der naturen bloeme een didactisch karakter.
Blijkens een receptiegetuige op het schutblad werd de Reynaert gelezen als een boek waar
een zoon uit kon leren hoe hij met eren leven moest. Hermann Degering (ed.), Van den vos
Reynaerde nach einer Handschrift des XIV. Jahrhunderts im Besitze des Fürsten Salm-
Reiferscheidt auf Dyck, Münster, 1910, p. XV-XVI. Voor heel de middeleeuwen is er voor
Engeland voldoende bewijs voor het gebruik van fabels bij het onderwijs. Nicholas Orme, Medieval
Schools. From roman Britain to Renaissance England, New Haven en Londen, 2006,
p. 42, p. 100, en p. 124. Voor de Nederlanden is dat in ieder geval geattesteerd in de vijftiende
en zestiende eeuw. R.J. Resoort, ‘Een proper profitelijc boec.’ Eind vijftiende en zestiende
eeuw’, in: H. Bekkering e.a., De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek
in Nederland & Vlaanderen van de Middeleeuwen tot heden, Amsterdam, 1989, p. 94-102.

􀂊pagina 213
􀀘pagina 214

99 VMNW s.v. sin, MNW s.v. sin.
100 MNW s.v. menich, bijvoeglijk bet. 2: ettelijke, verscheidene, vele. VNMW s.v. menich
bijvoeglijk 1.1: enkele, vele andere.
101 Sente Lutgart, boek 2, v. 94-114. P.W.M. Wackers, De waarheid als leugen, p. 24-25.
Jozef Janssens, ‘Een vos op perkament’, in: Jozef Janssens e.a., Van den vos Reynaerde. Het
Comburgse handschrift, p. 163. Erwin Mantingh, Een monnik met een rol. Willem van
Affligem, het Kopenhaagse Leven van Lutgart en de fictie van een meerdaagse voorlezing,
Hilversum, 2000, p. 321-325.
102 Esopet v. 18.
103 Willem van Hildegaersberch Van den Serpent:
Beesten moghen by naturen
Luttel sprake nemen ane,
Om te maken goet verstane
Soe worter in ghelijck ghescreven
Figuren die exempel gheven. (v. 46-50)
Gedichten, XXIV, v. 46-50. Vgl MNW s.v. gelike (znw o.) bet. 6 ‘gelijkenis, zinnebeeldig
verhaal, een verhaal met een zedeles. P. Wackers, De waarheid als leugen, p. 30. T. Meder,
Sprookspreker in Holland, p. 86.
104 Spiegel historiael, Ie partie, boek 3, cap. III, v. 1-12. Citaat vers 12. Opmerkelijk genoeg
bespreekt Wackers dit citaat niet in De waarheid als leugen.
105 Vanden levene ons heren, vs. 5- 24, (citaat v. 24).
106 Der naturen bloeme, v. 4570.
107 Aldus de tekst in het Comburgse handschrift. Herman Brinkman en Janny Schenkel
(ed.), Het Comburgse handschrift, p. 506-507 (v. 1865-1914), citaat p. 506 (v. 1888). Vgl.
Cd-rom Middelnederlands: Heymelijchede der heymelijcheit, vs. 1873-1921, (v. 1896: ‘scalc
rechts na den vos Reynaert’ ). F.P. van Oostrom, Reinaert primair, p. 20. [herdrukt in: Hans
van Dijk en Paul Wackers (red.), Pade crom en menichfoude, p. 208.] Jozef Janssens, ‘Een
meesterwerk van dubbelzinnigheid’, p. 174. Verdenius vermeldt in de marge van zijn editie
de brontekst van Maerlant. A.A. Verdenius (ed.), Jacob van Maerlant, Heimelijkheid der
heimelijkheden, Amsterdam, 1917, p. 197: ‘versipellis et dolosus ut vulpes’.
108 Rijmbijbel, v. 34808-34820.
109 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 235, p. 260-262 en p. 469 (Reynaert).
110 [Jan van Boendale], ‘Hoe dichters dichten zullen ende wat si antieren zullen’, Herman
Brinkman en Janny Schenkel, Het Comburgse handschrift, p. 1139, v. 201-207 (citaat
v. 202). Vgl. Der leken spieghel, boek III, cap. CXXVI, v. 199-206.
111 Jozef Janssens, ‘Een meesterwerk van dubbelzinnigheid’, p. 179.
112 Jean Verdon, Night in the Middle Ages. [translated by George Holoch], Notre Dame
Indiana, 2002. Oorspronkelijk verschenen als Jean Verdon, La nuit au Moyen Âge], Parijs,

􀂊pagina 214
􀀘pagina 215
1994, p. 199-202 en p. 212-215. Tzotcho Boiadjiev ( Cočo C. Bojadžiev), Die Nacht im Mittelalter.[
Uit het Bulgaars vertaald door Barbara Müller], Würzburg, 2003, p. 280-287.
113 Gerard Sonnemans, Functionele aspecten van Middelnederlandse versprologen.
Een wetenschappelijke proeve op het gebied van de letteren, Boxmeer, 1995. Deel I, p. 123-
124. Aangevuld met citaten uit het MNW s.v. waken bet. I, 6.
114 Enaamse codex: Van der biechten: ‘Met groeter pine ende vele drum waecte’, v. 102.
115 Deze proloog is niet opgenomen op de Cd-rom Middelnederlands. Geciteerd naar:
‘Tweede proloog van de Brabantse yeesten’, in: Gerard Sonnemans, Functionele aspecten van
Middelnederlandse versprologen. Deel II, p. 28 (v. 107-112).
116 David F. Johnson, Penninc en Vostaert, Roman van Walewein, New York/Londen,
1992, p. 2-3, v. 24-27. Johnson vertaalt de verzen ‘and many a night he sat sleepless over it
before he considered in his mind that he had completed the book upon which he has started.’
117 Clausule vander bible, Strofische gedichten:
Nadien dat ic wille waken
Omme dichten ende omme maken
Rime van der moeder ons Heren,
So waert onrecht, soude mi vaken;
Maer ic bidde, dat si doe smaken
So mijn dichten ende mijn leren,
Dat ic moet in Dietscher spraken
Fraye rime also gheraken,
Haren lieven Sone teren, … (v. 14-22)
118 Vgl. Sonnemans, Functionele aspecten van Middelnederlandse versprologen, deel
I, p. 91-96.
119 Een andere verklaring geeft het MNW. Het MNW s.v. waken verklaart het waken
in dit vers als ‘zich inspannen voor, zijne krachten inspannen, eig. tot in den nacht waken.
Verheijen legt een parallel tussen het dichten van de Madoc en de verzen waarin staat dat
Reynaert ’s nachts de list bedacht, waarmee hij aan de galg dacht te ontsnappen (v. 2042-
2045). In deze verzen ontbreekt het signaalwoord waken. Lieneke Verheijen, ‘Reynaert als
dichter’, p. 147.
120 Frits van Oostrom, Stemmen op schrift, p. 496-497. Speculaties over de Madoc in:
Alexia Lagast, ‘A la recherche de l’oeuvre perdue. Kritische status quaestionis van het onderzoek
naar de Madoc’, in: Millennium, 24 (2010), p. 19-33 en in René Broens, ‘Madoc in
Madoc’, p. 13-21. Broens kent een eerdere versie van het artikel van Alexia Lagast.
121 A.+. Bouwman, Reinaert en Renart, p. 39-40.
122 F. Lulofs, Van den vos Reynaerde, p. 52. Het leugenverhaal over de samenzwering
van de vos, de wolf, de beer was waarschijnlijk op de orale traditie geïnspireerd. Met de visie
van Bouwman op de beperkte invloed van de orale traditie op de geschreven literatuur ben ik
het oneens. A.+. Bouwman, Reinaert en Renart, p. 389. (Vgl. echter ook p. 274 en p. 276
over de herkomst van het motief van de schat van koning Ermeric.)

􀂊pagina  215

􀀘pagina 216
123 Jan de Putter, ‘Vrede en pays is Van den vos Reynaerde’, in: Millennium. Tijdschrift
voor middeleeuwse studies, (2000), p. 102-103.
124 Jan de Putter, ‘Firapeel helpt!’, in: Tiecelijn, 19 (2006), p. 217-218. Sébastien Douchet,
‘Sainte Marthe et Perceval: deux figures entre exemple et divertissement, ou les oeuvres
littéraires écrites pour Jeanne de Flandre’, in: Nicolas Dessaux (red.), Jeanne de Constantinople,
comtesse de Flandre et de Hainaut, Parijs, 2009, p. 135-144.

 

Pagina 216

Einde.

Geplaatst in Boeken, Geen categorie | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Er komt een paard in de zaal! Waarom zou Ferguut zijn paard niet buiten laten staan? Eerder gepubliceerd in Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 24 (2010), p. 178-185.

Jan de Putter
Er komt een paard in de zaal!
Waarom zou Ferguut zijn paard niet buiten
laten staan?
Werkelijkheid en fictie raken elkaar soms. Dat een motor een gebouw binnenrijdt, gebeurt alleen maar in films of reclamecommercials. Bij de Leidse studentenvereniging Minerva kan die droom werkelijkheid worden. Ridders die te paard de zaal binnentreden komen ook niet alleen in Middeleeuwse verhalen voor. Tijdens het kroningsritueel van de Engelse koningen kwam een ridder de zaal in die een eventuele betwister van de troon uitdaagde het zwaard tegen hem op te nemen. Op een motor of een paard een gebouw binnengaan is in fictie een bewuste doorbreking van een sociale code. Als het in het echt gebeurt, maakt het meestal deel uit van gecultiveerde rituelen van groepen waar status van essentieel belang is.
Bij studentenvereniging Minerva in Leiden maken de huisregels een onderscheid
tussen de ‘primitieven’ van buiten en de beschaving van de corporale tradities. De
Grote Zaal schijnt daar volgens een strenge hiërarchie geordend te zijn. Op de kleine
stoelen en tafeltjes zitten de eerstejaars die nog weinig in te brengen hebben. Aan
het einde van de zaal zijn de luie haardstoelen bestemd voor zesdejaars en ouder. Elk
jaar kent zijn eigen rechten en plichten. Tweedejaars kunnen doen alsof ze thuis zijn,
want zij mogen hun voeten op de tafeltjes van de eerstejaars leggen. Vanaf het zesde
jaar mag men een langharige hond introduceren op de zaal. En een tiendejaars heeft
het recht zijn motorfiets tegen het buffet te parkeren. De gelukkige bestijgt dan met
zijn motor de brede trappen om aan het buffet een drankje te nuttigen. Het moet
een onverdeeld genoegen zijn daar te staan: met hoed, monocle, slobkousen en een
langharige hond strak aangelijnd. Inmiddels is dit een bedreigde subcultuur. Tempobeurzen lijken het onderscheid tussen ‘primitieven van buiten’ en de beschaving
op te heffen.1
Daarmee verdwijnen ook de associaties met het middeleeuwse hof, waar het onderscheid
tussen de gevestigden en de buitenstaanders eveneens constituerend was.
Tot het middeleeuwse hof hadden alleen beschaafde, hoofse lieden toegang.2 In de
Middelnederlandse ridderroman Ferguut daarentegen, rijdt een ridder te paard de

179
zaal binnen waar koning Arthur hof houdt. Het grote verschil is niet dat de motor in
dit geval is vervangen door een paard, maar dat de berijder in het geheel niet kan bogen
op enige anciënniteit. Hij is nog nooit aan het hof geweest.
De Middelnederlandse Ferguut is een vrije bewerking van de Franse roman Fergus,
een tekst geschreven voor een Brits publiek door iemand die zich Guillaume le Clerc
noemt. Deze roman was geïnspireerd door Chrétien de Troyes’ Perceval ou le conte du
graal (ca. 1190).3 De Fergus vertelt het verhaal van hoe na Percevals queeste nog een ridder aan het hof komt die Perceval zal overtreffen.
De Ferguut opent met Pinksteren.4 Koning Arthur heeft zijn hof ter gelegenheid
van deze hoogdag bijeengeroepen. Alle vooraanstaande ridders zijn aanwezig en tijdens
een spelletje willen ze wel vertellen welke avonturen hen duur zijn komen te
staan. Het mooie weer nodigt uit tot een nieuw avontuur, de jacht op het witte hert.
Als het hert gevangen is en de terugtocht is aanvaard, ziet een ploegende zoon van
een boerenkinkel koning Arthur en zijn gevolg voorbij trekken. Een vonk van ambitie
springt over. Hij wil aan het hof van koning Arthur een vooraanstaande positie
verwerven. Als intimus van de koning kan hij quade figuren van het hof verjagen.
Zijn moeder, die van adel is, begrijpt de aspiraties van haar zoon. Ze dringt er bij haar
man op aan dat hij Ferguut wapens geeft. Hij krijgt wapens van goede kwaliteit, al
zijn ze in de jaren dat ze niet gebruikt zijn roestig geworden. Een hengst wordt hem
gebracht en men reikt hem een speer en een schild aan. ‘Gi moget wel weten’, zegt de
dichter tegen zijn publiek, ‘hi was sot’ (v. 484).
Onderweg naar het hof verslaat Ferguut vier dieven. Twee ervan doodt hij en als
trofee hangt hij de hoofden aan zijn zadel. Zo rijdt hij de zaal van koning Arthur binnen.
Die knape kwam tote in die zele
gereden, daer hi den coninc sach.
Hi groetene ende bat hem goeden dach
Die ridders loegen ende maecten spot
omme dat so verre reed die sot. (v. 586-590)
[De knaap kwam de zaal binnengereden, waar hij de koning zag, en hij groette hem
beleefd. De aanwezige ridders moesten lachen en bespotten hem omdat deze onnozele
jongeman met zijn paard tot in de grote zaal gereden was.]5
Hoon van de ridders aan het hof is zijn deel. De drossaard Keye gaat daarin het verst.
Hij bespot de haveloze wapenrusting van de boerenzoon en daagt hem uit door te
zeggen dat dit de ridder moet zijn waarover de zot gesproken heeft. Ferguut is de
uitverkoren ridder die naar de zwarte rots zal gaan om een sluier en een hoorn te bemachtigen.
Ferguut voelt zich beledigd en neemt de uitdaging aan. Gawein komt
Ferguut te hulp en Keye zegt dat hij hem alleen in scherts uitdaagde. Ferguut vat de
woorden van Keye echter wel degelijk op als een belediging. Als de koning het niet
had voorkomen dan had Ferguut zich op Keye gewroken. Overmoedig kondigt hij aan
dat hij naar de zwarte rots zal gaan, waarna hij afscheid neemt van het hof.
Dit verhaal is geroemd vanwege de humorvolle beschrijvingen. Die zijn er zeker
in te vinden. Bij middeleeuwse verhalen is het natuurlijk de vraag of wat wij voor
humor aanzien ook in de Middeleeuwen als humoristisch gezien werd. De aankomst
van de haveloze Ferguut wordt door de meeste commentatoren als zeer humoristisch
180
beschouwd. Willem Kuiper zegt dat Ferguut ‘doet alsof hij thuis is’, wanneer hij met
een paard de zaal inrijdt.6 Ook thuis lijkt me dat geen aan te bevelen gewoonte. Volgens
Frits van Oostrom is Ferguut onbekend met de ridderlijke zeden.7 Zijn opvatting
wordt ondersteund door het commentaar bij een passage uit de Roman de Thèbes
(ca. 1150-1155), waarin een bange boodschapper te paard de zaal binnenrijdt. Weliswaar
draagt hij de tekens van zijn functie, maar hij is bang. Op de commentator komt
dit laffe gedrag over als vilainie.8
Ferguut is echter geen boodschapper, maar probeert zich te paard toegang tot het
hof te verschaffen. Om de betekenis te achterhalen van het te paard de zaal binnenrijden
moet de passage vergeleken worden met voorbeelden uit zowel literaire teksten
als historische bronnen waarin een ridder te paard de zaal binnenrijdt. Deels zijn ze
verzameld door Mark Girouard in zijn klassieke werk uit 1980, Life in the English Country
House, waarin hij uitvoerig de middeleeuwse hofrituelen beschrijft.9
Middeleeuwse Arthur literatuur en het coronation banquet
In Lancelot, ou le chevalier de la charrete, een andere roman van Chrétien de Troyes, komt
een onbekende ridder gewapend te paard de zaal binnen. Tegen Arthur zegt hij dat
de koning niet de macht heeft om de ridders, dames en jonkvrouwen die hij gevangen
houdt te bevrijden. Wanneer hij weg wil, draait hij zich nog een keer om en daagt
elke ridder uit om de koningin te begeleiden door het woud. Hij zal ze opwachten.10
Een ironische omkering van de agressieve ridder die binnenrijdt is te vinden in de
veertiende-eeuwse Arthurroman Sir Gawain and the Green Knight. Op oudejaarsavond

Afb. 1. Gawain onthoofdt de
Groene Ridder die te paard de zaal
inreed. Miniatuur (ca. 1400-1410)
uit het enige bewaarde handschrift
van Sir Gawain and the
Green Knight (Londen, British Library,
Cotton A.x, fol. 94v). Uit:
M. Whitaker, The Legends of King
Arthur in Art (Cambridge 1990) 78.
181
rijdt een geheel in groen geklede ridder te paard de zaal binnen waar koning Arthur
aan tafel wacht met eten tot iemand hem een avontuur zal vertellen. Met in de ene
hand een hulsttak en in de andere hand een bijl daagt hij de ridders van koning Arthur
uit: wie durft hem een bijlslag toe te dienen, op voorwaarde dat hij als hij over
een jaar terugkomt, zijn beul mag onthoofden. Wanneer Gawain, de dapperste ridder,
toeslaat en de Groene Ridder onthoofdt (afb. 1), is dat het begin van een wonderbaarlijk
verhaal.11
Geheel fictie was een dergelijke uitdaging niet. Tijdens het banket dat volgde na
de kroning van de Engelse koning Richard II in 1377 kwam een ridder te paard Westminster Hall binnen om iedereen uit te dagen die de nieuwe koning niet wilde erkennen.Het ritueel bleef bestaan tot de kroning van George IV in 1821 (afb. 2). De beroemdste beschrijving van dit ritueel is afkomstig uit het dagboek van Samuel Pepys.
Hij beschrijft hoe tijdens de kroning van Charles II in 1661 drie ruiters de zaal binnenreden voordat het eten geserveerd werd. Uiteindelijk komt de kampioen van de
koning binnengereden. Hij daagde iedereen die Charles niet wilde erkennen als koning
van Engeland uit om tegen hem te vechten. Na die woorden wierp hij zijn handschoen
op de grond. Deze woorden en handeling herhaalde hij tot driemaal toe. Toen
bleek dat niemand de handschoen wilde opnemen, bracht de koning een dronk op
hem uit en schonk hem daarna de gouden beker, waaruit de koning gedronken had.12

Afb. 2 Ridder rijdt te paard Westminster
Hall binnen bij het kroningsdiner
van George IV in 1821.
Uit: M. Girouard, Life in the English
Country House. A Social and Architectural
History (New Haven-Londen
1978) 33.

182
Perceval
Ongetwijfeld zal het kroningsritueel mede geïnspireerd zijn door de Arthurverhalen
die de ronde deden. De uitdaging voor de maaltijd doet denken aan het verhaal van
Sir Gawain and the Green Knight. Het detail van de beker herinnert aan de beker die de
Rode Ridder in Chrétiens Perceval wegnam van koning Arthur ten teken dat hij zijn
koninkrijk betwistte.13 Bij het Engelse kroningsbanket schenkt de koning een beker
aan een ridder die zijn rijk verdedigt.
Er zijn nog meer overeenkomsten tussen Chrétiens Perceval en het Engelse kroningsritueel.
Onderweg naar het hof ontmoet de slecht bewapende Perceval de Rode
Ridder, met in zijn ene hand een gouden beker en in de andere hand een lans. Zijn
wapenrusting wekt de begeerte van Perceval op. Aan het hof wil Perceval daarom de
wapenrusting van de Rode Ridder gaan opeisen. De Rode Ridder zegt dat hij naar het
hof mag gaan en namens hem de koning mag uitdagen. De koning is namelijk zijn
grootste vijand. Perceval vervolgt zijn weg naar het hof en rijdt te paard de zaal van
koning Arthur binnen (afb. 3). Chrétien beschrijft de zaal uitvoerig:
La sale fu a terre aval,
et li vallez entre a cheval
en la sale qui fu pavee
et autant longue come lee. (Perceval, v. 861-864)
[De zaal was niet verheven boven de grond en zo kon de knaap te paard binnengaan.
De vloer van de zaal was geplaveid en de zaal was even lang als breed.]
Afb. 3 Perceval arriveert te paard aan het hof van koning Arthur. Voorstelling op het ivoren
Percevalkistje (Parijs, Louvre, ca. 1310-1330). Uit: M. Meuwese, ‘Chrétien in Ivory’, Arthurian Literature 25 (2008) 122.

183
Chrétien beschrijft een zaal die uitzonderlijk op het gelijkvloers gelegen was. De
meeste zalen in kastelen lagen niet op de begane grond maar op de verdieping. Ze waren
dus alleen maar bereikbaar met een (wentel)trap. In de Roman de Thèbes moet een
ridder te paard de trap bestijgen. Chrétien heeft ervoor gewaakt dat zijn verhaal geloofwaardig
was. Er zijn zalen die makkelijk te paard betreden konden worden.14 De
Ridderzaal in Den Haag zal daar bij horen, hoewel de zaal een paar treden boven het
straatniveau ligt. Westminster Hall is direct toegankelijk vanaf de begane grond, dus
daar zal het zeker geen probleem geweest zijn.
Perceval treft de koning in een slechte stemming. De Rode Ridder heeft de beker
van hem gestolen en de wijn over de koningin gegooid. Perceval luistert niet naar
de koning. Hij vraagt of de koning hem de wapens van de Rode Ridder wil geven.
De door de Rode Ridder verwonde Keye geeft hem spottend gelijk: Perceval moet de
rode ridder ontwapenen. Die woorden komen Keye op een berisping van de koning te
staan. De knaap, Arthur kent de naam van Perceval nog niet, is slecht opgevoed, maar
hij kan een goede vazal worden. Keye moet hem geen wapens beloven die hij zelf niet
kan schenken.
Het is duidelijk te zien dat de Ferguut, weliswaar via de Franse Fergus, geïnspireerd
is op dit verhaal. Voor hij bij het hof van koning Artur aankomt, moeten Perceval en
Ferguut langs diens vijanden. De belangrijkste overeenkomst is natuurlijk dat zowel
de naïeve Ferguut als Perceval de zaal te paard binnenkomen om eisen te stellen.
Waarom zegt de koning dat dit blijk geeft van een slechte opvoeding?
De toegang tot het hof
Wat opvalt in alle besproken voorbeelden is dat het te paard binnenrijden een demonstratie van militaire macht is. Iemand die op een paard rijdt is onaantastbaar en
klaar voor de strijd. De Groene Ridder provoceert de ridders van koning Arthur, en
de kampioen bij het kroningsbanket daagt tegenstanders van de nieuwe koning van
Engeland uit tot een tweegevecht. Perceval eist te paard wapens op om de Rode Ridder
te bestrijden en Ferguut eist een plaats op in de raad van de koning. In het Nibelungenlied
eist de jonge Siegfried bij zijn aankomst aan het hof in Worms dat koning
Günther zijn land en kastelen aan hem zal overdragen, omdat hij de dapperste is.
Siegfried kwam weliswaar niet te paard de zaal binnen – die zal wel op de verdieping
hebben gelegen – maar de boodschap is exact dezelfde.15 Aan de basis van de verhalen
over ridders die een zaal binnenrijden, ligt een cultuur van eer en schande waarin
uitdagen belangrijk is.
Ferguut beseft heel goed wat het betekent wanneer hij met een paard de zaal van
koning Arthur binnenrijdt. Hij eist een plaats op in de raad van de koning. De overmoedige jongeman meent daar recht op te hebben omdat hij het woud gezuiverd
heeft van rovers. Dat levert hem de spot op van de ridders aan het hof. Keye gaat
daarin te ver door hem uit te dagen het op te nemen tegen de Zwarte Ridder. Dat is
een onmogelijke opdracht. Ferguut is zo dwaas geweest om zich als de beste ridder
van de wereld te presenteren. De koning wil de vrede herstellen tussen Ferguut en
Keye, maar de heetgebakerde jongeman wil zich niet laten kennen. Om zich te kunnen
wreken op Keye zal hij eerst de zwarte ridder moeten verslaan. Zolang hij met
Keye in onmin leeft is er voor hem geen plaats aan de tafel in de ridderzaal. Keye
heeft hem de toegang tot het hof ontzegd omdat hij te paard de zaal kwam binnenrijden.

184
Ferguut heeft in strijd met de hoofse regels gehandeld doordat hij zijn plaats aan
het hof met geweld wilde verwerven.
De queeste die Ferguut vervolgens onderneemt is een les in bescheidenheid. Hij
leert dat het onhoofs is om iets met geweld te willen verwerven.16 Wanneer hij later
verschijnt op een toernooi verslaat hij alle ridders die de spot met hem gedreven
hebben, Keye in de eerste plaats, maar aan Gawein geeft hij zich zonder slag of stoot
over. Een hoofse ridder wist zich te beheersen bij de uitoefening van geweld. Ferguut
krijgt uiteindelijk status aan het hof door zich te onderwerpen aan Gawein.
De Middelnederlandse Ferguut verschilt van zijn Franse voorbeeld in het slot. Fergus
strijdt aan het einde van het verhaal tegen Perceval. De Middelnederlandse bewerker
laat als beste ridder Gawein het strijdperk betreden. In Middelnederlandse
teksten wordt hij meestal Walewein genoemd en hij heeft de reputatie der avonturen
vader (de vader van avonturen) te zijn. Aan het hof treedt hij vaak op als mentor voor
jonge onervaren ridders, een soort vaderfiguur die knapen tot ridder maakt door hen
het zwaard te omgorden.17 Waarschijnlijk om deze reden heeft de dichter zijn voorbeeld
zo bewerkt dat Gawein/Walewein de plaats inneemt van Perceval. Walewein en
Ferguut waren goede rolmodellen voor jongeren aan het hof. De Ferguut is de literaire
verbeelding van hun ambitie.
Natuurlijk valt uit dit verhaal nog iets te leren voor ambitieuze sjaars, de corporale
term voor eerstejaars, die tempo willen maken. Wie onmiddellijk tot groepje 1
van Minerva wil doordringen, kan overwegen op een motor de zaal binnen te rijden.
Al zullen spotters de jonge held verwelkomen …

Noten
1 Ik dank Roel Zemel voor het kritisch lezen,
waardoor de tekst aan kwaliteit gewonnen
heeft. Andre Meeusen, ‘De tempo-mores
van Minerva: het tweede jaar mag de voeten
op de tafeltjes van de eerstejaars leggen, na
kerst mag het zelfs aan de leestafel zitten’,
De Groene Amsterdammer 39 (1997).
2 F.P. van Oostrom, ‘Het hof daer goede lieden
comen’ en de Middelnederlandse letterkunde’,
Neerlandica extra muros 31 (1993) 1-13.
Over dezelfde thematiek: J. de Putter, ‘Vrede
en pays in Van den vos Reynaerde’, Millennium
14 (2000) 97-102.
3 R.M.T. Zemel, Op zoek naar Galiene. Over de
Oudfranse Fergus en de de Middelnederlandse Ferguut.
Deel I (Amsterdam 1991). Zemel karakteriseert
de Fergus als een literair antwoord
en literaire kritiek op de Perceval (89, 97, 112).
Dat lijkt mij te ver gaan. Perceval wordt in
het verhaal niet overwonnen. Eerder lijkt het
mij dat de Franse dichter een, herkenbaar,
thema uit de Perceval verder uitwerkt. Zemel
vergelijkt de passage die hier centraal staat
op p. 252-253. Zie ook de, aangepaste, Engelse
vertaling van dit proefschrift: R. Zemel, The
quest for Galiene. A Study of Guillaume le Clerc’s
Arthurian Romance Fergus (Amsterdam 2006)
123-127. Zie ook W. Kuiper, ‘Ferguut’, in: W.P.
Gerritsen en A.G. van Melle (red.), Van Aiol tot
Zwaanridder (Nijmegen 1993) 125-128.
4 Gebruik is gemaakt van de editie E. Rombouts,
N. de Paepe, M.J.M. de Haan (red.),
Ferguut. Uitgegeven met inleiding en vertaling
(’s-Gravenhage 1982). Versnummers verwijzen
naar deze editie.
5 De vertaling van W. Kuiper, Ferguut of de ridder
met het witte schild (Amsterdam 2002) 17 is
aangepast. Maecten spot heb ik vertaald met
‘bespotten’ i.p.v. ‘maakten grapjes’.
6 W. Kuiper (noot 5) 129.
7 F. van Oostrom, Stemmen op schrift. Geschiedenis
van de Nederlandse literatuur vanaf het begin
tot 1300 (Amsterdam 2006) 270.
8 P. le Rider, Le chevalier dans le conte du graal
(Parijs 1978) 131.

9 M. Girouard, Life in the English Country House.
A Social and Architectural History (New Haven-
Londen 1978) 32.
10 C. Croizy-Naquet (red.), Chrétien de Troyes,
Le chevalier de la charrete (Parijs 2006) 70-75.
11 R.H. Osberg (red.), Sir Gawain and the green
knight (New York 1990) 12-27.
12 ‘And a herald proclaim if any dare deny that
Ch. Steward [Charles Stuart, JdP] to be lawful
King of England, here was champion that
would fight with him; and with those words
the Champion flings down his gantlet; and
all this he doth three times in his going up
toward the King’s table. At last, when he is
come, the King Drinkes to im and then sends
him the Cup, which is of gold; and he drinks
it off and then rides back again with the
cup in his hand.’ R. Latham en W. Matthews
(red.), The Diary of Samuel Pepys, vol. 2 1661
(Londen 1983) 85. Ook gepubliceerd in de bezoekersgids
voor Westminster Hall: D. Gold,
Westminster Hall. Nine Hunderd Years of History
(Londen 1999) 38-39. Een beschrijving van het
kroningsbanket van George IV op p. 32-33.
13 Ch. Méla (red.), Chrétien de Troyes. Le conte du
graal ou le roman de Perceval (Parijs 1993).
14 P. le Rider (noot 8) 132.
15 S. Grosse (red.), Das Nibelungenlied. Mittelhochdeutsch/
Neuhochdeutsch (Stuttgart 2002)
38-39.
16 Ferguut oordeelt over een koning die de
burcht van zijn geheime liefde Galiene belegert
om met haar te kunnen trouwen: ‘Die
coninc doet hem seluen onnere / Hine es niet
houesch in sijn gedachte / Dat hise hebben
wille met crachte’ (v. 3854-3856). [Me dunkt,
sprak de jongeman, ‘die koning maakt zichzelf
te schande! Dat is niet wellevend gedacht,
dat hij haar met geweld wil hebben’.
Vertaling van W. Kuiper (noot 5) 76-77.]
17 M. Hogenbirk, Avontuur en anti-avontuur. Een
onderzoek naar Walewein ende Keye, een Arturroman
uit de Lancelotcompilatie (Amsterdam
2004) 110-116, met name 114.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: | Een reactie plaatsen

Vrede en pays in Van den vos Reynaerde

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Hallo wereld!

Welcome to WordPress.com. This is your first post. Edit or delete it and start blogging!

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie